vrijdag 20 februari 2026

De onzichtbare dreiging in ons drinkwater: waarom GroenRand zich grote zorgen maakt over triazolen en TFA

De onzichtbare dreiging in ons drinkwater: waarom GroenRand zich grote zorgen maakt over triazolen en TFA

Het drinken van een glas water uit de kraan is voor de meeste Vlamingen een handeling zonder nadenken.
Toch is die vanzelfsprekendheid het afgelopen jaar fundamenteel gaan wankelen.
Wat begon als een lokale melding in de Westhoek, is uitgegroeid tot een nationaal dossier over volksgezondheid, milieubeleid en de invloed van lobbygroepen. De ontdekking van triazolen en trifluorazijnzuur (TFA) in ons water legt een pijnlijk conflict bloot tussen de industriële en agrarische belangen enerzijds en het recht op zuiver water anderzijds.
Terwijl de politiek worstelt met normen en plannen, groeit de onrust bij organisaties als GroenRand en bij honderdduizenden burgers die zich afvragen wat de langetermijngevolgen zijn van de chemische cocktail in hun glas.
De kern van het probleem ligt bij de aard van de stoffen die momenteel in onze waterlopen worden aangetroffen. 1,2,4-triazolen zijn geen producten die rechtstreeks in een fabriek worden gemaakt om te lozen. Het zijn de afbraakproducten, ook wel metabolieten genoemd, van schimmelwerende pesticiden uit de landbouw.
TFA is op zijn beurt het afbraakproduct van een groep PFAS-pesticiden.
Hoewel de landbouwsector vaak als hoofdschuldige wordt aangewezen, is de realiteit complexer.
Ook de industrie en onze eigen huishoudens zorgen voor een constante aanvoer van triazolen en TFA in het wateroppervlak.


Kristine De Schamphelaere van PAN Europe, een organisatie die op Europees niveau strijdt voor een betere bescherming van milieu en gezondheid tegen pesticiden, benadrukt dat het hier om ronduit toxische stoffen gaat.
De wetenschappelijke feiten zijn verontrustend.
Dierenproeven tonen aan dat triazool en TFA schadelijk kunnen zijn voor de voortplanting.
Bij bepaalde concentraties TFA werden verminderde vruchtbaarheid en afwijkingen bij het nageslacht vastgesteld.
Wetenschappers maken zich grote zorgen over de totale, chronische blootstelling aan deze verschillende stoffen tegelijkertijd, wat een verhoogd gezondheidsrisico met zich meebrengt. In de provincie West-Vlaanderen is de situatie het meest precair.
Van al het drinkwater in Vlaanderen is het water van drinkwaterproductiecentrum De Blankaart in Diksmuide het zwaarst vervuild met triazolen.


De metingen daar liggen vaak een flink stuk boven de Europese voorzorgsnorm van 0,1 microgram per liter.
Ook de TFA-waarden in het water zijn er extreem hoog. Het grote probleem is technisch van aard.
Deze stoffen zijn bijna niet uit het drinkwater te halen, zelfs niet met de meest geavanceerde en dure filtertechnieken.
Omdat De Blankaart drinkwater voorziet voor maar liefst 363.000 mensen in de regio Diksmuide en Ieper, zat de Vlaamse overheid met de rug tegen de muur.
Om de regio van water te kunnen blijven voorzien, nam omgevingsminister Jo Brouns een jaar geleden een uiterst omstreden besluit.
Hij verhoogde de norm voor triazolen voor de vier productiecentra van De Watergroep in West-Vlaanderen naar 1 microgram per liter. Dit is een vertienvoudiging van de Europese norm.
Deze tijdelijke afwijking werd goedgekeurd voor een periode van twee jaar en geldt nog tot het einde van dit jaar. In de tussentijd had minister Brouns met een officieel drinkwaterplan moeten komen om de schadelijke stoffen in het drinkwater structureel te beperken.
Dat plan had eind vorig jaar al op de tafel van de Vlaamse regering moeten liggen, maar het werd keer op keer uitgesteld en zal vermoedelijk pas na de paasvakantie landen.

De kritiek op dit uitstel is niet mals

Verschillende middenveldorganisaties en overheidsinstanties die het ontwerpplan off the record konden inkijken, spreken van een flauw plan.
De kern van de kritiek luidt dat minister Brouns te veel zijn eigen achterban en lobbygroep, de landbouw en de Boerenbond, wil verdedigen in plaats van de volksgezondheid te beschermen.
Een van de meest controversiële punten in het ontwerpplan is dat de minister de tijdelijke verhoging van de Europese norm met factor tien simpelweg wil verlengen.
Omgevingsadvocaat Isabelle Larmuseau noemt deze gang van zaken een regelrechte schande.
                                   Foto: Wouter Van Vooren

Volgens haar is er geen enkele rechtsgrond voor zo’n afwijking en is dit beleid flagrant onwettig.
Het resultaat is dat honderdduizenden West-Vlamingen blootgesteld blijven aan tien keer meer pesticiden in hun drinkwater dan de rest van Vlaanderen.
Larmuseau stelt onomwonden dat dit spelen is met de gezondheid van de West-Vlamingen.
Minister Brouns zelf blijft echter benadrukken dat zelfs de verhoogde norm de volksgezondheid niet bedreigt.
Ook De Watergroep, die de productiecentra in Diksmuide en Ieper uitbaat, beweert dat het kraantjeswater honderd procent veilig is. Desondanks groeit de angst bij de bevolking in de Westhoek en durft lang niet iedereen nog water uit de kraan te drinken.
Deze bezorgdheid beperkt zich niet tot de provincie West-Vlaanderen alleen.
Ook in de provincie Antwerpen zijn er cijfers bekend die wijzen op de aanwezigheid van deze toxische stoffen in het water.
De milieuorganisatie GroenRand maakt zich hierover grote zorgen en trekt aan de alarmbel.
Zij zien dat de opgetelde effecten van industriële lozingen en landbouwpesticiden ook in de Antwerpse regio de waterkwaliteit onder druk zetten.
Kristine De Schamphelaere van PAN Europe bevestigt deze bezorgdheid.
Hoewel een korte blootstelling aan een beperkte dosis weinig risico geeft, is een constante blootstelling aan kleine doses van meerdere stoffen tegelijk een heel ander verhaal.
We worden immers niet alleen via water blootgesteld, maar ook via voedsel en andere wegen.
Het gebrek aan transparantie over de cijfers in Antwerpen versterkt het wantrouwen bij organisaties als GroenRand.
Zij eisen dat de overheid niet langer dweilt met de kraan open door normen te verhogen, maar kiest voor een harde aanpak aan de bron.
De enige echte oplossing voor dit probleem is immers een verbod op bepaalde pesticiden.
Dit is een standpunt dat gedeeld wordt door zowel PAN Europe als De Watergroep zelf.
Het principe is simpel.
Wat niet in het drinkwater geraakt, hoeft er nadien ook niet uitgefilterd te worden.
Gezien de enorme technische moeilijkheid en de hoge kosten om triazolen en TFA te filteren, is een verbod de enige logische stap.
Echter, in het huidige ontwerpplan van de minister wordt met geen woord gerept over een dergelijk verbod.
Dit staat in schril contrast met het beleid in onze buurlanden. Nederland, Denemarken, Noorwegen en Zweden verbieden PFAS-pesticiden immers wel al.
Ook Wallonië heeft reeds strengere regels ingevoerd die pesticiden weren uit grondwaterwinningsgebieden.
Minister Jo Brouns wenst vooralsnog niet inhoudelijk te reageren op de kritiek op het drinkwaterplan om niet vooruit te lopen op de inhoud. In een korte schriftelijke reactie laat hij wel weten dat het zijn bedoeling is om tot een sterk en gedragen plan te komen dat zowel de bevoorradingszekerheid als de kwaliteit van ons drinkwater garandeert.
Voor veel burgers en milieuorganisaties zoals GroenRand klinkt dit echter als een holle belofte zolang de normen verhoogd blijven en de landbouwlobby gespaard wordt.
De situatie in Vlaanderen bevindt zich op een kritiek punt.
Kiest de overheid voor de kortetermijnbelangen van de agro-industrie, of voor het fundamentele recht op zuiver en veilig drinkwater voor al haar inwoners?
De komende maanden zullen uitwijzen of het drinkwaterplan een effectief wapen wordt tegen vervuiling, of een document dat de status quo van normverhogingen en vervuiling legitimeert.
Voor de inwoners van Antwerpen en West-Vlaanderen is de boodschap van organisaties zoals GroenRand duidelijk.
Gezondheid mag nooit het sluitstuk van politieke compromissen zijn.
Het plan moet een halt toeroepen aan de chronische blootstelling aan deze zorgwekkende stoffen, voordat de gevolgen voor de volksgezondheid onomkeerbaar blijken.
Alleen door pesticiden aan de bron aan te pakken, kan het vertrouwen in het kraantjeswater weer worden hersteld.

De onzichtbare reuzen: hoe GroenRand en de herder de sleutel vormen tot mondiaal en lokaal klimaatbeheer

De onzichtbare reuzen: hoe GroenRand en de herder de sleutel vormen tot mondiaal en lokaal klimaatbeheer

Wanneer we dromen over het redden van de planeet, dwalen onze gedachten bijna automatisch af naar de dampende regenwouden van de Amazone.
We zien die diepgroene wouden als de enige echte longen van de aarde.
Die beelden domineren ons groene geweten, maar ondertussen wandelen we letterlijk over een onzichtbare reus heen die minstens zo hard voor ons werkt.
We hebben het over de graslanden. Van de goudgele savannes in Afrika en de eindeloze steppen van Centraal-Azië tot de prairies en onze eigen lokale heidegebieden.
Graslanden beslaan meer dan 54% van het landoppervlak op aarde. Ze vormen een vitale natuurlijke verdedigingslinie die meer dan 30% van alle koolstof op land opslaat.
Daarmee zijn ze een van de machtigste wapens die we hebben tegen de opwarming van de aarde en het massale verlies aan biodiversiteit.
De echte rijkdom van zo’n grasland zie je niet meteen, want die zit diep verscholen onder de zoden.
Waar een bos pronkt met dikke stammen en weelderige bladeren, zit de kracht van graslanden in de grond. Ze leggen hun koolstofvoorraad vast in complexe wortelstelsels die metersdiep de aarde in gaan.
Dat heeft een enorm voordeel in een wereld die steeds vaker geteisterd wordt door branden.
Als een bos in vlammen opgaat, ontsnapt de opgeslagen koolstof direct als CO2 naar de atmosfeer.
Maar als een grasland brandt, blijft de schat veilig ondergronds bewaard in de wortels en de aarde.
Die wortels werken bovendien als een gigantische spons die water vasthoudt bij hoosbuien en de bodem beschermt tegen erosie.
De bodem van een gezond grasland kan zelfs schadelijke gassen zoals methaan en lachgas opzuigen.
Dat maakt deze gebieden tot een van de meest stabiele en betrouwbare natuurlijke bondgenoten die we hebben.
Toch is zo’n ecosysteem geen museum waar je een hek omheen kunt zetten.
Graslanden hebben namelijk een architect nodig om gezond te blijven.
Die rol wordt al duizenden jaren vervuld door herders. Wereldwijd zijn er tussen de 200 en 500 miljoen rondtrekkende veehouders die met hun kuddes de seizoenen volgen.
In gebieden waar de grond te arm is voor een akker, zijn zij de enigen die van schrale natuur hoogwaardig voedsel kunnen maken zonder de bronnen uit te putten.
Hun manier van werken, ook wel transhumance genoemd, is een verfijnd systeem van landbeheer.
De hoeven van het vee stampen de harde bodemkorst open zodat regenwater beter infiltreert, terwijl hun mest een gratis vitaminenkuur is voor de aarde.
Als deze herders de ruimte krijgen om te trekken, herstelt de natuur zich in een razend tempo.
Het is een prachtig voorbeeld van hoe mens en dier de planeet juist kunnen helpen in plaats van uitputten.
Helaas is deze onzichtbare reus in gevaar. Bijna de helft van alle weidelanden ter wereld is aangetast door niet-duurzame landbouw, industriële expansie en klimaatverandering.

Gemeenschappen van herders worden steeds vaker van hun land verdreven door grote bedrijven of overheden die willen dat ze zich permanent vestigen.
Dat breekt de eeuwenoude routes af en put de bodem uit.
Om dit tij te keren, hebben de Verenigde Naties 2026 uitgeroepen tot het Internationale Jaar van Weidelanden en Pastoralisten (IYRP). Het is een cruciaal moment om de rechten van deze herders eindelijk te erkennen en te investeren in oplossingen die door de gemeenschap zelf worden geleid.
Een centrale pijler in deze beweging is de One Health-benadering van VSF International. Dit concept erkent dat de gezondheid van mensen, dieren en het milieu onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Investeren in One Health-diensten zorgt voor veerkrachtige kuddes en gezonde ecosystemen, wat essentieel is voor zowel de herders als de mondiale stabiliteit.
Dit mondiale verhaal vindt een directe en tastbare weerklank in onze eigen regio, de Voorkempen en de grensstreek met Nederland.


In de erfgoedcampagne Verhalen van Heide & Verre staat schaapsherder Frank de Roover centraal als een absolute sleutelfiguur die de basis legde voor het moderne natuurbeheer in het Grenspark Kalmthoutse Heide.
Als pionier-herder volgde hij in de vroege jaren '70 een specifieke opleiding op de Veluwe om het ambacht onder de knie te krijgen, waarna hij van 1972 tot 1977 als allereerste de kudde hoedde om de vergrassing van het gebied tegen te gaan.
Zijn verhaal draait niet alleen om het werk, maar vooral om zijn diepe band met de serene stilte en de spirituele eenzaamheid van de heide.

In de bijbehorende campagnevideo, gerealiseerd door Jasper Dufraing, zie je een ontroerende ontmoeting tussen Frank en de huidige generatie herders van De Hoeder, waarbij het stokje symbolisch wordt overgedragen.
Na zijn jaren op de heide bouwde Frank een diverse carrière op.
Hij werkte decennialang in de jeugdzorg, waar hij jarenlang collega is geweest van Dirk Weyler, de drijvende kracht achter GroenRand. Beiden brachten hun ervaring in het begeleiden van kwetsbare mensen samen in een sector die, net als de natuur, draait om zorg, geduld en een scherpe observatie van groepsdynamiek.
Frank ontwikkelde zich daarnaast tot een gewaardeerd auteur en expert in textielerfgoed.
Zijn unieke getuigenis, die de brug slaat tussen historisch beheer en de huidige biodiversiteit, is uitgebreid te beluisteren in de eerste aflevering van de podcastreeks op Spotify.
Vandaag zetten Bert Plasmans en Yuna Himschoot van De Hoeder in Stabroek dat levenswerk voort.

Zij gebruiken robuuste kuddes zoals het Kempens schaap en het Vlaams Kuddeschaap om de Kalmthoutse Heide en de omliggende Schietvelden te herstellen.
Deze rassen zijn door de eeuwen heen aangepast aan onze arme zandgronden. Het Kempens schaap is een sobere overlever die bloeit op een dieet van taaie grassen waar andere rassen zouden wegkwijnen.
Ze fungeren als natuurlijke chirurgen die precies die jonge boompjes en dominante grassen wegknabbelen die de unieke struikhei anders zouden verstikken.
Hun wol werkt als een taxi voor zaden van zeldzame planten en hun hoeven creëren warme plekjes waar adders en heidevlinders dankbaar gebruik van maken.
Deze ecologische aanpak wordt volop gesteund door GroenRand, omdat deze kuddes de onmisbare schakel zijn in het verbinden van onze versnipperde natuur via groene corridors en het beoogde Landschapspark De Voorkempen.
Het leven op de heide levert prachtige momenten op.
Denk aan een vroege ochtend waarbij de mist nog over de vennen hangt en een eigenwijze ram besluit dat het gras aan de overkant van een beekje sappiger is.
Met één sprong is hij weg, gevolgd door een dozijn twijfelende ooien.
Dan schittert de herder met een scherp fluitsignaal en zijn Bordercollie die in een sluiphouding de groep feilloos terugdrijft. Of die wandelaar die bezorgd vraagt of een schaap niet vastzit in een braamstruik.
De herder legt dan lachend uit dat het dier juist heel gericht de lekkerste blaadjes tussen de doorns uitkiest. Dat is precisiewerk waar geen machine tegenop kan.
Naast het werk op het terrein deelt De Hoeder de passie voor hun vak ook digitaal via sfeervolle beelden op hun website.
Deze lokale betrokkenheid versterkt het maatschappelijk draagvlak voor natuurbeheer in de gehele regio.
De strijd van lokale actoren zoals De Hoeder en GroenRand past perfect bij de internationale roep van VSF International en het VN-jaar 2026.
VSF International roept iedereen op: onderteken het manifest.
Voeg je stem toe aan de eis voor bescherming van graslanden, rechten op de mobiliteit van herders, door de gemeenschap geleide restauratie en One Health-diensten voor veerkrachtige kuddes.
Of het nu gaat om de savanne of de Kempense heide, de herder blijft de bewaker van ons klimaat.
De herder is geen figuur uit een stoffig geschiedenisboek, maar een broodnodige gids naar onze gezamenlijke toekomst.
Samen zorgen we dat de onzichtbare reuzen van onze aarde de bescherming krijgen die ze verdienen. S
ign the Manifesto: https://campaign.vsf-international.org/pastoralism/
Verhalen van Heide & Verre: Frank de Roover


donderdag 19 februari 2026

GroenRand in het Klein Schietveld: De weg naar een robuuste Voorkempen en de kracht van verbinding

Groenrand roept op tot respect: bescherm de blauwe reiger tegen onzichtbaar leed

 Groenrand roept op tot respect: bescherm de blauwe reiger tegen onzichtbaar leed

Stel je voor dat je de onbetwiste koning van de slootkant bent.
Met de finesse van een ninja en het geduld van een standbeeld sta je urenlang stokstijf te turen naar een rimpeling in het water. Eén flits en één haarscherpe snavelstoot later is de buit binnen.


Dat is het dagelijks werk van onze blauwe reiger (Ardea cinerea), de grijze ridder van de Vlaamse beken en vennen.
Maar de laatste tijd wankelt deze koning op zijn troon.
De medewerkers van vogelopvangcentra zien namelijk steeds vaker reigers binnenkomen die hun eigenlijke vijand, de mens, niet zagen aankomen.
Groenrand trekt daarom aan de bel met een warme maar ook een tikkeltje brutale oproep.
Laten we deze statige vogel niet langer de dupe laten worden van rondslingerende vislijnen en verboden vallen, zeker niet hier in onze eigen prachtige Voorkempen.

Het leven van een reiger is geen luilekkerland, ook al lijkt hij soms urenlang te mediteren.
Het is topsport.
Deze vogel is een echte opportunist.
Hij lust een vers visje zoals voorn of baars, maar een kikker, een mollenbiefstuk of een flinke woelrat gaat er ook wel in.
Zelfs grote insecten en jonge watervogels staan op het menu als de kans zich voordoet.
Zijn geheim zit in die ellenlange en fragiele stelten.


Daarmee waadt hij geruisloos door het ondiepe water van onze grachten en vennen.
Maar diezelfde poten zijn ook zijn zwakke plek.
Een reiger die een poot breekt, is als een wielrenner zonder pedalen.
Hij komt nergens meer.
Een verbrijzelde poot door een illegale klem betekent in de natuur dan ook een onverbiddelijk 'game over'.
In centra zoals het Natuurhulpcentrum moeten ze deze prachtige dieren vaak laten inslapen omdat een reiger op één poot simpelweg niet kan overleven.
Hij heeft zijn beide stelten nodig om stabiel te jagen, zijn evenwicht te bewaren in de modder en krachtig af te zetten bij de landing.
Van amputatie is bij een wild dier geen sprake, want een blauwe reiger heeft beide poten nodig om vanop een oever te kunnen jagen op amfibieën en vissen.
Helaas worden we ook in de Voorkempen nog geconfronteerd met middeleeuwse praktijken.
Het gebruik van klemmen is uitdrukkelijk verboden, alhoewel uitzonderingen door de wet worden toegestaan wanneer het om het bestrijden van schadelijke soorten gaat zoals ratten.
Maar een klem ziet niet of het een rat vangt of een onschuldig en wettelijk beschermd dier zoals deze blauwe reiger.
Sommige vijverbezitters plaatsen ze clandestien om hun kostbare goudvissen te beschermen, maar de verminking die ze veroorzaken is onbeschrijflijk.
Het zal je bijvoorbeeld maar eens gebeuren dat je aan het wandelen bent met je hond en opeens zit je viervoeter gevangen in zo’n klem.
Terwijl het ook anders kan.
Met een beetje creativiteit, reflecterende linten, speciale roosters of een legaal schrikdraadje houd je de reiger op afstand zonder dat er bloed aan de snavel kleeft. De Vlaamse Overheid geeft hierin het goede voorbeeld door alternatieven aan te bieden waarbij de dieren niet onnodig verminkt worden.
De tijd dat we natuur gingen bestrijden met dergelijke marteltuigen is immers al lang voorbij.
En dan is er de "onzichtbare moordenaar" in de vorm van achtergelaten visdraad. Hoe gruwelijk dit kan aflopen, werd pijnlijk duidelijk door een bericht van Natuurpunt Mechels Rivierengebied over een incident aan de Leuvense vaart. Nils Iwens was met de fiets op weg toen hij in het water iets zag drijven. Hij is de houten palen opgeklommen om bij de reiger te komen, vertelt Nils, voorzitter van de Mechelse kern van Natuurpunt. Zijn ontzetting was groot toen hij zag waaraan de blauwe reiger gestorven was. De reiger lag in een onmogelijke en tragische knoop waarbij zijn poot door de visdraad hopeloos vastzat aan zijn eigen snavel. Hij moet een vis met visdraad hebben opgegeten en vervolgens hebben geprobeerd om met zijn poot de draad weg te krijgen, legt Iwens uit. In die wanhopige worsteling raakte hij zichzelf fataal verstrikt en verdronk hij. Nils Iwens wil het skelet van de reiger mét de visdraad nu zoveel mogelijk tonen. Mogelijk krijgt de vogel een plaats in een bezoekerscentrum van Natuurpunt om vissers en wandelaars wakker te schudden. Hij hoopt dat vissers door dit beeld wat bedachtzamer gaan omspringen met hun materiaal.

Zeker in de winter is de nood hoog. Wanneer de vennen in de Voorkempen dichtvriezen, verliest de reiger zijn toegang tot vis en amfibieën.
De zogenaamde wintersterfte is een harde realiteit.
In jaren met langdurige vorst kan tot wel dertig procent van de populatie sterven door honger en uitputting.


Juist dan trekken ze naar de bebouwde kom en onze tuinvijvers omdat ze elders geen open water meer vinden.
Heb dan een beetje respect voor hun overlevingsdrang.
Ze zijn er bovendien vroeg bij.
Al in februari begint de datingperiode in de hoge bomen, waar ze hun grote takkennesten bouwen in kolonies die ook wel reigerries worden genoemd.
Een ouder die in een klem stapt of verstrikt raakt, laat een nest hongerige jongen achter die geen schijn van kans maken.

De blauwe reiger is de ultieme indicator van een gezonde natuur.
Gaat het goed met de reiger, dan gaat het goed met ons water.
Daarom doet Groenrand een warme oproep aan alle vissers en natuurbezoekers.
Wees een sportman en laat geen rommel achter.
Neem elke centimeter draad mee naar huis.
Meld illegale vallen bij de natuurinspectie en geef de natuur de ruimte.
Laten we samen zorgen voor een regio waar we van de waterkant kunnen genieten zonder marteltuigen of verstikkende draden.
Laten we de reiger zijn podium geven zonder dat hij erdoorheen zakt.

Boeren als bouwmeesters van de natuur: recordgroei voor biodiversiteit op het Vlaamse platteland

Boeren als bouwmeesters van de natuur: recordgroei voor biodiversiteit op het Vlaamse platteland

Het Vlaamse landschap ondergaat een stille maar fundamentele transformatie. Waar landbouw en natuurbeheer in het verleden vaak als tegenpolen werden beschouwd, laten de meest recente cijfers van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) een heel ander beeld zien.
In 2026 hebben maar liefst 2.822 landbouwers besloten om hun bedrijfsvoering actief te verweven met natuurzorg.
Dit recordaantal vertaalt zich in een indrukwekkende oppervlakte van 7.114 hectare aan biodiversiteitsmaatregelen, wat een stijging betekent van maar liefst 20 procent in areaal op slechts één jaar tijd.
De bereidheid van de Vlaamse boer om de rol van landschapsbeheerder op zich te nemen, is hiermee groter dan ooit tevoren.

De populariteit van deze zogenaamde beheerovereenkomsten is niet louter een kwestie van idealisme.
Er ligt een nuchtere, economische logica aan ten grondslag.
De landbouwsector staat onder enorme druk door fluctuerende marktprijzen en strenge klimaatdoelen.
In dit onzekere klimaat bieden de contracten van de VLM een baken van stabiliteit.
Met een gemiddelde vergoeding van ongeveer 2.000 euro per hectare — een bedrag dat kan variëren afhankelijk van de complexiteit van het beheer — bieden deze overeenkomsten een gegarandeerde inkomst gedurende een looptijd van vijf jaar.
Zeker nu de prijzen van traditionele landbouwproducten onder druk staan, vormen deze vergoedingen voor veel landbouwers een cruciale aanvulling op het gezinsinkomen.
Het transformeren van een minder productieve strook grond of een perceelsrand in een natuurrijke zone levert zo niet alleen ecologische winst op, maar ook een harde financiële meerwaarde.

De groei in 2026 manifesteert zich over de volledige breedte van de natuurmaatregelen.
Volgens de gedetailleerde cijfers van de VLM kende elk type beheerovereenkomst een duidelijke toename.
De overeenkomsten voor soortenbescherming, waarbij boeren hun land inrichten voor kwetsbare dieren zoals de akkervogel, de hamster of de grauwe gors, groeiden met 14 procent tot 2.915 hectare.
Maatregelen voor 'bufferen en verbinden' namen toe met 20 procent tot een totaal van 2.467 hectare.
Deze zones zijn essentieel om waterlopen te beschermen tegen de afspoeling van meststoffen en fungeren tegelijkertijd als natuurlijke corridor voor wilde dieren.
De grootste stijger was echter het botanisch beheer, dat met 29 procent toenam tot 1.715 hectare.
Hierbij ligt de focus op het herstel van kruidenrijke graslanden, die onmisbaar zijn voor de instandhouding van onze bestuivers zoals wilde bijen en vlinders.

Niet alleen de oppervlakte groeide, ook de zogenaamde kleine landschapselementen (KLE) maken een indrukwekkende comeback op de Vlaamse akkers.
Het aantal knotbomen onder beheerovereenkomst steeg in één jaar tijd van 14.000 naar bijna 20.000 exemplaren.
Bovendien beheert de Vlaamse landbouwer inmiddels 433 kilometer aan hagen en 95 kilometer aan heggen.
Deze elementen geven het landschap niet alleen zijn historische karakter terug, maar bieden ook een nestplaats aan talloze vogels en insecten.
De VLM spreekt dan ook van een kantelpunt en stelt dat de positieve evolutie zichtbaar is in alle Vlaamse provincies, waarbij vooral Limburg en Oost-Vlaanderen uitblinken door een zeer uitgesproken stijging in zowel het aantal deelnemende landbouwers als het beheerde areaal.
Ondanks deze euforische cijfers blijft er echter werk aan de winkel, met name in de provincie Antwerpen.
De vereniging GroenRand, een invloedrijke stem in het natuurdebat, stelt dat deze regio haar volledige potentieel nog lang niet benut.
Om de lokale biodiversiteit een noodzakelijke boost te geven, lanceerden zij de campagne 'Bijtandje Houtkantje'. GroenRand wijst erop dat we historisch gezien een enorme rijkdom aan houtkanten zijn kwijtgeraakt.
Vroeger lag er in Vlaanderen een netwerk van struwelen dat driemaal de omtrek van de aarde besloeg.
In de Antwerpse Voorkempen is dit netwerk versnipperd geraakt tot een lappendeken van geïsoleerde 'natuureilandjes'.
De actie 'Bijtandje Houtkantje' wil boeren en lokale besturen motiveren om deze groene linten weer in ere te herstellen.
Een absoluut schoolvoorbeeld van deze aanpak is te vinden in de gemeente Malle, die door GroenRand expliciet als toonbeeld van geslaagde aanplantingen wordt genoemd.
Een recente actie in Malle leverde maar liefst 1,6 kilometer aan nieuwe hagen, heggen en houtkanten op.
Dit project laat zien hoe lokale samenwerking leidt tot een aaneengesloten netwerk dat versnipperde natuurgebieden weer met elkaar verbindt.
Voor de toekomst heeft Malle ambitieuze plannen vastgelegd in het Meerjarenplan 2026-2031 en het bijbehorende bestuursakkoord. 
De focus ligt op het verder versterken van het "land van landbouw en natuur" door onder andere deelname aan behaagacties en de aanplant van honderden extra bomen op strategische locaties.
Voor de landbouwer is de meerwaarde van zo’n houtkant enorm: het fungeert als een natuurlijke windbreker, wat bodemerosie voorkomt en een gunstig microklimaat creëert voor de gewassen op de akker.
Tegelijkertijd dienen deze houtkanten als veilige migratieroutes voor kleine zoogdieren en zelfs de otter, die zich langs waterlopen verplaatst.

Het succes van deze overeenkomsten bewijst dat de landbouwsector niet langer de tegenstander, maar de bondgenoot van de natuur is geworden.
De synergie tussen een zeker inkomen voor de landbouwer en een veerkrachtiger landschap voor de maatschappij is een win-winformule.
Terwijl de VLM optimistisch vooruitblikt naar de toekomst, blijft de oproep van organisaties als GroenRand essentieel om ook de laatste witte vlekken op de kaart groen in te kleuren.
Het platteland van 2026 is een plek waar voedselproductie, klimaatadaptatie en biodiversiteit hand in hand gaan, met de landbouwer als de trotse regisseur van een levend landschap.