vrijdag 13 maart 2026

Op ottersafari langs de Schelde: kan de otter weer een plek vinden in Vlaanderen?

Op ottersafari langs de Schelde: Kan de otter zich opnieuw vestigen in Vlaanderen?

Samen met VRT NWS trokken we op ‘ottersafari’ langs de Schelde in de Polders van Kruibeke.
We hoopten een glimp op te vangen van de uiterst schuwe otter. De kans dat we dit solitaire nachtdier echt te zien kregen, was volgens otterkenner Céline De Caluwé van het WWF minimaal.
Ze schatte de kans op slechts 0,1 procent.
Toch bleven we gemotiveerd. Hoewel de otter zich overdag diep verschuilt in rietkragen of dichte struiken en bosjes, weten we door wildcamera’s van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zeker dat hij terug is.
De otter is een semi-aquatisch dier dat afwisselend op het land en in het water leeft.


Nadat de laatste exemplaren eind jaren 80 volledig uit ons landschap waren verdwenen, gloort er nu weer hoop.
Vroeger was de otter een gewone verschijning in onze natuur.
Tot de jaren 60 en 70 vond je ze in heel België op bijna elke plek waar water was.
Een dodelijke combinatie van factoren deed de soort de das om. Er werd intensief gejaagd voor de bonthandel en de natuur raakte versnipperd.
Veel otters verdronken in onbeschermde visfuiken. Ook de zware watervervuiling met zware metalen en pcb's speelde een grote rol. In 1988 werd het allerlaatste exemplaar in Friesland doodgereden. Dat markeerde de tijdelijke uitsterving van de soort in onze gehele regio.
Vandaag keert het tij, maar de verschillen tussen Vlaanderen en onze buurlanden zijn enorm.

Terwijl Nederland een succesverhaal schrijft met ongeveer 500 otters, blijft de populatie in Vlaanderen uiterst kwetsbare randpopulatie.
We schatten dat er hier slechts 10 tot 15 exemplaren rondzwemmen. Sommige schattingen houden het op 'minder dan 50', maar een officieel bewijs van voortplanting in Vlaanderen is er nog niet.
Het Nederlandse succes begon in 2002 in het Nationaal Park Weerribben-Wieden in Overijssel.


Daar werden 31 otters uit het wild uitgezet, afkomstig uit Letland, Wit-Rusland en Tsjechië. In 2020 was de otter in Nederland zelfs geen bedreigde soort meer en werd hij van de Rode Lijst geschrapt.
De ‘Vlaamse’ otters in hotspots zoals Kasterlee, het Molsbroek in Lokeren, de Durmevallei en de Kruibeekse Polders zijn pioniers.
Ze zijn vanuit groeiende populaties in het noorden van Nederland steeds verder zuidwaarts getrokken via een netwerk van rivieren, kanalen en beken. In dit proces fungeert Nationaal Park De Biesbosch als een essentieel strategisch steunpunt en brongebied. Nadat de soort daar in 2022 officieel terugkeerde, vond de otter in dit uitgestrekte moerasgebied een ideaal leefgebied om populaties op te bouwen.
Vanuit deze "kraamkamer" trekken jonge dieren op zoek naar een eigen territorium van wel 1.000 tot 1.500 hectare verder de grens over.

Ze maken daarbij gebruik van de rivier de Mark en de Aa of Weerijs. Deze waterlopen verbinden de Biesbosch rechtstreeks met het noorden van de provincie Antwerpen.
De Antitankgracht sluit op dit netwerk aan als een cruciale ecologische corridor.
Het vormt een 33 kilometer lang lintvormig natuurgebied dat verschillende leefgebieden met elkaar verbindt.
Deze gracht biedt een veilige route langs drukke menselijke infrastructuur en verbindt de Scheldevallei rechtstreeks met de grensregio.
Voor het tweede jaar op rij is in 2025 de aanwezigheid van de otter bevestigd in de Bovenmark via eDNA-onderzoek.
Dit onderzoek werd door het INBO uitgevoerd in opdracht van waterschap Brabantse Delta.

Met deze techniek zoeken onderzoekers in watermonsters naar DNA uit huidcellen, bloed, slijm of uitwerpselen.
Het succes in de Bovenmark bewijst dat de verbinding tussen de Biesbosch, de Mark en de Antitankgracht echt werkt.
Natuurvereniging GroenRand trekt echter aan de alarmbel. Vlaanderen dreigt de 'ontbrekende schakel' te blijven in Europa. Door de enorme versnippering van onze natuur kan de otter zich hier moeilijk blijvend vestigen.
Dit zorgt voor een gevaarlijke situatie waarbij inteelt en genetische verarming op de loer liggen.
Bovendien is het voedsel voor de otter vaak ongezond. Hoewel er in Kruibeke met 90 kilogram vis per hectare genoeg voedsel is (het minimum voor een otter die anderhalve kilo per dag eet), zitten deze vissen vol met schadelijke stoffen zoals PFAS en PCB's.

Toch is de otter onmisbaar.
Als roofdier houdt hij visbestanden sterk en bestrijdt hij exoten zoals de Amerikaanse rivierkreeft.
De bever helpt de otter een handje door burchten te bouwen die ook als slaapplek voor de otter dienen.
Om de reis van de otter mogelijk te maken, worden binnen projecten zoals 'Otter over de grens' barrières weggewerkt.
Hierin werken het waterschap Brabantse Delta samen met de gemeente Breda, het Agentschap voor Natuur en Bos en twaalf andere partners.
Er worden loopplanken onder bruggen geplaatst en rasters bij drukke wegen gezet.
Dit is nodig omdat de otter bij het maken van grote verplaatsingen vaak wordt aangereden op 'zwarte punten'.
Een otter zwemt niet graag door een duiker die volledig onder water staat. Hij heeft een droge oever of loopstrook nodig om zich veilig te voelen.
De strategie van GroenRand is de laatste jaren veranderd.
Ze treden nu op als een gewaardeerde kennispartner in de politiek. Waar ze voorheen vooral via natuurwandelingen, lezingen en fotoreportages werkten, bereiden ze nu dossiers voor waarmee volksvertegenwoordigers minister Jo Brouns in de Commissie voor Leefmilieu gericht kunnen ondervragen via vragen om uitleg.

De grootste zorg is het geld voor de toekomst. De huidige budgetten voor het Soortenbeschermingsprogramma (SBP) en het Interreg-project lopen af in 2027. Ook het ontsnipperingsprogramma VAPEO leunt op tijdelijk Europees geld uit het Relanceplan (RRF) dat in 2026 uitgeput moet zijn.
In de Vlaamse meerjarenplanning tot 2031 is er momenteel geen nieuw, structureel geld gereserveerd.
Omdat elk jaar naar schatting 10% tot 25% van de populatie sterft in het verkeer, is dat geld hard nodig voor faunapassages onder gewestwegen.
Alleen met blijvende investeringen en veilige corridors kan de otter in Vlaanderen weer echt veilig thuis zijn.

donderdag 12 maart 2026

De veldleeuwerik: vogel van het jaar

De Veldleeuwerik: Een hemelse stem vecht voor zijn plek op de Vlaamse grond

De kogel is door de kerk: de veldleeuwerik is officieel uitgeroepen tot Vogel van het Jaar 2026.
In een spannende publieksverkiezing georganiseerd door Vogelbescherming Vlaanderen behaalde de zangvogel 27 procent van de stemmen, waarmee hij de patrijs en de boerenzwaluw nipt achter zich liet.

Volgens Julie Van Houtryve van de organisatie is deze plek op het hoogste schavotje meer dan verdiend.
Generaties lang was de veldleeuwerik immers het onbetwiste symbool van het Vlaamse boerenlandschap.
Voor velen roept zijn sprankelende, bijna jubelende gezang pure nostalgie op, wat bleek uit de vele emotionele getuigenissen die de organisatie mocht ontvangen.
Eén van de stemmers stuurde zelfs een gedicht in de stijl van Guido Gezelle om zijn liefde voor de soort te uiten.

De keuze voor de veldleeuwerik is echter meer dan een nostalgische groet; het is een dringende noodkreet voor een vogel die in sneltempo uit ons landschap verdwijnt.
Sinds de jaren zestig is de populatie in Vlaanderen met maar liefst 95 procent gekelderd, waardoor de soort inmiddels als ‘kwetsbaar’ op de Vlaamse Rode Lijst staat.
De veldleeuwerik is een vogel die men doorgaans eerder hoort dan ziet.
Met zijn bruingrijze, fijn gestreepte verenkleed en een korte, bijna onzichtbare kuif gaat hij perfect op in zijn omgeving. Deze camouflage is van levensbelang, aangezien de vogel op de grond leeft en broedt.

Het meest spectaculaire kenmerk van de soort is de zangvlucht van het mannetje.
Op zonnige voorjaarsdagen stijgt hij tierelierend op tot wel honderd meter hoogte, waar hij minutenlang als een trillend stipje aan de hemel blijft hangen terwijl hij zijn gevarieerde lied ten gehore brengt, om uiteindelijk — nog steeds zingend — weer naar de grond terug te keren.

Zijn levenswijze is volledig afgestemd op het open veld; hij nestelt in een simpel kuiltje in de grond, verscholen in vegetatie die bij voorkeur tussen de 20 en 50 centimeter hoog is.
Tijdens het broedseizoen, dat loopt van april tot juli, brengt een paar vaak twee tot drie legsels groot.

Terwijl de volwassen vogels in de winter vooral zaden en granen eten op winterstoppelvelden, zijn de jongen in het nest volledig afhankelijk van eiwitrijke insecten zoals rupsen, kevers en spinnen. Zonder dit aanbod aan insecten overleven de kuikens de eerste cruciale weken niet.
De oorzaak van de dramatische achteruitgang ligt in de ingrijpende verandering van ons buitengebied.
De veldleeuwerik is enorm gesteld op een open landschap met een afwisseling van braakliggende percelen, lage kruidenvegetatie en insectenrijke zones.
Variatie is essentieel, want in een gevarieerd landbouwgebied vindt hij voedsel, rust en geschikte nestplaatsen.


De voorbije decennia hebben kleinschalige akkers met hagen, bloemenranden en ruige hoekjes echter plaatsgemaakt voor grootschalige, strak beheerde monoculturen zoals maïs.
Akkers werden groter, houtkanten verdwenen en er werd intensiever geploegd en gemaaid. Het areaal zomergraan nam af en de zo belangrijke winterstoppelvelden verdwenen nagenoeg volledig, waardoor geschikte rust- en broedplaatsen schaars werden.
Bovendien zorgt het intensieve gebruik van pesticiden voor een 'insectenwoestijn'.
Minder insecten betekent simpelweg minder voedsel voor volwassen vogels en hun jongen.

De veldleeuwerik geldt hierdoor als een indicatorsoort: zijn afwezigheid vertelt ons dat de biologische waarde van ons platteland tot een dieptepunt is gezakt en dat het hele ecosysteem onder druk staat.
Ook in de regio van de Voorkempen is deze achteruitgang pijnlijk voelbaar.

De vogel is hier teruggedrongen tot enkele laatste bastions waar nog voldoende openheid en rust heerst, zoals de militaire domeinen van het Groot Schietveld in Brecht en Wuustwezel, en de uitgestrekte grasvlaktes rond het vliegveld van Brasschaat.
In deze context speelt de vereniging GroenRand een onmisbare rol. Als actieve natuurorganisatie in de Antwerpse rand ijvert GroenRand onvermoeibaar voor het behoud van open ruimte en het herstel van natuurlijke verbindingen.
Zij benadrukken dat de veldleeuwerik een landschapsvogel is die niet kan overleven op kleine, versnipperde eilandjes.
Hij heeft behoefte aan een aaneengesloten, kwaliteitsvol landschap waarin hij veilig kan foerageren en broeden.

GroenRand zet zich in om de resterende open ruimte in de Voorkempen te beschermen tegen verdere verkaveling en ijvert voor robuuste natuurverbindingen.
Door natuurgebieden met elkaar te verbinden via bloemenstroken en brede bermen, krijgt de veldleeuwerik weer de weidsheid die hij nodig heeft om zijn territorium uit te breiden en zijn populatie te versterken.
Vogelbescherming Vlaanderen gebruikt de titel 'Vogel van het Jaar' daarom als hefboom voor een ambitieus Vlaams natuurherstelplan. De organisatie vraagt specifiek om het natuurherstelplan te gebruiken als hefboom om het leefgebied van de veldleeuwerik te herstellen, in nauwe samenwerking met landbouwers.
De eisen aan het beleid zijn concreet: zorg dat minstens tien procent van het boerenland uit kwaliteitsvolle natuur bestaat, zoals houtkanten, bloemenranden en ruige hoekjes.

Boerenlandvogels hebben immers een mozaïek van natuurlijke structuren nodig om te schuilen, broeden, rusten en voedsel te vinden.
Om aan die tien procent wilde natuur te komen, ijvert de organisatie voor gebiedsgerichte en collectieve samenwerking tussen landbouwers.
Daarnaast wordt gepleit voor specifieke soortgerichte maatregelen, zoals soortbeschermingsprogramma's, en het langdurig volhouden daarvan.
Ook de effectiviteit van de genomen maatregelen moet strikt gemonitord worden.
Een ander cruciaal punt is de roep om een pesticidenvrije landbouw, wat essentieel is voor het herstel van de insectenstand. Dit is niet alleen goed voor de vogels, maar ook voor de algemene biodiversiteit en de menselijke gezondheid.
Met de veldleeuwerik als Vogel van het Jaar vraagt de organisatie in 2026 niet enkel meer aandacht voor de prachtige soort, maar wordt er gepleit voor een sterk en ambitieus Vlaams natuurherstelplan met voldoende financiële middelen voor de uitvoering ervan.
Door de krachten te bundelen met lokale partners zoals GroenRand, hoopt Vogelbescherming Vlaanderen dat de 'tierelierende stip' aan de horizon weer een vertrouwd beeld wordt boven de Vlaamse velden.
Het doel is helder: de leeuwerik moet weer een vaste waarde worden onder onze hemel, zodat zijn gezang niet enkel voortleeft in de nostalgische gedichten van weleer, maar als een levend bewijs van een succesvol herstelde natuur.
Alleen door nu in te grijpen en te kiezen voor een duurzaam herstel van de boerennatuur, kunnen we voorkomen dat de karakteristieke stem van het platteland voorgoed verstomt.
De veldleeuwerik verdient zijn plek op het hoogste schavotje, maar hij verdient bovenal een landschap waarin hij weer echt thuis kan komen.

Europese Otterconferentie 2026: GroenRand benadrukt het belang van de Antitankgracht als cruciale levensader

Europese Otterconferentie 2026: GroenRand vraagt aandacht voor de Antitankgracht als vitale levenslijn

Vandaag vormt het provinciehuis van Antwerpen het kloppende hart van de internationale natuurbescherming.
Terwijl de eerste lentedagen de stad opwarmen, is de Europese Otterconferentie officieel van start gegaan.
Het is een moment van reflectie en hoop: wetenschappers, beleidsmakers en gepassioneerde vrijwilligers buigen zich over de comeback van een dier dat we eigenlijk al lang kwijt waren: de Europese otter (Lutra lutra).


Tijdens een boeiende en bij momenten confronterende openingslezing schetste INBO-wetenschapper Joris Everaert het onthutsende beeld van een soort die na een eeuw van vervolging en vervuiling eindelijk weer voet aan wal krijgt in de Vlaamse waterlopen.
De geschiedenis van de otter in Vlaanderen is er een van uitersten en menselijk ingrijpen.
Rond het jaar 1900 was de otter nog een zeer algemene verschijning.
Een integraal en vanzelfsprekend onderdeel van het Vlaamse waterlandschap dat in vrijwel elke gezonde stroom of moerasgebied te vinden was.
De kentering kwam echter halverwege de 20ste eeuw, toen het dier plots werd gedemoniseerd en bestempeld als een schadelijke concurrent voor de visserijsector.

De dieren werden gezien als een directe bedreiging voor de visbestanden en de mens reageerde met harde hand: er werden zelfs officiële premies uitgeloofd voor wie otters doodde.
Deze actieve vervolging zorgde ervoor dat de aantallen tegen het midden van de eeuw al dramatisch waren gedecimeerd.
Tegen het einde van de 20ste eeuw volgde de definitieve genadeslag.
Het was niet langer enkel de directe jacht, maar vooral de grootschalige vernietiging van zijn leefomgeving die de otter de das omdeed.


Habitatverlies door de rechttrekking van rivieren, het droogleggen van cruciale natte natuurgebieden en een dramatische waterpollutie door ongecontroleerde industriële lozingen zorgden ervoor dat de otter in de jaren 1980-1990 officieel als zo goed als uitgestorven werd beschouwd in Vlaanderen.
De "waterwolf" was uit onze collectieve her herinnering gewist.
Maar de natuur bleek veerkrachtiger dan de meest pessimistische rapporten voorspelden.

Tussen 2000 en 2006 maakte de otter een uiterst voorzichtige en bijna onzichtbare comeback.
In 2005 en 2006 werden de eerste betrouwbare waarnemingen gedaan in de provincie Limburg, meer bepaald in de gemeenten Kinrooi en Maaseik, waar dieren vanuit Nederlands gebied de grens overstaken.
Kort daarna volgden hoopvolle meldingen uit de regio Kruibeke in Oost-Vlaanderen.
Het jaar 2014 markeerde het ultieme bewijs van herstel: voor het eerst vonden onderzoekers harde aanwijzingen dat de otter zich in Vlaanderen opnieuw voortplantte.

Tegen die tijd was ook duidelijk dat er waarnemingen waren langs de Antitankgracht in Antwerpen en in het Vlaams-Brabantse Lubbeek.
Vandaag, in 2026, is de verspreiding nog verder toegenomen; zelfs in West-Vlaanderen zijn in de periode 2019-2026 de eerste sporen gevonden.
Joris Everaert schat het totale aantal otters in Vlaanderen momenteel op 10 tot 20 individuen.
"Al gaat het om een ruwe schatting," benadrukte hij op het congres, wat aangeeft hoe schuw deze nachtdieren blijven in ons versnipperde landschap.
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) volgt deze populatie nauwgezet op met moderne technieken zoals eDNA-onderzoek op spraints (uitwerpselen), toxicologisch onderzoek en een uitgebreid netwerk van cameravallen dat door talloze vrijwilligers wordt beheerd.

Dankzij dit titanenwerk van vrijwilligers kreeg de otter een gezicht in de vorm van 'Mevrouw Eenoog'.
Dit éénogige vrouwtje verscheen in 2019 voor het eerst in de regio Durme-Donk en verschijnt in 2026 nog altijd voor de camera.
Uit onderzoek blijkt dat zij een indrukwekkend traject van maar liefst 54 kilometer aflegt tijdens haar omzwervingen door de beekvalleien.
Zij bewijst dat otters enorme territoria nodig hebben, maar haar verhaal kent ook een tragische kant: ze heeft in haar territorium al zeven jaar geen partner ontmoet.
Dit illustreert de grootste uitdaging voor de soort: de enorme isolatie van de huidige leefgebieden en het risico op inteelt bij gebrek aan natuurlijke migratiecorridors die de verschillende 'pockets' van populaties met elkaar verbinden.

Om deze iconische bewoner een duurzame toekomst te bieden, stelde de Vlaamse minister van Omgeving eind 2022 het Soortenbeschermingsprogramma (SBP) voor de Europese otter vast.

Dit programma, met een looptijd van 2023 tot 2027, vormt een officieel beleidskader dat voortvloeit uit het Soortenbesluit.
Hoewel het SBP geen directe wetgeving is die burgers individueel verplichtingen oplegt, is het voor de Vlaamse overheid en agentschappen zoals Natuur en Bos een formeel en bindend engagement.
Het biedt de juridische en strategische basis voor vergunningverlening, natuurbeheer en de toewijzing van middelen.

De kern van dit programma rust op vijf strategische pijlers: habitatoptimalisatie, intensieve monitoring via DNA-onderzoek, sensibilisering van actoren zoals de visserijsector, internationale samenwerking en — cruciaal voor de overleving van het dier — ontsnippering.

Juist bij die ontsnippering wringt de politieke en financiële schoen. De otter is een territoriale zwerver die enorme afstanden aflegt.

Een mannetje kan tot wel veertig kilometer rivieroever claimen als zijn domein.
Op zijn tocht moet hij talloze barrières zoals wegen, sluizen en stuwen passeren.
Wanneer een brug of duiker geen veilige droge oeverstrook biedt, wordt de otter gedwongen het water te verlaten en de weg over te steken, vaak met een dodelijke aanrijding tot gevolg.
De Antitankgracht (ATG) rond Antwerpen fungeert vandaag als een cruciale "ecologische snelweg" die grote natuurgebieden zoals het Groot Schietveld en de vallei van de Kleine Nete met elkaar verbindt.

Op dit moment zijn in Vlaanderen drie locaties aangeduid die dienen als speciale beschermingszone voor de otter: de Scheldevallei, de Antitankgracht en de Maasvallei.
De Antitankgracht is een strategische migratieroute, maar zonder veilige faunapassages langs de vele kruisende verkeersaders blijft de gracht een gefragmenteerd leefgebied waar lokale populaties geïsoleerd raken of sterven in het verkeer.
Ontsnippering is hier dus geen luxe, maar de enige manier om van deze corridor een functionele levenslijn te maken.
De financiering van deze levensnoodzakelijke infrastructuur hangt momenteel echter aan een zijden draad.
Tot nu toe werden veel concrete acties, zoals de aanleg van loopplanken en tunnels, gefinancierd via het Europese project Interreg Vlaanderen-Nederland (‘Otter over de grens’), dat in april 2024 van start ging.

Echter, wanneer dit programma en de bijbehorende Europese geldstroom in 2027 eindigen, ontstaat er een groot financieel vacuüm.
Hoewel minister Jo Brouns in februari 2026 nog incidentele projectsubsidies aankondigde voor de aanleg van enkele loopbruggen, wijzen critici op een dieper liggend structureel probleem: het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO).
Dit programma is essentieel om de zwarte punten op onze wegen structureel aan te pakken, maar minister Brouns heeft voor de periode tot 2031 geen specifiek budget gereserveerd voor nieuwe VAPEO-projecten.
Volgens de vereniging GroenRand heeft de minister zijn "spaarvarken omgekeerd", maar rolde er geen euro uit voor ontsnipperingsmaatregelen, daar hij kiest voor andere beleidsopties die de prioriteit op economische expansie leggen boven ecologische connectiviteit.
In dit complexe krachtenveld vervult GroenRand een onmisbare rol als dialoogpartner en maatschappelijke belangenbehartiger.
De organisatie stelt scherp dat een Soortenbeschermingsprogramma op papier weinig waard is als de uitvoering op het terrein stokt door een gebrek aan middelen. GroenRand voert een actieve lobbycampagne en werkt nauw samen met volksvertegenwoordigers om de noodzaak van ontsnippering op de politieke agenda te houden.
Zij ondersteunen projecten zoals de 'Klimaatgordel' om de ATG centraal te stellen in een robuust natuurnetwerk en berekenden dat er 11,45 miljoen euro nodig is om de versnippering in de regio effectief aan te pakken.
Hun werking is tastbaar: van het ijveren voor loopplanken onder bruggen tot het educatieve project 'Olga Otter'.

Door gericht parlementaire vragen te laten stellen (onder meer op 18 november 2025), vraagt de vereniging aandacht voor de hiaten in de langetermijnfinanciering.
Zij benadrukken dat de otter een 'paraplusoort' is: bescherming voor de otter betekent automatisch betere overlevingskansen voor talloze andere soorten.
Op het congres in Antwerpen voeren Marieke Desender (INBO) en haar collega-onderzoekers van het Waalse DEMNA en de WUR een boeiend debat over de "blinde vlek" in Vlaanderen.
Op de Europese kaart is dit de plek waar — in tegenstelling tot de buurlanden — nog zeer weinig otters voorkomen.
De centrale vraag is: moeten we, zoals in Nederland is gebeurd, otters gaan herintroduceren of uitzetten in Vlaanderen om te komen tot een duurzame populatie?
Marieke denkt alvast van niet.
Onze drukke wegen zorgen voor te veel 'road kill'.
Bovendien toont toxicologisch onderzoek aan dat vissen, de favoriete prooien van de otter, nog te veel chemische stoffen bevatten, zoals PCB’s en PFAS.
Dit kan een ernstig effect hebben op het voortplantingssucces van de weinige otters die we hebben.
De habitatkwaliteit van potentiële leefgebieden is simpelweg nog niet optimaal en de kans op inteelt blijft groot zolang populaties geïsoleerd blijven door infrastructurele barrières en een povere omgevingskwaliteit.
De conclusie is dat de otter in Vlaanderen momenteel gevangen zit tussen administratieve ambitie en budgettaire onwil.

Terwijl het SBP een sterk theoretisch fundament biedt, dreigt de praktijk te falen door het ontbrekende VAPEO-budget tot 2031 en het wegvallen van Europese steun na 2027. Op de recente Europese Otterconferentie werd ook duidelijk dat de terugkeer van de otter in onze waterlopen niet langer een mysterie is, dankzij een grensverleggende samenwerking tussen politionele expertise en genetisch onderzoek.

Ellen Van Krunkelsven, werkzaam bij de politie, brengt haar ervaring in het trainen van speurhonden naar het natuurveld.
In opdracht van het INBO leiden zij en haar team ecodetectiehonden op die specifiek getraind zijn op de geur van de Europese otter.

Deze honden zijn vele malen sneller en efficiënter dan menselijke onderzoekers.
Waar traditionele methoden vaak tekortschieten, vinden deze honden feilloos de verborgen otterspraints (uitwerpselen).
Hun inzet beperkt zich overigens niet tot de otter; ze sporen met evenveel precisie de Europese hamster, larven van het vliegend hert en diverse invasieve uitheemse soorten op.

Naast deze biologische speurneuzen vormt environmental DNA (eDNA) de tweede pijler van het moderne otteronderzoek.
Rein Brys van het team Genetische Diversiteit legt uit dat de otter — een uiterst schuw en nachtactief dier — zich zelden laat zien via klassieke inventarisatietechnieken zoals cameravallen of pootafdrukken.

De eDNA-methode is gebaseerd op het principe dat elk dier genetisch materiaal achterlaat in de vorm van huidcellen, urine of uitwerpselen.
Door simpelweg watermonsters te nemen in rivieren, sloten of poelen, kan de aanwezigheid van de otter accuraat worden vastgesteld.
Deze revolutionaire techniek gaat zelfs verder.
Het maakt het mogelijk om populatiegroottes in kaart te brengen en het voedselaanbod te analyseren, zowel in stromend als stilstaand water.
De successen van deze gecombineerde aanpak zijn tastbaar. Dankzij eDNA-onderzoek werd de aanwezigheid van de otter officieel bevestigd in gebieden als het Zennegat, Rupelmonde en Viersels Gebroekt.
De expertise van Rein en zijn collega's wordt inmiddels internationaal gewaardeerd, waarbij zij staalnames ondersteunen in Wallonië, het Verenigd Koninkrijk en Ierland.
Ook in het Scheldebekken, waartoe de Antitankgracht behoort, is de aanwezigheid van otters via grootschalige eDNA-screening onomstotelijk aangetoond.
Het door het INBO ontwikkelde protocol biedt een veel hogere trefkans dan de vondst van verkeersslachtoffers of toevallige sporen.
Deze methodiek zal in de toekomst dan ook op grote schaal worden uitgerold binnen het soortenbeschermingsprogramma, waardoor de monitoring van de otter in de Antitankgracht en aanleunende beken een structureel en wetenschappelijk fundament krijgt.

De boodschap van de Europese Otterconferentie 2026 is helder: we moeten eerst ons eigen huis op orde brengen.
De terugkeer van de otter is het resultaat van een coalitie tussen wetenschappers en lokale doeners zoals GroenRand.
Pas als de waterbarrières weg zijn en de waterkwaliteit echt verbetert, kan een otter als Mevrouw Eenoog eindelijk de partner vinden die ze verdient.
Zonder een bindend budgettair kader dat ontsnippering bovenaan de agenda zet, blijft de terugkeer van de otter een wankel succesverhaal dat elk moment abrupt kan eindigen op de Vlaamse wegen.

De ‘D’ van Draaihals: de onzichtbare mierenjager van de Kalmthoutse Heide

De ‘D’ van Draaihals: De Onzichtbare Mierenjager van de Kalmthoutse Heide

In deze aflevering van de reeks 'Vogels van A tot Z' neemt natuurfotograaf Frank Vermeiren ons mee naar de uitgestrekte Kalmthoutse Heide, een essentieel deelgebied binnen het projectgebied van GroenRand. Frank, die de natuur in de Voorkempen en de Antwerpse Kempen als geen ander door zijn lens vastlegt, laat ons kennismaken met een specht die in bijna niets lijkt op de bekende grote bonte specht: de Draaihals (Jynx torquilla). De vogel is een meester in camouflage en een van de meest mysterieuze verschijningen in ons grenspark.
De Draaihals is met zijn verfijnde bruine camouflagekleuren een absoluut buitenbeentje binnen de spechtenfamilie.
Zijn verenpak is een kunstwerk van natuurlijke maskeerkunst; een uiterst fijn patroon van boomschorstinten, variërend van grijsbruin tot zwartachtig, waardoor hij nagenoeg onzichtbaar is wanneer hij roerloos tegen een stam zit of tussen de dorre heidevegetatie foerageert.


Deze ‘cryptische’ tekening is cruciaal voor zijn overleving, aangezien hij – in tegenstelling tot andere spechten – geen sterke snavel heeft om zelf nestholtes in hard hout te hakken.
Hij is dan ook een echte opportunist die nestelt in bestaande boomholten, met een duidelijke voorkeur voor oude, deels verrotte loofbomen zoals de karakteristieke berken die de heideranden sieren.
De naam ‘Draaihals’ dankt hij aan een uniek en bijna angstaanjagend verdedigingsmechanisme.
Bij direct onraad of wanneer hij zich in het nauw gedreven voelt, draait de vogel zijn hals in onwaarschijnlijke, slangachtige bochten terwijl hij een sissend geluid maakt.
Dit gedrag is bedoeld om predatoren te misleiden en af te schrikken door een slang te imiteren. Hoewel hij familie is van de spechten, vertoont hij ook in zijn houding afwijkend gedrag: alleen tijdens de broedperiode zit hij vaker verticaal tegen een boomstam gedrukt, zoals we dat van spechten gewend zijn. De rest van het jaar brengt hij het grootste deel van zijn tijd op de grond door. De ecologie van deze vogel is onlosmakelijk verbonden met een zeer specifiek dieet; Hij is een rasechte mierenexpert. Met zijn extreem lange, kleverige tong peutert hij mieren en hun poppen – met de zwarte wegmier als favoriet – uit gangen in de zandige bodem of uit vermolmd hout. Dit verklaart zijn sterke voorkeur voor de halfopen landschappen van de Kalmthoutse Heide en de Voorkempen. Hier zorgen schrale zandgronden en pioniersvegetatie ervoor dat mierennesten goed bereikbaar zijn. Frank Vermeiren vindt dit type habitat vaak terug in de overgebleven heiderelicten, zonnige bosranden en beekvalleien zoals die van de Kleine Nete. Vroeger was de Draaihals ook een vertrouwde bewoner van hoogstamboomgaarden en grote landelijke tuinen, maar door de intensivering van de landbouw, de verstedelijking en het grootschalige gebruik van insecticiden zijn deze leefgebieden grotendeels uitgeput of volledig verdwenen.

Er is voor de vogel simpelweg steeds minder ruimte om veilig te broeden, te schuilen of voldoende proteïnerijk voedsel te vinden.
Wat de Draaihals extra bijzonder maakt, is zijn status als enige Europese spechtensoort die een echte langeafstandstrekker is. Terwijl onze andere spechten, zoals de groene of de kleine bonte specht, standvogels zijn die het hele jaar in de regio blijven, overwinteren Draaihalzen in Afrika, ten zuiden van de Sahara.
Vanaf half april tot begin mei keren ze terug naar Vlaanderen.
Tot diep in mei zijn er in de Voorkempen en op de heide doortrekkers waar te nemen die op weg zijn naar hun broedgebieden in Scandinavië.
Omdat de trek hoofdzakelijk ’s nachts plaatsvindt, strijken ze overdag neer in rustige gebieden om energie bij te tanken.
De najaarstrek loopt van half augustus tot ver in oktober, een periode waarin Frank vaak op pad is om de subtiele kleuren van de herfstige heide vast te leggen.
Tijdens deze migratie is de vogel onmiskenbaar voor wie zijn roep herkent, maar door zijn teruggetrokken levenswijze blijft hij voor de gemiddelde wandelaar nagenoeg onzichtbaar.
De status van de Draaihals in Vlaanderen is momenteel kritiek.
Hij staat op de officiële Rode Lijst als ‘met uitsterven bedreigd’.
In de eigenlijke Voorkempen zijn er al decennia geen bevestigde broedgevallen meer genoteerd.
Toch tonen recente data van platformen zoals Waarnemingen.be aan dat de regio, en specifiek de as tussen de Antwerpse haven en de Kalmthoutse Heide, een vitale schakel blijft in de internationale trekroutes.
Jaarlijks worden er exemplaren gemeld bij rangeerstation Antwerpen-Noord en in natuurgebieden zoals het Viersels Gebroekt.
Als holenbroeder legt de Draaihals in mei of juni één tot twee legsels van 7 tot 12 eieren. Na een korte broedduur van 11 tot 14 dagen verblijven de jongen nog 20 tot 25 dagen op het nest voordat ze uitvliegen.
Het behoud en herstel van deze schrale landschappen door organisaties zoals GroenRand is essentieel voor het voortbestaan van de soort.

Projecten die inzetten op heidebeheer, het tegengaan van verbossing en het creëren van open bosranden verbeteren direct de overlevingskansen van de Draaihals.
Door de natuurlijke dynamiek van stuifzand en schrale graslanden te herstellen, wordt de mierenpopulatie gestimuleerd, wat de vogel de nodige brandstof geeft voor zijn loodzware tocht naar de Sahel. Dankzij de geduldige blik van Frank Vermeiren en de structurele inzet van GroenRand blijft de hoop levend dat deze bijzondere 'slangenspecht' in de toekomst niet enkel als zeldzame passant, maar weer als trotse bewoner van onze lokale natuur kan worden verwelkomd.

Je bord ontrafeld: De strijd tussen feiten, fabels en de toekomst van ons voedselsysteem

Je bord ontrafeld: De strijd om feiten, fabels en de toekomst van ons voedselsysteem

Je bord ontrafeld: De strijd om feiten, fabels en de toekomst van ons voedselsysteem. Wat ligt er nu écht op ons bord en wat denken we dat erop ligt?
Na drie jaar interdisciplinair onderzoek binnen de KU Leuven presenteren Tessa Avermaete, Wannes Keulemans en Barbara De Coninck hun bevindingen in het nieuwe boek 'Je bord ontrafeld'.


Het werk vloeit voort uit een jarenlange dialoog over gezond en duurzaam voedsel en heeft als doel feiten van fabels te scheiden en de emoties te duiden die onze blik op het voedseldebat vertroebelen.
Tijdens de boekvoorstelling gingen de auteurs en diverse experts in gesprek over de hardnekkigste discussies uit het huidige debat waarbij scherpe inzichten naar voren kwamen over de menselijke kant achter de statistieken zoals verhalen over honger en overvloed of marktmacht en onmacht.
Een centraal thema is de opvallende scheve verhouding in onze bezorgdheid over voedselveiligheid.

Bio-econome Tessa Avermaete sprak met de jonge komkommerteler Willem Derynck, ondervoorzitter van Groene Kring, die een opvallende paradox ziet. Consumenten vullen hun winkelkarren zonder nadenken met ultrabewerkte, kant-en-klare maaltijden, maar maken zich in de versafdeling ineens druk om minuscule sporen van gewasbeschermingsmiddelen op een appel of tomaat.
Wetenschapsjournalist Joost Van Kasteren deelt die frustratie en benadrukt dat we al jaren weten dat niet de stof maar de dosis toxisch is.

Soms voelt hij de neiging zijn schoen naar de tv te gooien bij de zoveelste ophef, omdat men vergeet dat risico gelijkstaat aan gevaar vermenigvuldigd met de blootstelling.
Professor Barbara De Coninck verduidelijkte dit door uit te leggen dat de Europese veiligheidsmarges voor gewasbescherming een factor honderd bevatten.
Ze maakte de vergelijking met de wegcode waarbij je op de snelweg zeventig meter afstand houdt om een botsing te vermijden.
Zouden we de veiligheidsmarge van de landbouw toepassen op het verkeer dan moeten we voortaan zes tot zeven kilometer afstand houden.
Het valt op hoe weinig ruimte er in het debat nog is voor innovatie en aanvaardbare risico's zodra het over landbouw gaat.

De cijfers rond landgebruik spreken boekdelen voor wie de natuur wil sparen.
Om honderd kilocalorieën rundvlees te produceren is ongeveer achttien keer meer land nodig dan voor dezelfde hoeveelheid kip terwijl dat bij groenten nog eens dubbel zo laag ligt.
Wie zijn landgebruik theoretisch tot het absolute minimum wil beperken zou volgens De Coninck het best enkel uien eten.
Chris Claes van Rikolto International waarschuwt dat veel theorieën rond de reductie van de veestapel enkel vertrekken vanuit de productie en de consumptiezijde negeren.
De vraag naar vlees blijft hoog en als we hier minder produceren zal de import gewoon toenemen.

Bewustmaking helpt maar leidt niet automatisch tot een gedragswijziging zoals blijkt bij fairtrade waar bijna iedereen het principe steunt maar slechts een minderheid het effectief koopt. Hidde Boersma vulde aan dat we moeten oppassen de vooruitstrevende boeren niet kwijt te spelen omdat in Nederland bij de stikstofuitkoopregeling vaak moderne bedrijven stoppen terwijl je juist die boeren nodig hebt voor de maatschappelijke uitdagingen.

Ook de meerwaarde van biologische landbouw wordt kritisch aangepakt waarbij Boersma stelt dat de Europese biodoelstellingen gebaseerd zijn op onderzoek van dertig jaar geleden dat geen rekening hield met de omgeving of de opbrengst.

Omdat bio ongeveer een derde meer land nodig heeft is het nadelig voor de biodiversiteit op grote schaal omdat wie natuur wil sparen zo weinig mogelijk grond in gebruik moet nemen.
Claes brengt het inzicht dat de economische opbrengst van productie wordt tenietgedaan als je alle ecologische en gezondheidskosten zou meerekenen en wijst op de rol van bio als kraamkamer voor innovaties die hun weg vinden naar de gangbare landbouw.
Verschillende systemen moeten naast elkaar kunnen bestaan omdat één systeem in monopolie nooit werkt.
Biodiversiteit herstellen lukt volgens het onderzoek niet door landbouw overal een beetje terug te schroeven omdat er hard moet worden omgeslagen ten koste van de oogst.

Dit vraagt een herdenking van het versnipperde natuurbeleid met natuurgebieden die soms maar een hectare groot zijn.
Het panel pleit voor een driecompartimentensysteem dat de open ruimte verdeelt in drie scherp afgebakende zones met intensieve landbouw op de meest geschikte gronden en robuuste natuurgebieden waar de natuur de volledige regie krijgt zonder menselijke verstoring en een overgangszone met extensieve landbouw.

Hoewel dit model helderheid schept botst de uitvoering in het versnipperde Vlaanderen op een koppige realiteit waarbij functies voortdurend in elkaar overvloeien.
Dit systeem zou een radicale ontvlechting van het landschap vragen via instrumenten zoals herverkaveling.
Dit proces lijkt momenteel een uitdaging door de trage procedures en de emotionele band van boeren met hun grond.
In de praktijk zouden landbouwers in intensieve zones zekerheid krijgen terwijl boeren in overgangszones gestimuleerd kunnen worden om bij te dragen aan ecosysteemdiensten zoals waterberging en natuurbeheer.
Projecten zoals Boerenland tonen aan dat de huidige trend eerder neigt naar verweving in plaats van deze strikte scheiding.

Vanuit de natuurvereniging GroenRand wordt dit model gecombineerd met de rewilding action philosophy die radicaal breekt met de traditionele natuurbescherming die gericht is op het defensief behouden van wat er nog over is.
Jarenlang hebben we geprobeerd de natuur te temmen en te beheren als een keurig onderhouden tuin maar GroenRand pleit voor een fundamentele verschuiving van statisch beheren naar dynamisch herstellen.
Dit is geen passieve vorm van beschermen maar een gedurfde actiefilosofie die de regie teruggeeft aan de natuur zelf waarbij we als mens enkel de juiste startcondities creëren en dan een bewuste stap terug doen.
In deze visie speelt niet de mens maar de otter de hoofdrol als architect van een levend en veerkrachtig landschap.
De otter is een sleutelsoort dat de balans in onze waterwegen bewaakt door populaties grazers en vissen in toom te houden. Hierdoor krijgen waterplanten de kans om weelderig te groeien wat essentieel is voor het zuiveren van het water en de grootschalige opslag van koolstof waardoor de otter direct bijdraagt aan de strijd tegen de opwarming van de aarde.
Hij is een biologische architect die onbewust een habitat creëert waarin talloze andere soorten van zeldzame vissen tot libellen en amfibieën weer kunnen floreren.
Voor GroenRand is de otter hét symbool van hun volledige werking en visie op de regio waarbij de Antitankgracht fungeert als de cruciale ecologische hoofdader die versnipperde Natura 2000-gebieden in de Voorkempen weer verbindt over een lengte van drieëndertig kilometer.

Door barrières zoals gevaarlijke wegen aan te pakken met faunapassages zoals ecoducten en eco-tunnels en vervuilde waterlopen te saneren schept GroenRand de startcondities voor de natuur om haar eigen weg terug te vinden.

De mens treedt hierbij op als facilitator die de hindernissen wegneemt zodat de otter als ambassadeur van de wildernis het gebied weer kan claimen.
Deze action philosophy biedt bovendien een enorme maatschappelijke en economische meerwaarde omdat elke euro geïnvesteerd in natuurherstel zichzelf terugbetaalt via ecosysteemdiensten zoals natuurlijke waterzuivering die dure installaties uitspaart en een betere opvang van hemelwater om droogte en overstromingen tegen te gaan.
Een wilder landschap verhoogt de volksgezondheid en stimuleert lokaal ecotoerisme waar horeca recreatie en verkoop van streekproducten direct van profiteren.

Vlaamse parken kunnen hierbij fungeren als de noodzakelijke brug tussen lokale besturen de Vlaamse overheid en de landbouwsector om via dialoog de noodzakelijke ontvlechting van het landschap te realiseren.
In de overgangszones stelt GroenRand concrete projecten voor zoals de aanplant van vlechtheggen en houtkanten die als ecologische corridors dienen en stikstof filteren.
De impact van deze driedeling is tweesnijdend omdat zonder een functionerende tussenruimte de winst voor de biodiversiteit beperkt blijft door isolatie en inteelt.
Het succes valt of staat met de kwaliteit van die zachte matrix die de eilanden moet verbinden tot een veerkrachtig netwerk waarlangs soorten zich veilig kunnen verplaatsen.
Ten slotte werd de mythe van lokaal eten besproken waarbij Boersma pleit voor wereldwijde handel omdat de efficiëntie van de productie meer bepaalt dan het transport en handel bovendien de vrede bevordert via de vredestheorie waarbij landen die economisch verweven zijn minder snel oorlog voeren.
Claes ziet lokale productie vooral als een sociaal instrument dat mensen opnieuw in contact brengt met voedselproductie.
Hidde Boersma merkte op dat dit genuanceerde verhaal de consument zelden bereikt omdat media vaak focussen op sensationele uitzonderingen in plaats van op het gewone verhaal. De visie uit Je bord ontrafeld dwingt ons tot een confrontatie met de grenzen van ons landschap waarbij intensivering kan helpen om robuuste natuurgehelen te creëren.
Voor GroenRand vereist de weg naar een duurzaam voedselsysteem daarom een overheid die durft te investeren in de fysieke verbinding van natuurgebieden en bouwt aan een toekomst waarin de mens de regie deels uit handen geeft en de otter weer aan het werk laat gaan in een landschap dat weer echt mag leven.