Ingrid Boumans in De Inslag: Waar militair erfgoed en prille lente elkaar ontmoeten
Wanneer Ingrid Boumans de eerste stappen zet op de statige dreven van De Inslag valt de stilte als een warme deken over haar heen.
Deze kaarsrechte lanen met hun hoogopgaande bomenrijen getuigen nog van het rijke verleden van het domein als onderdeel van het kasteelpark.
De takken van de zomereiken zijn nog kaal en steken scherp af tegen de grijze februari-lucht maar in de luwte van de dreef ziet Ingrid de eerste subtiele tekenen van het vroege voorjaar.
Ze stelt haar camera scherp op een glinsterende dauwdruppel die aan een brugleuning hangt.
Niet veel verder trekt een zacht geritsel haar aandacht bij een oude en knoestige eik langs de dreef.
Door haar zoomlens ziet ze een koolmees die behoedzaam een boomholte verkent.
Het vogeltje wipt nerveus naar binnen en buiten terwijl het de diepte van de holte inspecteert als een potentiële nestplaats voor de vroege broedperiode.
In de ondergroei tussen de dode bladeren ontdekt Ingrid de eerste witte spikkels van sneeuwklokjes die dapper de kou trotseren en de prille knoppen van het speenkruid die ongeduldig wachten op de eerste echte warmte.
Hier in dit 149 hectare grote staatsdomein beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos lijkt de tijd op een bijzondere manier gestold terwijl het ecosysteem tegelijkertijd koortsachtig werkt aan zijn eigen herstel.
Ingrid wandelt in de richting van de Antitankgracht en door haar zoeker ziet ze het strakke en dertig meter brede wateroppervlak dat als een kaarsrecht lint door het landschap snijdt.
Op het kalme water dwarrelt een vrouwtjeseend traag met de lichte stroming mee.
Het dier lijkt bijna te mijmeren terwijl het geniet van de eerste milde zonnestralen die over de kabbelende rimpelingen dansen als een voorteken dat de lente eindelijk op komst is.
Dit traject werd tussen 1937 en 1939 met de hand uitgegraven als een wanhopige verdedigingslinie tegen de naderende tankdivisies van nazi-Duitsland.
De gracht was echter nooit een statisch waterpunt want het was een technisch vernuftig systeem van compartimentering.
Omdat het terrein in de Voorkempen een natuurlijk verval van dertien meter kent werd de gracht opgedeeld in secties door middel van vijftien sluisbunkers die Ingrid nu als grijze wachters in het groen ziet opduiken.
Ze houdt halt bij een van deze bunkers die een architecturaal hoogstandje van gewapend beton uit het interbellum vormt.
Ingrid fotografeert de smalle schietgleuven en de pokdalige wanden van soms wel twee meter dik die gebouwd zijn om zware artillerie te weerstaan.
Het is een paradoxaal beeld omdat deze constructies ooit ontworpen zijn voor oorlog en inundatie maar nu de ultieme rustplaats bieden voor honderden vleermuizen.
Terwijl ze een detailopname maakt van de overwoekerde betonstructuur denkt ze aan de jaarlijkse tellingen die bevestigen dat de watervleermuis en de zeldzame grootoorvleermuis hier hun veilige haven hebben gevonden.
De constante temperatuur en luchtvochtigheid binnen deze massieve muren zijn cruciaal voor hun overleving tijdens de laatste koude nachten van februari.
Sinds de erkenning als beschermd landschap in 1994 is de gracht getransformeerd van een dodelijke barrière naar een vitale migratieroute voor fauna zoals de boommarter en het reewild die dit ononderbroken groen-blauw lint gebruiken om zich tussen de versnipperde boskernen van de regio te verplaatsen.
Tijdens een wandeling langs de geschiedenisrijke Antitankgrachtstuit Ingrid op een bijzonder schouwspel.
Op de oever ontdekt ze een aalscholver, een forse, donkere watervogel die roerloos met gespreide vleugels in de zon staat om zijn verenkleed te drogen.
Dit gedrag is kenmerkend voor de soort, omdat hun veren niet volledig waterafstotend zijn, wat hen helpt om dieper te duiken naar prooien zoals baars en snoek, die rijkelijk in deze wateren voorkomen.
Hoewel de aalscholver een rustige indruk maakt, is de vogel uiterst waakzaam en gevoelig voor verstoring.
Zodra Ingrid een fractie te dichtbij komt, staakt de vogel zijn pose en kiest hij met krachtige, resolute vleugelslagen het luchtruim, waarbij hij met gestrekte hals laag over het wateroppervlak wegvliegt richting een veiligere plek. Wanneer de winter eindelijk bakzeil haalt en de dagen weer wat langer worden, zie je ze overal opduiken: die eigenwijze katjes.
Het zijn de allereerste tekenen van leven aan de nog kale takken en met hun pluizige looks kondigen ze de lente op de mooiste manier aan. Die zachte haartjes zijn er trouwens niet alleen voor de sier. Ze werken als een soort natuurlijke winterjas die de kwetsbare bloempjes binnenin beschermt tegen de venijnige nachtvorst die normaal gesproken nog op de loer ligt.
Maar nu men voor vandaag zelfs 18 graden voorspelt en de zon volop zal schijnen, gaan deze lentebodes pas echt helemaal los. Door die plotselinge warmte veranderen de wilgenkatjes razendsnel in felgele stuifmeelbommetjes waar de bijen massaal op af gaan.
De lange slierten van de hazelaar gaan door de zachte bries vrolijk bungelen om hun pollen te verspreiden, terwijl de berkenkatjes door deze temperatuurexplosie in recordtempo gaan zwellen en openspringen.
Het is een bizar maar prachtig gezicht om te zien hoe al die verschillende soorten door deze vroege warmte de natuur direct kleur gaan geven.
Langs de steile oevers ziet Ingrid plots een blauwe flits van een ijsvogel die vanaf een kale overhangende tak de gracht afspeurt.
Ze weet dat de waterkwaliteit hier nauwgezet wordt gemonitord door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM).
Hoewel de gracht historisch kampte met verontreinigd slib hebben recente saneringen het leefgebied van negen verschillende vissoorten hersteld.
Onder de waterspiegel schuilt de Europees beschermde kleine modderkruiper die rust in de slibrijke bodem terwijl de eerste groene scheuten van de gele plomp zich diep onder water voorbereiden op hun opgang.
Ingrid verlaat de waterkant en trekt dieper het bos van De Inslag in waar de ondergrond onder de schaduw van de dreven merkbaar verandert.
Haar schoenen zakken weg in de zachte strooisellaag van een humus-ijzerpodzol.
Deze zure en arme zandgrond is de motor achter het internationaal erkende wetenschappelijk onderzoek dat hier plaatsvindt.
Tussen de stammen door ziet ze de imposante en veertig meter hoge stalen meettoren van het ICOS-netwerk boven de boomtoppen uitsteken. Het is een surrealistisch en hoogtechnologisch contrast met de natuurlijke omgeving. Dronebeeld Dimitri Evgeni,
Deze toren fungeert als het zenuwstelsel van het bos en registreert met de Eddy Covariance techniek de koolstofdioxideflux met een netto opname van -400 tot -500 gram koolstof per vierkante meter per jaar.
Terwijl Ingrid haar lens richt op een zwarte specht die driftig tegen een dode stam hamert realiseert ze zich hoe succesvol de omvorming van het bos is.
Waar voorheen monotone dennenplantages stonden ziet ze nu een veerkrachtig mengsel van zomereik en beuk.
In de lage begroeiing ziet ze de donkergroene kussens van kussentjesmos en de grijze korstmossen die op de schors van de bomen groeien als stille getuigen van de zuivere lucht. Het beheerplan werpt zijn vruchten af want met meer dan 120 geregistreerde vogelsoorten waaronder de wespendief en de boomvalk is dit domein een levend laboratorium.
Aan het einde van haar tocht kijkt Ingrid nog één keer om naar de gracht waar het waterpeil hoog staat.
De gracht fungeert tegenwoordig als een strategische spons die de grondwaterspiegel in het kwetsbare bos op peil houdt en verdroging tegengaat.
Terwijl ze haar camera opbergt beseft ze dat de Antitankgracht haar oorspronkelijke doel ver voorbij is gestreefd.
Vandaag is het een bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering waar militair erfgoed en pure natuurkracht samensmelten tot één krachtig ecosysteem.


