dinsdag 17 maart 2026

De Europese kanarie in de Voorkempen: Frank Vermeiren brengt een zeldzaamheid in beeld

De Europese kanarie in de Voorkempen: Frank Vermeiren legt een zeldzaamheid vast op beeld


Hoewel de Europese kanarie (Serinus serinus) in de officiële statistieken voor de Voorkempen als een zeldzaamheid te boek staat, bewijzen de eerdere waarnemingen van Frank Vermeiren dat de vogel er wel degelijk nog voorkomt.
Als natuurfotograaf bij GroenRand brengt hij de lokale biodiversiteit dagelijks in beeld met zijn vogelreportages van A tot Z, waarbij hij telkens de focus legt op de fragiele schoonheid van onze directe omgeving.
Bij de letter 'E' van de Europese kanarie toont hij aan dat deze schaarse soort, ondanks de algemene achteruitgang in Vlaanderen, nog steeds de weg vindt naar onze regio.


Zijn werk onderstreept dat de parkachtige landschappen en villatuinen met oude coniferen in gemeenten als Schilde, Zoersel, Malle en 's-Gravenwezel nog steeds een uiterst geschikt biotoop vormen voor deze kleine zanger.
De aanwezigheid van deze vogel is een graadmeter voor de kwaliteit van onze lokale natuurgebieden en de groene gordels die de Voorkempen zo typeren, ondanks de toenemende verstedelijking.


Wie deze vogel zelf wil herkennen, moet zoeken naar een kleine vinkachtige met een opvallend korte staart en een korte, dikke, grijze snavel die perfect is aangepast aan het kraken van de kleinste zaden.
Het verenkleed van de Europese kanarie is uiterst fijn getekend en rijk aan details waarbij de rug, buik, mantel en flanken zwaar gestreept zijn met donkere, bijna zwarte lijnen.
Bij de volwassen mannetjes zijn het voorhoofd, de wenkbrauwstreep, de zijhals, de borst en de stuit prachtig citroengeel gekleurd, wat ze een bijna tropisch uiterlijk geeft wanneer het zonlicht op hun veren valt.
De vrouwtjes zijn aanzienlijk discreter gekleurd met een vaal geelwitte tint en een nog zwaardere streping op de borst, wat hen een uitstekende schutkleur geeft tijdens het broeden.
Juveniele vogels hebben in hun eerste maanden zelfs helemaal geen gele onderdelen, wat hun determinatie in het veld bijzonder lastig maakt omdat ze makkelijk verward kunnen worden met andere jonge vinkachtigen zoals de sijs of de kneu.


De zang is echter het meest betrouwbare kenmerk en bestaat uit een razendsnelle, bijna koortsachtige combinatie van ratels en trillers die minutenlang onophoudelijk kan doorgaan.
Vogelaars vergelijken dit unieke geluid vaak met rammelende sleutels of het geluid van brekend glas dat in de verte weerklinkt vanuit de hoogste boomtoppen.
De roep klinkt als een karakteristieke, stuiterende triller waarin vaak een metaalachtig en kort "tzzzrrrilrlrlr" verweven zit, een geluid dat de vogel vaak laat horen tijdens het vliegen.
Rond deze tijd van het jaar, op 17 maart, bevindt de Europese kanarie zich in een cruciale fase van zijn jaarcyclus: de terugkeer uit de overwinteringsgebieden in het zuiden.
Hoewel een zeer klein deel van de populatie in uitzonderlijk zachte winters als standvogel in West-Europa kan blijven, overwintert het overgrote deel in Zuid-Europa en Noord-Afrika.


Aangezien België aan de absolute noordgrens van zijn Europese verspreidingsgebied ligt, is de trek hier vaak subtiel en gaat het meestal om enkelingen die druk en hoog door de lucht schieten.
In de tweede helft van maart en in de loop van april komen de schaarse doortrekkers onze kant op via dagtrek, waarbij ook nachtelijke verplaatsingen door wetenschappers niet worden uitgesloten.
De mannetjes die in de Voorkempen neerstrijken, zijn momenteel bijzonder actief en bakenen hun territorium af via hun zeer opvallende en acrobatische zangvluchten.


Hierbij vliegen ze met trage, stijve en bijna vleermuisachtige vleugelslagen in wijde cirkels boven de boomtoppen terwijl ze hun zang onafgebroken over het landschap uitstorten.
In de winterperiode, wanneer ze nog in groepen verblijven voor de veiligheid, zijn ze vooral te vinden op plaatsen met kruidenrijke vegetatie en braakliggende terreinen buiten de dorpskernen.
Hier gedragen ze zich als stereotype zaadeters die specifiek op zoek gaan naar onkruidzaden van kruisbloemigen zoals herderstasje, vogelmuur en verschillende soorten zuring.



De geschiedenis van de vogel in onze streken is relatief kort, aangezien de soort pas rond het jaar 1880 zijn leefgebied vanuit het Middellandse Zeegebied gestaag begon uit te breiden naar de Lage Landen.
Deze historische noordwaartse expansie wordt vaak aangehaald als een van de meest succesvolle natuurlijke uitbreidingen van een zangvogel in Europa gedurende de laatste twee eeuwen.
Het eigenlijke broedseizoen loopt van begin april tot diep in augustus, waarbij de vogel doorgaans twee volledige legsels per jaar produceert om de overlevingskansen van de soort te vergroten.
Bij ongunstige weersomstandigheden of bij slechts één geslaagd legsel stopt het seizoen voor veel individuele paren vaak al in de loop van de maand juli.
Een legsel bestaat gewoonlijk uit drie tot vier kleine, gespikkelde eieren die gedurende twaalf tot dertien dagen uitsluitend door het vrouwtje op temperatuur worden gehouden.
De Europese kanarie nestelt bij voorkeur in een semi-urbane omgeving waar menselijke aanwezigheid en natuur in elkaar overvloeien, zoals in parken en op begraafplaatsen.


Het is het vrouwtje dat de volledige architecturale verantwoordelijkheid draagt voor de bouw van het kleine, uiterst compacte en stevige nest.
Dit nest is een kunstig meesterwerkje van fijne takjes, stengels, mos en korstmos, aan de binnenzijde zacht gevoerd met haren, veertjes en pluizig plantaardig materiaal.
De nestplaats bevindt zich vaak aan de uiterste uiteinden van de takken of dieper verborgen in de kroon van fruitbomen en diverse soorten coniferen.
De hoogte van het nest varieert meestal tussen de drie en zes meter boven de grond, al zijn er in de regio Voorkempen ook nesten gedocumenteerd op een hoogte van wel dertien meter in oude ceders.
De uitgesproken voorkeur voor coniferen is in onze regio opvallend, aangezien deze groenblijvende bomen ook in het vroege en nog kale voorjaar al de nodige visuele dekking bieden tegen vijanden.
De zorg voor de jongen is een intensieve en gezamenlijke taak waarbij het mannetje na het uitkomen van de eieren eerst voer aan het vrouwtje geeft op het nest.
Daarna gaan beide ouders onvermoeibaar op pad om voedsel te verzamelen, waarbij ze naast zaden ook kleine insecten zoals bladluizen en rupsen vangen voor hun kroost.
Deze insecten zijn van levensbelang omdat de jongen behoefte hebben aan enorme hoeveelheden eiwitrijk voedsel voor een razendsnelle ontwikkeling van hun spieren en veren.
Het is fascinerend om te zien hoe deze vogel, die normaal strikt vegetarisch leeft, zijn dieet volledig aanpast aan de fysiologische behoeften van zijn groeiende jongen.
Na een periode van gemiddeld vijftien tot achttien dagen zijn de jongen vliegvlug, waarna ze nog ongeveer negen dagen volledig afhankelijk blijven van de ouders voor hun dagelijkse voeding.
Na de zomerperiode begint de najaarstrek weer op gang te komen in september, met een duidelijke piek eind september en gedurende de gehele maand oktober.
Tot ver in november kunnen er nog kleine, versnipperde aantallen Europese kanaries voorbijtrekken op hun lange weg naar de warmere zuidelijke winterkwartieren.
Hoewel de vogel op de Vlaamse Rode Lijst momenteel de kritieke status 'Bijna Bedreigd' heeft, bewijzen de beelden van GroenRand-fotograaf Frank Vermeiren hun overleving.
De afname van natuurlijke braakliggende terreinen en de toenemende drang naar netheid in onze privétuinen maken het voor deze zaadeter echter steeds uitdagender om te overleven.
Het behoud van kruidenrijke randen en het bewust laten staan van inheems onkruid zijn dan ook van cruciaal belang voor het voortbestaan van de soort in onze regio.
Dankzij de passie en de nauwgezette documentatie van lokale waarnemers krijgt de Europese kanarie de aandacht die hij verdient om niet uit ons landschap te verdwijnen.
Elke geslaagde foto en elke geregistreerde zangvlucht draagt bij aan een groter bewustzijn over de rijke maar kwetsbare biodiversiteit die de Voorkempen nog steeds herbergt.
Het verhaal van de Europese kanarie is daarmee niet alleen een biologisch verslag, maar ook een oproep tot meer waardering voor de kleine wonderen in onze eigen achtertuin.

Schepen Wouter Patho en cartoonist Gier krijgen op 1 april Groene Duim van GroenRand voor 1,6 kilometer extra hagen en fijn tekenwerk

Schepen Wouter Patho en cartoonist Gier krijgen op 1 april Groene Duim van GroenRand voor 1,6 kilometer extra hagen en fijn tekenwerk


Wouter Patho (N-VA), schepen van milieu in Malle, krijgt samen met cartoonist Gier de Groene Duim van natuurvereniging GroenRand.

Natuurvereniging GroenRand viert haar tiende verjaardag en zet dit jubileum extra luister bij met het project Bijtandje Houtkantje, dat in 2026 de focus legt op het herstel en de uitbreiding van houtkanten in de regio Voorkempen en Noorderkempen.
Het werkingsgebied van dit initiatief omvat de gemeenten Brasschaat, Brecht, Kalmthout, Kapellen, Malle, Ranst, Schilde, Schoten, Stabroek, Wuustwezel, Kalmthout en Zoersel.
De naam is een speelse verwijzing naar “een tandje bijsteken” en onderstreept de noodzaak om het landschap te versterken door ontbrekende schakels in groene linten weer op te vullen.

Het project sluit nauw aan bij het Vlaamse Houtkantenplan en zet in op klimaatadaptatie door het creëren van lijnvormige landschapselementen.
Deze zijn essentieel om genetische verarming tegengaan en bieden cruciale huisvesting aan vogels, insecten en kleine zoogdieren zoals egels en marterachtigen.

Een specifieke en grote uitdaging bij deze ontsnippering is dat deze groene linten vaak op menselijke hindernissen stuiten, zoals wegen.
GroenRand benadrukt daarom het vitale belang van faunapassages en ecotunnels.

Binnen dit initiatief fungeert de gemeente Malle als het schoolvoorbeeld voor de regio omdat zij bewijst dat een natuurbeleid op basis van vrijwilligheid en samenwerking met landbouwers tot tastbare resultaten leidt.
Onder impuls van schepen van Natuur Wouter Patho (N-VA) en het LEADER-project “1 kilometer hecht landschap” werd in Malle al 1,6 kilometer aan nieuwe hagen en bomenrijen gerealiseerd.

Lezing


De toekomstplannen van de gemeente focussen op educatie met een lezing op woensdagavond 1 april om 19.30 uur door landschapsmedewerker Domien Van Dijck in de lokalen van de Heemkundige Kring van Malle aan de Lierselei 28 bus 2, waarbij dieper wordt ingegaan op de evolutie van het landschap en de strijd tegen biodiversiteitsverlies.
Tijdens deze gratis avond reikt GroenRand haar jaarlijkse twee Groene Duimen uit als erkenning voor bijzondere verdiensten.
De eerste onderscheiding gaat naar schepen Wouter Patho voor zijn volgehouden inspanningen en de tweede naar de Kempense cartoonist Gie Campo die onder zijn pseudoniem Gier al decennialang onbezoldigd zijn artistieke talent inzet voor de natuursector.
Gie ontwierp niet alleen het officiële logo van Bijtandje Houtkantje, maar tekende ook cartoons over ontsnippering om complexe ecologische boodschappen.
Met de huldiging van zowel een beleidsmaker als een kunstenaar onderstreept GroenRand dat natuurbehoud zowel een kwestie is van tastbare aanplantingen als van inspirerende communicatie.
Iedereen is welkom om de lezing en uitreiking mee te beleven. 
Inschrijven is verplicht. Schrijf je hier in voor de lezing.

Het artikel van het Nieuwsblad kan u hier
 lezen

Meer informatie ook in Noordernieuws




maandag 16 maart 2026

De Vlaamse natuur op de pijnbank: van Brussels debat tot de otter-alarmbel van GroenRand


Eigen redactie - foto's: Ingrid Boumans

Op vrijdag 13 februari 2026 presenteerde het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zijn langverwachte zesjaarlijkse rapportage over de Europees beschermde natuur.
Dit wetenschappelijke document analyseert de toestand van 46 habitattypen en zeventig beschermde soorten, op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
Het rapport vormde de directe aanleiding voor een uiterst gedetailleerd debat tijdens de vergadering van de Commissie voor Leefmilieu, Natuur en Ruimtelijke Ordening op dinsdag 10 maart 2026.


Terwijl de Europese Natuurherstelverordening lidstaten dwingt tot actie, blijkt uit de cijfers dat de globale toestand van de Vlaamse natuur er amper op vooruitgaat.
Slechts een kwart van de beschermde soorten verkeert in een gunstige staat, en voor hun leefgebieden is dat maar 4 procent.
De natuur droogt uit door een veranderend klimaat, en kwetsbare heide en vennen krijgen nog altijd te veel stikstof te verwerken.
Het landschap ligt er versnipperd bij, en de achteruitgang baart het meest zorgen buiten de beschermde gebieden en vooral in agrarisch gebied.
Het gaat niet goed met soorten die voorkomen in landbouwgebied, zoals de akker- en weidevogels en de wilde hamster.
Tijdens de bewuste commissievergadering op 10 maart 2026 kreeg Sanne Van Looy (N-VA) het woord om de debatten te openen.


Zij benadrukte dat de staat van instandhouding integraal beoordeeld moet worden op basis van vier onmisbare facetten, zijnde areaal, oppervlakte, kwaliteit en toekomstperspectief.
Het is die samenhang die bepaalt of iets duurzaam kan functioneren in onze regio, en een overlevingskans biedt op lange termijn.
Van Looy polste naar de prioriteiten uit de INBO-aanbevelingen, zoals het creëren van robuuste natuurgebieden en het benutten van koppelkansen.
Zij vroeg ook expliciet naar het Nederlandse concept van basiskwaliteit voor natuur buiten de beschermde zones, dat een minimumniveau aan natuurkwaliteit onderschrijft.
Mieke Schauvliege (Groen) volgde met een vlijmscherpe analyse over de Europese Natuurherstelwet, die in 2024 werd goedgekeurd door de Europese Unie.
Deze wet verplicht lidstaten om tegen 2030 herstelmaatregelen te nemen voor ten minste 30 procent van de habitats in slechte staat.


Tegen september 2026 moeten de lidstaten hun definitieve nationale herstelplannen indienen bij de Europese Commissie, om sancties te vermijden.
Schauvliege hekelde het gebrek aan transparantie en financiering, en wees op het openstaande saldo van 13.000 hectare nieuwe natuur dat nog nodig is.
Zij waarschuwde dat het mikken op een definitief plan in 2027 of 2028 de rechtszekerheid van vergunningen hypothekeert, en inbreukprocedures uitlokt.
Ook vroeg zij of de minister een volledige maatschappelijke kosten-batenanalyse zou laten uitvoeren voor het natuurherstelplan, in uitvoering van de verordening.
Bieke Verlinden (Vooruit) legde de focus op de maatschappelijke relevantie, omdat gezonde natuur bepaalt hoe goed we bestand zijn tegen wateroverlast en droogte.
Zij uitte haar zorgen over de politieke besluitvorming die pas tegen de zomer van 2026 wordt verwacht, met een definitieve indiening in 2027.
Zij vroeg naar een jaarlijks monitoringsysteem om de voortgang richting 2030 effectief te kunnen bewaken, op basis van meetbare resultaten op het terrein.


Andy Pieters (N-VA) bracht een positiever geluid en wees op succesverhalen, zoals de terugkeer van de otter en de fint dankzij het Sigmaplan.
Natuurvereniging GroenRand spreekt dit optimisme echter met klem tegen, op basis van de Europese otterconferentie in Antwerpen op 12 en 13 maart 2026.
Daar bleek dat de otter in Vlaanderen een uiterst kwetsbare randpopulatie blijft van slechts 10 tot 20 individuen in het hele gewest.
Rond 1900 was het dier nog zeer algemeen, maar halverwege de 20ste eeuw volgde een drastische achteruitgang door actieve vervolging en premies.
De genadeslag volgde in de jaren 1980 en 1990 door habitatverlies en zware waterpollutie, waardoor de soort nagenoeg uitgestorven werd beschouwd.
Sinds het begin van deze eeuw zien we een kentering, maar het herstel verloopt tergend moeizaam ondanks waarnemingen in Limburg en Oost-Vlaanderen.
Terwijl Nederland inmiddels 500 otters telt, slaagt de soort er in Vlaanderen niet in om zich duurzaam voort te planten door barrières.
Het eenogige vrouwtje Mevrouw Eenoog leeft bijvoorbeeld al sinds 2019 alleen in de regio Durme-Donk, zonder partner te vinden voor haar kroost.
Zij legt enorme trajecten tot 54 kilometer af, maar blijft de enige in haar gebied, wat de kwetsbaarheid van de populatie pijnlijk benadrukt.


Bovendien toont onderzoek aan dat onze vissen verzadigd zijn met chemische stoffen, zoals PCB’s en PFAS, wat de vruchtbaarheid aantast.
Ook zorgt de verkeersdruk voor veel road kill, waarbij jaarlijks naar schatting 10 tot 25 procent van de populatie sneuvelt op de wegen.
GroenRand waarschuwt dat de soort zonder ingrijpen de genetische val niet zal overleven, door inteelt en een gebrek aan genetische variatie.
Minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v) reageerde in de commissie uitgebreid op deze kritische geluiden en cijfers.
Hij gaf toe dat de staat van veertig habitats de tevredenheid tempert, maar wees op het strenge ‘one out, all out’-principe voor de status.
De minister deelde cijfers, zoals de 7.131 hectare die sinds de zomer van 2024 onder natuurbeheer is gebracht via 121 goedgekeurde plannen.
In 2024 werd 710 hectare aangekocht in functie van de erkenning als natuurreservaat, en in 2025 kwam daar nog eens 532 hectare bij.


De projectsubsidies natuur ondersteunen in 2024 herstel op 563 hectare, en voor 2025 gaat het om 712 hectare aan concrete acties.
Voor de stikstofsanering in de periode 2025-2030 is een provisioneel budget van 747 miljoen euro vastgelegd in de Vlaamse begroting.
Hiervan is 118 miljoen euro gepland in 2026 en 153 miljoen euro in 2027, om de overmaat aan stikstof op het landschap aan te pakken.
De minister onthulde tevens dat het ANB werkt aan beeldherkenning op luchtbeelden om illegale rooiingen van houtkanten automatisch te detecteren.
Mien Van Olmen (cd&v) vroeg een stand van zaken over de 3,6 miljard euro die de Vlaamse Regering eerder reserveerde voor stikstofsanering.
Lydia Peeters vroeg de garantie dat er geen extra beschermde zones buiten de huidige gebieden zouden worden gecreëerd door het herstelplan.
GroenRand uit grote bezorgdheid over de financiële onzekerheid na 2027, omdat het programma VAPEO zwaar leunt op tijdelijk relancegeld.
Zonder geoormerkt geld voor ontsnippering zullen cruciale faunapassages onder gewestwegen vertraging oplopen in de komende jaren.


Slechts twee dagen na dit debat volgde op donderdag 12 maart 2026 de praktijk op het woord door toedoen van de bevoegde minister.
Vlaams minister van Plattelandsbeleid Hilde Crevits (cd&v) gaf het officiële startschot voor de vierde subsidieronde van de VLM.
Deze ronde stelt 640.000 euro beschikbaar voor de aanplant en het herstel van houtkanten, met subsidies tot 70 procent van het bedrag.
De minister plantte zelf 36 bomen en 310 meter heg aan, om het belang van houtkanten als bloedvaten van ons landschap te onderstrepen.
Houtkanten bevorderen immers de biodiversiteit door onderdak te bieden aan vogels en kleine zoogdieren, onder de paraplu van de otter.
Natuurvereniging GroenRand roept de lokale besturen uit haar werkingsgebied op om massaal op deze oproep van de VLM in te gaan.


Het gaat om de gemeenten Brasschaat, Brecht, Essen, Kalmthout, Kapellen, Malle, Ranst, Schilde, Schoten, Stabroek, Wuustwezel, en Zoersel.
Als erkenning voor geleverd pionierswerk schenkt GroenRand de Groene Duim 2026 aan de gemeente Malle voor hun visie op lange termijn.
Zij richten zich specifiek tot milieuschepen Wouter Patho en cartoonist Gier, die de publieke betrokkenheid bij natuur versterkt door zijn kunst.
Malle realiseerde al 1,6 kilometer hagen en streeft naar maar liefst acht kilometer nieuwe houtkanten en 16.000 extra bomen tegen 2030.
Malle wil een CO2-reductie van 40 procent halen en focust op het herstel van het authentieke Kempische landschap met inwoners.
Om deze expertise te delen nodigt Malle iedereen uit op de lezing Sporen van vroeger, kansen voor morgen door Domien Van Dijck.


Deze vindt plaats op woensdagavond 1 april om 19.30 uur in het Koetshuis van Domein De Renesse voor alle geïnteresseerden in de regio.
Dit project met de naam Bijtandje-houtkantje vormt zo de definitieve brug tussen het Brusselse beleid en de noodzakelijke natuurverbinding in de regio.

Inschrijven voor de lezing is verplicht.
Schrijf je 
hier in voor de lezing.

De Ekster in de Voorkempen: Een Kleurrijk Intellectueel door de lens van Frank Vermeiren



Frank Vermeiren vertelt ons in deze reeks van a tot z alles over de vogels die onze regio rijk is.

We zijn inmiddels aanbeland bij de letter ‘e’ van ekster, een vogel die Frank als fotograaf vaak in het vizier krijgt tijdens zijn tochten door de Voorkempen.
Wanneer GroenRand- fotograaf Frank Vermeiren langs de oevers van de Antitankgracht wandelt, de rugzak zwaar van de cameralenzen, is de ekster een van zijn meest dankbare onderwerpen.
Van een afstand lijkt deze vogel een simpele zwart-witte verschijning, een contrastrijke vlek tegen de vaak grijze lucht van de Voorkempen.
Maar zodra Frank de vogel in zijn vizier krijgt en de vroege ochtendzon door de takken breekt, spat het kleurenspectrum uiteen.


Het zwart is namelijk geen zwart.
Het blijkt een diep, metallic palet van iriserend blauw, smaragdgroen en koninklijk paars dat bij elke beweging anders schittert.

De witte buik, de heldere schoudervlekken en de handvleugels die in de vlucht bijna geheel wit oplichten, vormen een scherp contrast met de stevige donkere snavel en poten.
Het is een magnifieke vogel, een vliegende edelsteen die in onze regio helaas vaak met een scheef oog wordt bekeken.
De ekster heeft zijn imago simpelweg niet mee: van brutale pestkop over meesterlijke dief tot meedogenloze kuikenkiller.
Je zou hem voor minder naar het verste hoekje van de speelplaats drummen, tenzij je je focust op wat deze vogel écht in zijn mars heeft.


De ekster valt op, is vaak rumoerig en onmiskenbaar aanwezig met zijn lange staart.
Hij durft inderdaad wel eens een eitje of een jong vogeltje mee te pikken wanneer de gelegenheid zich voordoet.
Vooral in het broedseizoen, wanneer de eksters zelf jongen hebben, wordt hun menu aangevuld met eitjes van andere vogels en soms jonge vogels.
Maar dat doen heel wat andere soorten ook, alleen doen zij het stiekem of diep in de nacht.


De ekster is een vogel van de dag, een opportunist die leeft in het volle licht.
Bovendien is hij een onmisbare bondgenoot voor wie de natuur met een open blik bekijkt.
Het grootste deel van zijn menu bestaat uit emelten, kevers en regenwormen.
Frank ziet ze tijdens zijn tochten regelmatig op de rug van een koe of een schaap zitten om parasieten van de huid te pikken.
In onze moderne wereld heeft de ekster zich bovendien ontpopt tot een slimme opruimer.


Paartjes zoeken in de vroege ochtend langs de wegen naar nachtelijke verkeersslachtoffers voordat deze gaan rotten.
Ze ruimen de kadavers op waar wij liever niet naar kijken en profiteren van het menselijk afval.
Wat de ekster écht fascinerend maakt, is zijn sociale intelligentie en levenswijze.
Tot hun derde levensjaar leven jonge eksters in zogenaamde jeugdbendes.
In deze groepen doen ze de broodnodige ervaring op die een ekster nodig heeft om later succesvol jongen groot te kunnen brengen.


Het is een leerfase vol spel, sociale hiërarchie en het aanleren van overlevingstechnieken.
Pas na deze jaren zoeken ze een eigen territorium in open gebieden met verspreid staande bomen.
Hoewel eksters meestal monogaam zijn en elkaar een leven lang trouw blijven, verloopt het leven niet altijd zonder drama.
Er wordt wel eens een vreemd vrouwtje het hof gemaakt, wat onvermijdelijk leidt tot agressieve confrontaties wanneer de huidige partner dit merkt.


Ook op architecturaal vlak dwingt de vogel enorm veel respect af.
Rond april begint het broedseizoen, al start de eileg soms al eind maart tot in juni.
De ekster bouwt zijn nest meestal in de vork van een tak van een hoge boom.
Deze nesten zijn groot en de takken worden versterkt met aarde en klei.
De binnenkant van de kom wordt gevoerd met dunne wortels voor het comfort van de jongen.
Uniek is dat het nest bijna altijd van boven overdekt is met een koepel van takken tegen predatoren.
Bovendien heeft het nest een slim verborgen ingang om de veiligheid te garanderen.
Vaak bouwt een koppel zelfs meerdere nesten, waarbij er slechts één daadwerkelijk wordt bewoond.
In de kom liggen meestal vijf tot zeven eieren die na een broedduur van 17 tot 24 dagen uitkomen.
De jongen zitten 22 tot 30 dagen op het nest en blijven na het uitvliegen nog ongeveer zes weken in de buurt van de ouders.


Behalve een bouwheer is de ekster een van de meest intelligente vogels ter wereld.
Hij is een van de weinige dieren die de spiegeltest doorstaan en zichzelf herkennen.
Die slimheid gaat gepaard met een onverzadigbare nieuwsgierigheid naar alles wat er anders uitziet.
Dit gedrag verklaart waarom ze glimmende voorwerpen onderzoeken en eventueel begraven onder bladeren voor later gebruik.
Hoewel de volksmond spreekt van gestolen sieraden en theelepeltjes, zijn deze schatten nog nooit in een nest teruggevonden.


Ze inspecteren een glimmend object simpelweg in de hoop dat het een lekkere hap is.
Sinds enkele decennia houdt de ekster zich graag op in de nabijheid van mensen in tuinen en stadsparken.
Ze profiteren enorm van het extra voedselaanbod zoals patat en broodresten langs schoolroutes.
Ze eten werkelijk alles wat ze te pakken krijgen, van hagedissen en muizen tot bessen en zaden.
Hun foerageertechniek op de grond is uniek.


Ze maken snelle sprongen opzij om hun prooi te verrassen.

De ekster is bovendien een echte standvogel die trouw blijft aan zijn regio.
Uit ringonderzoek blijkt dat ze zelden verder dan 30 kilometer van hun geboorteplek wegtrekken.
Alleen eksters uit het uiterste noorden van Europa trekken zuidelijker als de winterse omstandigheden dat noodzakelijk maken.
Wil je voorkomen dat ze je voedertafel overnemen, bied dan op verschillende plekken wat lekkers aan.
Zo krijg je de kans om deze stoere overlever van dichtbij te leren kennen zonder dat anderen de dupe worden.
Laat de volgende keer dat je een ekster ziet alle vooroordelen varen en observeer hem met een open blik.
Zie de schittering op zijn vleugels en besef dat deze mooie vogel echt een plekje in onze prachtige Voorkempen verdient.

zondag 15 maart 2026

François Eennaes en de roodborsttapuit op het Kleine Schietveld

François Eennaes en de roodborsttapuit op het Klein Schietveld

De zon staat laag boven het Klein Schietveld in Brasschaat, een uitgestrekt militair domein waar de natuur nog haar eigen wetten dicteert en de menselijke aanwezigheid slechts een voetnoot lijkt in de cycli van het landschap.
Het gouden strijklicht werpt lange, grillige schaduwen over de heidepollen en de verspreide vliegdennen die als eenzame wachters over het terrein verspreid staan.
Te midden van deze serene rust houdt François Eennaes halt om de horizon af te speuren naar de bewoners van deze ruige vlakte.


François Eennaes werkt nauw samen met de natuurvereniging GroenRand. GroenRand streeft naar een aaneengesloten natuurgebied om de versnippering tussen het Groot en Klein Schietveld definitief te stoppen.
De Schietvelden zijn nabij elkaar gelegen maar worden momenteel van elkaar gescheiden door dwarsende verkeersinfrastructuren zoals de Essensteenweg en de Bredabaan.
Nochtans behoren de Schietvelden beide tot het Natura 2000-netwerk en bevatten ze beide zeer zeldzame habitats die cruciaal zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen van diverse soorten.
De potentiële meerwaarde van een verbinding tussen beide gebieden is bijgevolg groot.
Door deze gebieden fysiek met elkaar te verbinden ontstaat er samen met de Kalmthoutse Heide één groot en robuust natuurmassief van duizenden hectaren dat veel beter bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering zoals hitte en droogte.


Dit is cruciaal voor de biodiversiteit omdat het een noodzakelijke genetische uitwisseling tussen populaties mogelijk maakt.
Verschillende diersoorten kunnen zich zo ongehinderd verplaatsen tussen de verschillende ven- en heidegebieden en dat voorkomt inteelt.
De verbinding is ook erg belangrijk voor de roodborsttapuit omdat deze vogel specifiek leeft in de open en halfopen heidelandschappen van de Schietvelden.
Een groter en verbonden gebied biedt deze soort meer noodzakelijke overgangszones voor nestgelegenheid en vergroot het oppervlak aan kwaliteitsvol jachtgebied voor insecten.
De verbinding koppelt bovendien de drie grote kernen aan elkaar tot een samenhangend netwerk waarin kwetsbare flora en fauna optimaal beschermd worden tegen externe verstoringen.
De prioritaire uitwerking van deze actie is specifiek gekozen omwille van de urgentie.
Uit ontwerpend onderzoek door de bureaus Hesselteer en Omgeving is gebleken dat het tussenliggende gebied onder druk staat van bijkomende bebouwing.
De urgentie van dit project is hoog aangezien experts waarschuwen dat het voortbestaan van zeldzame plant- en diersoorten in gevaar komt als deze versnippering niet snel wordt aangepakt.
Een aantal beschermde soorten binnen de Schietvelden staan daarnaast onder toenemende druk van klimaatverandering waarbij de recente droogte een teken aan de wand is.
Onder de vlag van het project Greenconnect pleit GroenRand daarom voor de dringende aankoop van strategische gronden en de aanleg van ecotunnels om deze vitale verbinding in de groene gordel rond Antwerpen te waarborgen.
Als toegewijde natuurwaarnemer heeft François een geoefend oog ontwikkeld voor de kleinste bewegingen in de vegetatie op dit domein.
Zijn aandacht wordt getrokken door een markant, gedrongen silhouet dat onverstoorbaar op de uiterste top van een braamstruik balanceert.
Het is een mannetje roodborsttapuit (Saxicola rubicola), een kleine zangvogel van ongeveer twaalf tot dertien centimeter die een cruciale en onmisbare schakel vormt in het lokale ecosysteem van de Voorkempen.
Hoewel zijn naam een directe samenvoeging lijkt van een roodborstje en een tapuit, weet François als kenner dat deze vogel nauwer verwant is aan de familie van de vliegenvangers (Muscicapidae).

De wetenschappelijke soortnaam rubicola is een directe verwijzing naar zijn favoriete verblijfplaats en betekent letterlijk ‘bewoner van de braamstruiken’.
Wie door de Voorkempen wandelt, kan deze fiere vogel nauwelijks over het hoofd zien door zijn opvallende gedrag en felle kleuren.
Hij bezit de onvermoeibare gewoonte om steevast op het allerhoogste punt van een struik, een uitgestoken tak of een weidepaaltje te gaan zitten om zijn domein te bewaken.
Vanaf die strategische uitkijkpost overziet hij zijn territorium, dat in dit uitgestrekte gebied doorgaans een oppervlakte beslaat van enkele hectaren.
Zijn territoriumdrift is legendarisch; elke indringer, of het nu een soortgenoot is of een andere kleine zangvogel, wordt met felle vluchten en luidruchtig getik verjaagd.
Het uiterlijk van het mannetje is ronduit spectaculair door de harde visuele contrasten, met een gitzwarte kop die scherp afsteekt tegen de witte halszijden in zijn nek.
Deze witte vlek ligt als een onvolledige ring om zijn hals en valt voor de waarnemer al van grote afstand op tegen de vaak donkere achtergrond van de struwelen.
Zijn borst is feloranje tot rood gekleurd, wat natuurlijk een groot deel van zijn Nederlandse naam verklaart voor iedereen die hem ziet.
Bij het opvliegen toont hij bovendien een opvallende witte stuitvlek die scherp contrasteert met de zwarte staartveren en de donkere rugdelen.
Het vrouwtje is een stuk onopvallender getekend met bruin gestreepte bovendelen over haar hele lichaam, wat een perfecte camouflage biedt.

Deze schutkleur is van levensbelang wanneer ze op haar nest in de dichte begroeiing zit om haar eieren te beschermen tegen predatoren.
Toch bezit ook zij een warme oranje gloed op de borst die haar identiteit verraadt, evenals twee witte vlekken op de bovenvleugel ter herkenning.
De jonge vogels lijken op het gespikkelde vrouwtje maar zijn lichter bruin en nog beter gecamoufluurd tegen de zandige bodem van het Schietveld.
Een opvallend kenmerk van beide geslachten is hun constante en nogal zenuwachtige gedrag, waarbij ze voortdurend met hun korte vleugels en hun staart wippen.
Ze scannen onophoudelijk de omgeving op mogelijk gevaar of een prooi die zich laag in het gras of op de bodem begeeft.
De jachttechniek van deze vogel is zowel efficiënt als fascinerend: vanaf zijn hoge uitkijkpost spiedt hij onafgebroken naar de grond.
Zodra hij een beweging waarneemt van een kever of een rups, duikt hij in een rechte lijn omlaag naar de vegetatie.
Hij verschalkt zijn prooi razendsnel en keert daarna vrijwel direct terug naar een hoge en veilige post om de wacht te hervatten.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten zoals langpootmuggen, kevers, rupsen en vlinders, maar ook wormen en spinnen staan op het menu.
Zelfs slakken en soms zaden en bessen worden gegeten, wat hem helpt te overleven in verschillende seizoenen op het domein.
François merkt op dat de vogel vaak meerdere keren per minuut een duikvlucht maakt, wat wijst op een enorme energiebehoefte voor dit actieve vogeltje.
De vogel kent twee verschillende typen zang: een snelle riedel met metaalachtige klanken en een specifieke baltszang met imitaties van andere soorten.

François hoorde tijdens zijn observaties al diverse motieven van andere heidevogels verweven in het lied van de roodborsttapuit.
Toch is het vooral zijn karakteristieke roep die bij wandelaars bekend in de oren klinkt; een geluid dat klinkt als "wiet-tkk-tkk".
Dit laatste deel lijkt op twee kiezeltjes die tegen elkaar tikken, wat hem in het Engels de treffende naam Stonechat heeft opgeleverd.
Dit gedrag maakt hem een dankbaar onderwerp voor de gedetailleerde foto’s en waarnemingen die François Eennaes regelmatig vastlegt.
Zijn rapportages bieden een uniek inzicht in hoe de soort gebruikmaakt van de specifieke vegetatie op dit militaire domein in Brasschaat.
Hij ziet hoe de vogels behendig laveren tussen de struikhei en de dophei, gebruikmakend van elk hoogteverschil in het terrein.


De roodborsttapuit leeft het liefst in overgangszones waar het open veld wordt afgewisseld met dicht struikgewas en heide.
De regio Voorkempen vormt een cruciale overgang tussen de stedelijke rand en de zanderige bodems van de Kempen met zijn uitgestrekte bossen.
Met name in gebieden zoals het Groot Schietveld en het Klein Schietveld is de soort een vaste waarde die elk jaar trouw terugkeert.
De combinatie van open heide en verspreide vliegdennen zorgt daar voor een optimale en rustige broedomgeving weg van de drukte.
Ook de heiderelicten in gemeenten zoals Zoersel en Malle bieden precies de juiste structuur voor het in stand houden van een populatie.
In de valleigebieden van de Kleine Nete en de Aa worden de vogels eveneens regelmatig waargenomen door waakzame lokale kenners.
Zelfs op braakliggende gronden rond Schilde en Wijnegem duikt de vogel tegenwoordig op, mits er voldoende rommelige hoekjes aanwezig zijn.
De aanwezigheid van verspreide braamstruiken is hierbij vaak de doorslaggevende factor voor het succes van een broedpaar.

Het broedseizoen begint al vroeg vanaf de maand maart en de vogels kunnen tot wel drie legsels per seizoen hebben.
Per nest worden telkens vier tot zes eieren gelegd, die uiterst zorgvuldig door het vrouwtje worden bebroed in de dichte struiken.
Het nest zelf is een knap staaltje vlechtwerk van droog gras en mos, uiterst zorgvuldig verborgen op of net boven de grond.
Het wordt vaak verstevigd met haren van wilde dieren of pluizig materiaal van planten om de warmte optimaal vast te houden.
Vaak kiest het paar een plek aan de voet van een doornige struik zoals de brem of de wilde braam voor extra veiligheid tegen vossen.
François heeft vastgesteld dat de vogels op het Klein Schietveld een sterke voorkeur hebben voor deze stekelige natuurlijke forten.
De jongen zitten dertien tot zestien dagen op het nest voordat ze voor het eerst de wijde wereld van de Voorkempen in vliegen.
Gedurende deze tijd worden ze door beide ouders gevoerd met een constante stroom van eiwitrijke insecten en larven.
Daarna zijn ze nog zo'n acht tot veertien dagen afhankelijk van hun ouders voor hun dagelijkse aanvoer van voedsel.
Hoewel de roodborsttapuit vroeger een zeldzame verschijning was, gaat het nu erg goed met de soort en is de populatie sterk toegenomen.
Deze positieve trend is mede te danken aan het behoud van open en halfopen landschappen waar extensief beheer wordt toegepast.
Ze trekken doorgaans vanaf september naar Zuid-Europa of Noord-Afrika, maar bij zachte winters overwinteren er steeds meer exemplaren lokaal.
François ziet dit als een direct gevolg van de veranderende klimatologische omstandigheden die de vogel toelaten hier te blijven.
De aanwezigheid van insecten gedurende de winter, door de hogere gemiddelde temperaturen, speelt hierbij een cruciale rol.
Ook de toename van braakliggende terreinen met overjarige grassen biedt hen voldoende beschutting tijdens de koudste nachten.
Door zijn regelmatige observaties op het Klein Schietveld levert hij waardevolle gegevens aan over het broedsucces en de verspreiding.
Deze informatie is essentieel om de ecologische waarde van de verbindingsgebieden in de gehele regio te versterken en te begrijpen.
Het behoud van ruige wegbermen en onbeheerde greppels speelt een grote rol in de verdere expansie van deze prachtige vogelsoort.
Dergelijke structuren fungeren als ecologische stapstenen waarlangs de vogels nieuwe gebieden in de Voorkempen kunnen koloniseren.
Zolang we de ruige en onbeheerde kantjes van ons landschap koesteren, zal de roodborsttapuit een trotse wachter van onze velden blijven.
De tikkende roep die François op zijn wandelingen vergezelt, is een symbool geworden voor de vitale kracht van de natuur in de Voorkempen.
Elke ontmoeting met deze vogel herinnert hem aan de noodzaak om de laatste wilde plekken in onze omgeving te koesteren.
Met elke nieuwe waarneming groeit de collectieve kennis over hoe we dit kwetsbare maar veerkrachtige ecosysteem kunnen bewaren voor de volgende generaties.
Zo blijft de roodborsttapuit, gezeten op zijn braamstruik, het symbool van een landschap waar rust en wilde natuur nog hand in hand gaan.
De roodborsttapuit herinnert ons eraan dat zelfs in een dichtbevolkte regio als de Voorkempen, de natuur spectaculair kan zijn als we haar de ruimte geven.
François Eennaes blijft daarom onvermoeibaar het veld intrekken, gewapend met verrekijker en notitieboek, om deze gevleugelde juwelen te volgen.
Zijn passie voor de roodborsttapuit weerspiegelt de bredere inzet voor een groenere en meer diverse Voorkempen voor iedereen.