Dodelijke Ochtendspits in Oudsbergen: GroenRand bekritiseert het gebrek aan middelen voor ontsnippering na de dood van de zestiende wolf
De Euraziatische wolf (Canis lupus lupus) is een meester van aanpassing en een toonbeeld van sociale intelligentie.
Herkenbaar aan zijn robuuste bouw, rechte staart en de typische geelbruine tot grijze vacht met de kenmerkende witte 'masker' rond de bek, is dit roofdier na meer dan een eeuw afwezigheid weer een vast onderdeel van onze natuur.
Wolven leven in hechte familieverbanden, de roedels, waarbij de onderlinge communicatie via huilen, lichaamstaal en geurmarkering essentieel is.
Een bijzonder kenmerk is hun enorme uithoudingsvermogen; een wolf kan in één nacht moeiteloos 50 tot 80 kilometer afleggen.
In Vlaanderen claimt een roedel een territorium van 150 tot 300 km², waarbij ze een cruciale rol spelen in het ecosysteem door de populaties reeën en everzwijnen gezond te houden.
Vooral jonge wolven tussen de één en twee jaar oud vertonen een bijzonder gedrag: zij verlaten de veiligheid van de roedel om op zoek te gaan naar een eigen partner en leefgebied, een riskante tocht die hen dwars door ons versnipperde landschap voert.
Deze mobiliteit werd op donderdag 5 februari 2026 een jonge wolvin fataal tijdens de ochtendspits op de N76 in Oudsbergen, de gewestweg tussen Meeuwen en Genk.
Terwijl camera's de aanwezigheid van het dier al wekenlang in de zone registreerden, bleek de infrastructuur ter plaatse een dodelijke valstrik.
Het ongeval gebeurde exact op een plek waar een wilddetectiesysteem automobilisten had moeten waarschuwen, maar volgens het Natuurhulpcentrum Oudsbergen kampte dit systeem al geruime tijd met defecten; waarschuwingsborden lagen omver of waren onbruikbaar.
Met dit nieuwe slachtoffer staat de balans in Vlaanderen inmiddels op 21 aanrijdingen, waarvan er 16 een dodelijke afloop kenden.
De huidige populatie wordt hierdoor gereduceerd tot een geschatte 10 à 12 individuen, een kwetsbaar aantal voor een soort die juist nu haar plek probeert te heroveren.
Deze tragische gebeurtenis legt structureel financieel probleem bloot in het een Vlaamse natuurbeleid.
Natuurorganisatie GroenRand, die fungeert als een kritisch controleorgaan, stelde recent vast dat er in de Vlaamse begroting voor 2026 nauwelijks middelen zijn vrijgemaakt voor het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO).
Waar voorheen nog werd gehoopt op substantiële investeringen om zwarte punten op de wegen weg te werken, blijken de huidige budgetten ontoereikend voor de broodnodige wildrasters en ecoducten.
Volgens GroenRand blijven de plannen hierdoor niet meer dan "papieren tijgers".
Ondertussen neemt de politieke druk in het Vlaams Parlement toe, waar parlementsleden zoals Lydia Peeters (Open Vld), Mien Van Olmen (cd&v), Sanne Van Looy (N-VA), Bieke Verlinden (Vooruit) en Mieke Schauvliege (Groen) minister van Omgeving Jo Brouns reeds scherp hebben bevraagd over de trage voortgang van deze ontsnipperingsmaatregelen.
De wolfwerende paradox: Tussen noodzakelijke veiligheid en de
ecologische "wildgevangenis"
Om de wolf in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen een plaats te geven, is het beveiligen van landbouwdieren een absolute voorwaarde.
Echter, de technische eisen die worden gesteld aan een effectieve wolfwerende afrastering creëren een complex spanningsveld tussen de bescherming van vee en de fundamentele behoeften van de overige biodiversiteit.
Een omheining is pas effectief wanneer deze zowel een fysieke als een dwingende psychologische barrière vormt.
Volgens de wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Wolf Fencing Team Belgium moet een dergelijk raster minimaal 120 centimeter hoog zijn om overspringen te ontmoedigen.
De wolf is echter een opportunist die liever graaft of kruipt dan springt. Daarom is de strategische plaatsing van de draden cruciaal: de onderste stroomdraad mag zich op maximaal 15 tot 20 centimeter boven de grond bevinden.
De elektrische component is hierbij essentieel voor de conditionering van het roofdier; er moet constant een spanning van minstens 4500 Volt op de draden staan, geleverd door een schrikdraadapparaat met een minimale impulsenergie van 1,5 Joule.
Bij vaste installaties wordt bovendien geadviseerd om het gaas 40 centimeter diep in te graven of een strook gaas van 100 centimeter breed aan de buitenzijde plat op de grond te leggen en te verankeren.
Dit voorkomt dat wolven instinctief aan de voet van het raster een doorgang graven. Dit systeem vereist echter intensief onderhoud: vegetatie die de draden raakt, voert stroom af, waardoor de spanning daalt en de wolf niet langer afgeschrikt wordt, wat de effectiviteit van het leerproces direct ondermijnt.
Natuurvereniging GroenRand waarschuwt dat deze "verhekking" van het landschap een onacceptabele ecologische prijs heeft en spreekt van een oprukkende "wildgevangenis".
Deze zorg wordt wetenschappelijk ondersteund door het INBO, dat in officiële rapporten zoals het Wolvenplan Vlaanderen erkent dat deze barrières leiden tot ernstige habitatfragmentatie.
De rasters zijn niet-selectief; wat de wolf tegenhoudt, blokkeert ook de weg voor vrijwel de gehele lokale fauna.
De impact op de kleine fauna en de herpetofauna is vaak fataal.
Een egel die tegen een stroomdraad op 15 centimeter hoogte loopt, rolt zich als reflex op, waardoor hij herhaaldelijk krachtige schokken ontvangt die leiden tot hartverlamming.
Amfibieën zoals padden en kikkers hebben een vochtige huid met een zeer lage elektrische weerstand, waardoor contact vaak direct dodelijk is.
Bovendien blokkeren de fijne mazen en de ingegraven netten hun seizoensgebonden migratie naar voortplantingspoelen.
Ook Vogelbescherming Vlaanderen hamert op de noodzaak van een ontsnipperd landschap, aangezien elke nieuwe fysieke barrière de visie op biodiversiteitsherstel doorkruist.
De visie van GroenRand is geworteld in het DNA van het Vlaams Actieplan Ontsnippering (VAPO).
Voor grotere soorten zoals reeën, dassen en everzwijnen zijn vloeibare migratieroutes essentieel om genetische verarming te voorkomen.
Wanneer populaties geïsoleerd raken op "eilanden" van groen, vermindert hun weerstand tegen ziekten en hun overlevingskans op lange termijn.
In de provincie Limburg, het kerngebied van de wolf, vertaalt dit barrière-effect zich in zorgwekkende cijfers.
Wanneer wild stuit op kilometerslange rasters, dwalen ze langs deze hekken tot ze op een verkeersas belanden, wat bijdraagt aan de duizenden wildaanrijdingen die jaarlijks worden geregistreerd.
Er ontstaat een economische paradox: terwijl de overheid investeert in ecoducten die gemiddeld 5 tot 10 miljoen euro kosten, worden deze investeringen deels tenietgedaan als de aansluitende gebieden vervolgens met wolfwerende rasters worden afgesloten.
Bovendien wijzen sociaal-wetenschappelijke studies naar Human-Wildlife Conflict uit dat het draagvlak voor de wolf afneemt zodra preventieve maatregelen als landschappelijk storend of schadelijk voor andere natuur worden ervaren.
Hoewel de wolf juridisch strikt beschermd is door de Europese Habitatrichtlijn en het Verdrag van Bern, pleit GroenRand voor dringend wetenschappelijk onderzoek naar innovatieve strategieën die voortkomen uit een internationaal netwerk van experts.
Dit omvat gebiedsgerichte bescherming, waarbij grotere landbouwzones als één geheel worden omheind om de versnippering van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) te beperken en interne corridors en houtkanten open te houden voor wildpassage.
Daarnaast wordt gevraagd om onderzoek naar AI-beeldherkenning en sensorgestuurde afschrikking (zoals in het project Life WolfAlps EU), waarbij slimme camera's enkel predatoren afschrikken met licht of geluid.
Ook de inzet van selectieve doorgangen (vossen- en egelkleppen), de inzet van kuddebeschermingshonden (zoals de Pyrenese berghond), en technologische pistes zoals virtuele afrastering (GPS-halsbanden), tijdelijke fladry-vlaggetjes (geadviseerd door het WWF) en het gebruik van nachtkrale bieden kansen.
Qua financiering subsidieert het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) in risicozones tot 80% à 100% van de materiaalkosten voor rasters, terwijl landbouwers via de VLIF-steun inmiddels ook hulp kunnen krijgen voor kuddebeschermingshonden. Recente beleidsteksten tonen aan dat de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) nu onderzoekt hoe deze maatregelen op landschapsniveau kunnen worden gefaciliteerd binnen landinrichtingsprojecten.
Deze verschuiving naar een collectieve aanpak ondersteunt de visie van GroenRand om ontsnippering te stimuleren door houtkanten en corridors te behouden. Alleen door deze transitie van statische verhekking naar dynamische, gebiedsgerichte preventie kan de ecologische samenhang van het Vlaamse landschap behouden blijven.
Herkenbaar aan zijn robuuste bouw, rechte staart en de typische geelbruine tot grijze vacht met de kenmerkende witte 'masker' rond de bek, is dit roofdier na meer dan een eeuw afwezigheid weer een vast onderdeel van onze natuur.
Wolven leven in hechte familieverbanden, de roedels, waarbij de onderlinge communicatie via huilen, lichaamstaal en geurmarkering essentieel is.
Een bijzonder kenmerk is hun enorme uithoudingsvermogen; een wolf kan in één nacht moeiteloos 50 tot 80 kilometer afleggen.
In Vlaanderen claimt een roedel een territorium van 150 tot 300 km², waarbij ze een cruciale rol spelen in het ecosysteem door de populaties reeën en everzwijnen gezond te houden.
Vooral jonge wolven tussen de één en twee jaar oud vertonen een bijzonder gedrag: zij verlaten de veiligheid van de roedel om op zoek te gaan naar een eigen partner en leefgebied, een riskante tocht die hen dwars door ons versnipperde landschap voert.
Deze mobiliteit werd op donderdag 5 februari 2026 een jonge wolvin fataal tijdens de ochtendspits op de N76 in Oudsbergen, de gewestweg tussen Meeuwen en Genk.
Terwijl camera's de aanwezigheid van het dier al wekenlang in de zone registreerden, bleek de infrastructuur ter plaatse een dodelijke valstrik.
Het ongeval gebeurde exact op een plek waar een wilddetectiesysteem automobilisten had moeten waarschuwen, maar volgens het Natuurhulpcentrum Oudsbergen kampte dit systeem al geruime tijd met defecten; waarschuwingsborden lagen omver of waren onbruikbaar.
Met dit nieuwe slachtoffer staat de balans in Vlaanderen inmiddels op 21 aanrijdingen, waarvan er 16 een dodelijke afloop kenden.
De huidige populatie wordt hierdoor gereduceerd tot een geschatte 10 à 12 individuen, een kwetsbaar aantal voor een soort die juist nu haar plek probeert te heroveren.
Deze tragische gebeurtenis legt structureel financieel probleem bloot in het een Vlaamse natuurbeleid.
Natuurorganisatie GroenRand, die fungeert als een kritisch controleorgaan, stelde recent vast dat er in de Vlaamse begroting voor 2026 nauwelijks middelen zijn vrijgemaakt voor het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO).
Waar voorheen nog werd gehoopt op substantiële investeringen om zwarte punten op de wegen weg te werken, blijken de huidige budgetten ontoereikend voor de broodnodige wildrasters en ecoducten.
Volgens GroenRand blijven de plannen hierdoor niet meer dan "papieren tijgers".
Ondertussen neemt de politieke druk in het Vlaams Parlement toe, waar parlementsleden zoals Lydia Peeters (Open Vld), Mien Van Olmen (cd&v), Sanne Van Looy (N-VA), Bieke Verlinden (Vooruit) en Mieke Schauvliege (Groen) minister van Omgeving Jo Brouns reeds scherp hebben bevraagd over de trage voortgang van deze ontsnipperingsmaatregelen.
De wolfwerende paradox: Tussen noodzakelijke veiligheid en de
ecologische "wildgevangenis"
Om de wolf in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen een plaats te geven, is het beveiligen van landbouwdieren een absolute voorwaarde.
Echter, de technische eisen die worden gesteld aan een effectieve wolfwerende afrastering creëren een complex spanningsveld tussen de bescherming van vee en de fundamentele behoeften van de overige biodiversiteit.
Een omheining is pas effectief wanneer deze zowel een fysieke als een dwingende psychologische barrière vormt.
Volgens de wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Wolf Fencing Team Belgium moet een dergelijk raster minimaal 120 centimeter hoog zijn om overspringen te ontmoedigen.
De wolf is echter een opportunist die liever graaft of kruipt dan springt. Daarom is de strategische plaatsing van de draden cruciaal: de onderste stroomdraad mag zich op maximaal 15 tot 20 centimeter boven de grond bevinden.
De elektrische component is hierbij essentieel voor de conditionering van het roofdier; er moet constant een spanning van minstens 4500 Volt op de draden staan, geleverd door een schrikdraadapparaat met een minimale impulsenergie van 1,5 Joule.
Bij vaste installaties wordt bovendien geadviseerd om het gaas 40 centimeter diep in te graven of een strook gaas van 100 centimeter breed aan de buitenzijde plat op de grond te leggen en te verankeren.
Dit voorkomt dat wolven instinctief aan de voet van het raster een doorgang graven. Dit systeem vereist echter intensief onderhoud: vegetatie die de draden raakt, voert stroom af, waardoor de spanning daalt en de wolf niet langer afgeschrikt wordt, wat de effectiviteit van het leerproces direct ondermijnt.
Natuurvereniging GroenRand waarschuwt dat deze "verhekking" van het landschap een onacceptabele ecologische prijs heeft en spreekt van een oprukkende "wildgevangenis".
Deze zorg wordt wetenschappelijk ondersteund door het INBO, dat in officiële rapporten zoals het Wolvenplan Vlaanderen erkent dat deze barrières leiden tot ernstige habitatfragmentatie.
De rasters zijn niet-selectief; wat de wolf tegenhoudt, blokkeert ook de weg voor vrijwel de gehele lokale fauna.
De impact op de kleine fauna en de herpetofauna is vaak fataal.
Een egel die tegen een stroomdraad op 15 centimeter hoogte loopt, rolt zich als reflex op, waardoor hij herhaaldelijk krachtige schokken ontvangt die leiden tot hartverlamming.
Amfibieën zoals padden en kikkers hebben een vochtige huid met een zeer lage elektrische weerstand, waardoor contact vaak direct dodelijk is.
Bovendien blokkeren de fijne mazen en de ingegraven netten hun seizoensgebonden migratie naar voortplantingspoelen.
Ook Vogelbescherming Vlaanderen hamert op de noodzaak van een ontsnipperd landschap, aangezien elke nieuwe fysieke barrière de visie op biodiversiteitsherstel doorkruist.
De visie van GroenRand is geworteld in het DNA van het Vlaams Actieplan Ontsnippering (VAPO).
Voor grotere soorten zoals reeën, dassen en everzwijnen zijn vloeibare migratieroutes essentieel om genetische verarming te voorkomen.
Wanneer populaties geïsoleerd raken op "eilanden" van groen, vermindert hun weerstand tegen ziekten en hun overlevingskans op lange termijn.
In de provincie Limburg, het kerngebied van de wolf, vertaalt dit barrière-effect zich in zorgwekkende cijfers.
Wanneer wild stuit op kilometerslange rasters, dwalen ze langs deze hekken tot ze op een verkeersas belanden, wat bijdraagt aan de duizenden wildaanrijdingen die jaarlijks worden geregistreerd.
Er ontstaat een economische paradox: terwijl de overheid investeert in ecoducten die gemiddeld 5 tot 10 miljoen euro kosten, worden deze investeringen deels tenietgedaan als de aansluitende gebieden vervolgens met wolfwerende rasters worden afgesloten.
Bovendien wijzen sociaal-wetenschappelijke studies naar Human-Wildlife Conflict uit dat het draagvlak voor de wolf afneemt zodra preventieve maatregelen als landschappelijk storend of schadelijk voor andere natuur worden ervaren.
Hoewel de wolf juridisch strikt beschermd is door de Europese Habitatrichtlijn en het Verdrag van Bern, pleit GroenRand voor dringend wetenschappelijk onderzoek naar innovatieve strategieën die voortkomen uit een internationaal netwerk van experts.
Dit omvat gebiedsgerichte bescherming, waarbij grotere landbouwzones als één geheel worden omheind om de versnippering van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) te beperken en interne corridors en houtkanten open te houden voor wildpassage.
Daarnaast wordt gevraagd om onderzoek naar AI-beeldherkenning en sensorgestuurde afschrikking (zoals in het project Life WolfAlps EU), waarbij slimme camera's enkel predatoren afschrikken met licht of geluid.
Ook de inzet van selectieve doorgangen (vossen- en egelkleppen), de inzet van kuddebeschermingshonden (zoals de Pyrenese berghond), en technologische pistes zoals virtuele afrastering (GPS-halsbanden), tijdelijke fladry-vlaggetjes (geadviseerd door het WWF) en het gebruik van nachtkrale bieden kansen.
Qua financiering subsidieert het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) in risicozones tot 80% à 100% van de materiaalkosten voor rasters, terwijl landbouwers via de VLIF-steun inmiddels ook hulp kunnen krijgen voor kuddebeschermingshonden. Recente beleidsteksten tonen aan dat de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) nu onderzoekt hoe deze maatregelen op landschapsniveau kunnen worden gefaciliteerd binnen landinrichtingsprojecten.
Deze verschuiving naar een collectieve aanpak ondersteunt de visie van GroenRand om ontsnippering te stimuleren door houtkanten en corridors te behouden. Alleen door deze transitie van statische verhekking naar dynamische, gebiedsgerichte preventie kan de ecologische samenhang van het Vlaamse landschap behouden blijven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten