dinsdag 17 februari 2026

‘Nergens in Europa is het slechter gesteld dan bij ons’: natuur in Vlaanderen krijgt slecht rapport

 ‘Nergens in Europa is het slechter gesteld dan bij ons’: natuur in Vlaanderen krijgt slecht rapport

Bron BBC/Silverback Films/Richard ShucksmithBBC/Silverback Films/Richard Shucksmith

Ondanks enkele succesverhalen is het met de Vlaamse natuur bedroevend gesteld.
Dat blijkt uit een nieuwe, zesjaarlijkse evaluatie door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).
Wat gaat goed, wat slecht, en hoe kan het beter?
‘We hebben vooral het laaghangend fruit geplukt.’

Wat goed gaat: de comeback van de boomkikker en zeearenden langs de Schelde




De boomkikker dankt zijn naam aan het feit dat hij de enige inheemse kikker is die in bomen en struiken klimt.
Dankzij grootschalig herstel van poelen waarin de beestjes zich voortplanten, en de heraanleg van hagen en houtkanten, klimt de soort ook terug uit het dal.
“De boomkikker heeft dankzij gerichte herstelmaatregelen een spectaculaire comeback gemaakt”, zegt Jeroen Vanden Borre (INBO).


Om de zes jaar moeten lidstaten aan de Europese Commissie rapporteren hoe het met hun natuur is gesteld.
Daarvoor wordt gekeken naar de staat van Europees beschermde dier- en plantensoorten en typische habitats, zoals natte heidegebieden of bos.


Uit de jongste evaluatie door het INBO blijkt dat ook typische bossoorten zoals spechten, de boommarter en verschillende vleermuizensoorten erop vooruitgaan.
Ze profiteren van een natuurlijker bosbeheer, waardoor meer bomen oud worden en er meer dood hout blijft liggen. “Bosbeleid van de voorbije decennia werpt zijn vruchten af”, zegt Vanden Borre.


Ook soorten zoals de lepelaar, de roerdomp en de woudaap − wel degelijk een vogel − zijn in opmars.
De fint, een vissoort die uit onze rivieren was verdwenen, zwemt opnieuw in groten getale in de Schelde rond.


Dat is te danken aan een verbeterde waterkwaliteit en natuurherstel in het kader van Sigmaplan, dat inzet op de aanleg van natuurlijke overstromingsgebieden in de Scheldevallei.
“We zien een enorme respons van de natuur”, zegt Lieven Nachtergale (Agentschap voor Natuur en Bos), die al ruim twintig jaar bij het project betrokken is.
“Er vliegen nu ook zeearenden langs de Schelde, en zelfs de otter is op een aantal plaatsen terug. Toen we dat in het begin als doel stelden, werden we gewoon uitgelachen.”


Om het overstromingsrisico te beperken, zet het Sigmaplan in op natuur om water bij hevige regenval langer op te houden, en het tijdelijk op te vangen bij te hoge waterstanden.
Aan de basis van het succes liggen volgens Nachtergale een aantal factoren. “Er was voor dit project een duidelijke langetermijnvisie waar consequent aan is gewerkt. Tijd en continuïteit zijn heel belangrijk.”


Om draagvlak te creëren is sterk ingezet op betrokkenheid van gemeentebesturen en landbouwers, van wie de gronden in overstromingsgebied zouden komen te liggen.
“Ik herinner mij hoe een schepen op een gemeenteraad een zak vuilnis voor onze neus leeggoot”, vertelt Nachtergale.
“Mensen vreesden dat meer ruimte geven aan de Schelde, toen nog een open riool, afval tot aan hun achterdeur zou brengen. Maar gaandeweg zagen ze in dat die nieuwe natuur kansen biedt.
Enkele van de heftigste tegenstanders van weleer baten nu een b&b uit of zijn natuurgids.”


Net als de otter profiteren de wolf en de bever ook van hun Europese beschermingsstatus. Soms kan natuurherstel vrij simpel zijn. “De wolf en de bever zijn niet erg veeleisende soorten”, zegt Diemer Vercayie (Natuurpunt). “Om die te laten terugkeren volstaat het al dat we ze niet langer massaal doden.”

Wat slecht gaat: de zwanenzang van de kwartelkoning en ‘crisis’ op het platteland

Ondanks enkele succesverhalen oogt het globale plaatje weinig rooskleurig. Van de 70 Europees beschermde dier- en plantensoorten zijn er 18 in een zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’.
Nog eens 18 soorten bevinden zich een ‘matig ongunstige’ staat, met 29 gaat het ronduit slecht.

Met de beschermde habitattypes is het niet veel beter gesteld. Van de 46 ecosystemen zijn er slechts 2 in gunstige staat, met 2 is het ‘matig ongunstig’ gesteld, met 40 ‘zeer ongunstig’.
“Nergens in Europa is het met de natuur slechter gesteld dan bij ons”, zegt Vercayie.


Tegenover de successen in beschermde gebieden en enkele succesvolle natuurherstelprojecten staat volgens de onderzoekers van INBO “een crisis in het cultuurlandschap”.
In het moderne landbouwlandschap, met nog weinig soortenrijke graslanden en houtkanten, vinden dieren te weinig schuilplaatsen en voedsel.
Waardevolle restjes natuur zijn te klein en te versnipperd, met een “zorgwekkende achteruitgang” van heel wat soorten tot gevolg.


Vogelsoorten als de kwartelkoning en het paapje zitten op een dieptepunt, net als veel andere typische akkervogelsoorten zoals de veldleeuwerik en de kievit.
De bunzing boert achteruit en de hamster − ooit zo alomtegenwoordig dat de beestjes werden bestreden − hapt naar zijn laatste adem.


Doordat we in Vlaanderen massaal rivieren hebben rechtgetrokken en tussen dijken opgesloten, en natte gronden hebben gedraineerd voor landbouw, is verdroging volgens de INBO-analyse een “sluipende crisis” voor de natuur, die nog in de hand wordt gewerkt door klimaatverandering.

Sinds 1960 is zo’n driekwart van onze natte natuur verdwenen.
Van typische habitats zoals veen, vochtige heide en graslanden blijft nauwelijks nog iets over.
Soorten zoals de heikikker en de groenknolorchis, een zeldzame orchideeënsoort, zijn in vrije val.


De dieren en planten die erop vooruitgaan zijn vaak soorten die in beschermde gebieden leven en waar je specifieke maatregelen voor kunt nemen, stelt bioloog Olivier Honnay (KU Leuven) vast.
“We hebben vooral het laaghangend fruit geplukt. Wat overblijft zijn de soorten en habitats die te lijden hebben onder stikstofdepositie, verdroging, versnippering en intensieve landbouw. Die problemen zijn veel moeilijker aan te pakken.”


Hoe het beter kan: nood aan robuuste natuur en scherpere keuzes

Om te vermijden dat soorten uit Vlaanderen verdwijnen, zijn volgens de INBO-experts dringend bijkomende maatregelen nodig.
Een deel van het probleem is dat veel natuurgebieden simpelweg te klein zijn om er gezonde populaties planten en dieren in stand te kunnen houden.
“Een gunstige staat van instandhouding zullen we voor veel soorten pas kunnen halen als we met grotere, robuustere stukken natuur kunnen werken”, zegt Vanden Borre. “In de huidige snippers zal dat niet lukken. Maar dat vraagt scherpere beleidskeuzes.”


Daarnaast moet ook buiten de beschermde gebieden de milieu- en natuurkwaliteit omhoog, onder meer door bemesting en het gebruik van pesticiden terug te dringen, en meer ruimte voor natuur te voorzien in het landbouwlandschap.

Al vreest Honnay dat dat voor heel wat soorten niet zal volstaan.
Een soort als de wilde hamster krijg je er niet bovenop met een houtkantje hier en ‘hamstervriendelijk’ perceeltje daar. “De eisen die sommige soorten stellen zijn simpelweg niet compatibel met onze moderne, hoogproductieve landbouw”, zegt de bioloog.
“Ook dat vraagt om duidelijke keuzes, waarbij we in bepaalde zones echt voorrang geven aan natuur, in andere aan landbouw.”


Het roept bij critici de vraag op of we in het dichtbevolkte Vlaanderen per se de groenknolorchis of de hamster in stand moeten houden. “Ik begrijp die reactie, maar het gaat niet alleen om die groenknolorchis of hamster”, zegt Vanden Borre. “Het zijn kanaries in de koolmijn, die aangeven hoe het met onze natuur gaat.”

De INBO-onderzoekers wijzen erop dat de natuur ons essentiële ecosysteemdiensten levert, zoals bescherming tegen weersextremen en de rol die bestuivers spelen in onze voedselvoorziening.
Dat argument gaat volgens Honnay echter slechts tot op zekere hoogte op. “Dat kan ook prima zonder die zeldzame en erg gespecialiseerde soorten.
Daar speelt vooral dat we als mens een ethische plicht hebben om die te behouden.”


Daarnaast is er natuurlijk ook een juridisch argument.
“De richtlijnen die ons verplichten die soorten te beschermen zijn democratisch aanvaard”, zegt Vanden Borre.
“We kunnen ook democratisch beslissen daarvan af te wijken. Al is dat niet wat ik als wetenchapper graag zou zien gebeuren.”


Sinds de goedkeuring van de Europese Natuurherstelwet tikt de klok nog iets harder: tegen 2030 moeten in 30 procent van de natuur in slechte staat de nodige maatregelen zijn genomen om die erbovenop te helpen.
Tegen 2040 is dat 60 procent, tegen 2050 90 procent. “Dat lijkt nog veraf, maar als je weet hoeveel tijd natuurherstel vergt, is dat morgen”, zegt Vanden Borre.


De mogelijkheden om aan natuurherstel te doen, zijn er zeker. Uit eerder onderzoek door het INBO bleek dat een kleine 150.000 hectare aan vernietigde natte natuur nog te herstellen valt.


Projecten vergelijkbaar met het Sigmaplan zijn aan de gang rond de Demer en de Dijle.
Wat in de Scheldevallei is gelukt, zou volgens Vercayie op veel meer plaatsen moeten worden uitgerold.
“We weten wat ons te doen staat”, zegt hij. “In grote delen van Vlaanderen moeten we weer ruimte geven aan rivieren en werken aan vernatting.
Dat is niet alleen goed voor de natuur, we wapenen onszelf er ook mee tegen droogte en wateroverlast. ”


Vercayie wijst erop dat heel wat maatregelen voor natuurherstel al jaren op de plank liggen, bijvoorbeeld om de Europese natuurkernen te versterken.
“Als het rapport één ding aantoont, dan wel dat het huidige beleid niet volstaat om ons uit de staart van het Europese peloton te halen.
 In plaats van de kop in het zand te steken, of te pleiten voor een afzwakking van de Europese regels, zouden we beter een stevige tand bijsteken.”

Foto's: De Morgen

Geen opmerkingen:

Een reactie posten