donderdag 2 april 2026

Economie en ecologie in Vlaanderen: ambitie op papier of stilstand op het terrein?

Economie en ecologie in Vlaanderen: mooie plannen op papier of stilstand in de praktijk?

De politieke week in Vlaanderen stond volledig in het teken van een scherp debat over de toekomst van ons milieu- en industriebeleid.
Wat begon met een gelekte ‘non-paper’ van minister Jo Brouns (CD&V), ontaardde in een bitse confrontatie in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.
Terwijl de coalitiepartners N-VA en Vooruit waarschuwen voor een “gevaarlijke ontmanteling” van de natuur, houdt Brouns vol dat hij enkel strijdt tegen een verstikkende bureaucratie die paradoxaal genoeg de feitelijke verbetering van ons leefmilieu in de weg staat.

Echter, een diepere analyse door natuurvereniging GroenRand legt een pijnlijke realiteit bloot: de huidige ambities van de regering-Diependaele lijken nagenoeg onbestaand en teren volledig op de erfenis van de vorige legislatuur onder Zuhal Demir.
Maandag opende de krant De Standaard met een bericht over een “nieuwe demarche” van minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns om milieurichtlijnen te versoepelen.
De nieuwe demarche van Jo Brouns kadert binnen de Make 2025-2030-agenda, het overleg dat de deelstaten en de federale regering hebben over het industriebeleid.
Binnen dat overleg zal een aparte werkgroep zich buigen over het vergunningenbeleid, een stokpaardje van de Vlaamse regering waar Matthias Diependaele en Brouns samen een actieplan over uitrollen.
Meteen de reden waarom federaal premier Bart De Wever naar Vlaanderen keek om die werkgroep te leiden om vlottere vergunningen voor bedrijven te forceren.
Brouns accepteerde het aanbod om een zogenoemde ‘non-paper’ op te stellen over alle onderwerpen die in de werkgroep aan bod moeten komen, waarna de paper ter inzage aan de redactie werd voorgelegd.


In zijn nota, getiteld “Input from Flanders”, pleit hij voor een fundamentele herziening van de Europese Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn.
Brouns steunt naar eigen zeggen het doel van de richtlijnen, maar meent dat ze leiden tot “disproportionele economische en maatschappelijke kosten, met beperkte meerwaarde voor het leefmilieu”.
Te strenge interpretaties maken het volgens hem “onmogelijk om sociaal-economische ontwikkelingsruimte en een gezond leefmilieu op een kostenefficiënte wijze te verzoenen”.


Een dichtbevolkte regio als Vlaanderen moet soepeler kunnen omgaan met de doelstellingen, zegt de minister, bijvoorbeeld rond het mestbeleid.
Vanwege de versnipperde natuur moet het volgens hem mogelijk zijn om de afbakening van de habitatrichtlijngebieden of de instandhoudingsdoelstellingen onder bepaalde voorwaarden te herzien.
Het zijn zaken die Brouns vorige zomer ook al eens opsomde in een non-paper, die toen prompt werd afgewezen binnen de meerderheid.
Niet alleen herhaalt hij al die pistes nu, hij legt er nog nieuwe op tafel, zoals artikel 23 van de grondwet dat het standstill-principe in het leven riep.


Dat principe heeft volgens de minister onwenselijke proporties aangenomen en moet daarom dringend worden herijkt.
Ook het Verdrag van Aarhus, dat voorziet in een ruime toegang tot de rechter in milieuzaken, moet volgens zijn paper herbekeken worden omdat het zou leiden tot strategisch procederen.
Hij stelt dat men vaak probeert om via de rechter tot beleid te komen waarvoor via de gebruikelijke democratische besluitvorming niet voldoende draagvlak is gevonden.
De reacties van de coalitiepartners in de plenaire zitting waren vlijmscherp en lieten weinig aan de verbeelding over.
Sanne Van Looy (N-VA) nam de leiding in het verdedigen van het N-VA-beleid en stelde dat de veelbesproken nota louter “input van CD&V” was en niet de hele regering vertegenwoordigde.
“De voorbije dagen was er wat verwarring rond de zogezegde versoepeling van milieurichtlijnen, maar de ‘input from Flanders’ bleek gewoon ‘input from CD&V’,” aldus Van Looy.


Zij stelde onomwonden dat het regeerakkoord de enige leidraad is: “Wat telt is het regeerakkoord, we blijven werken aan meer natuur, proper water en vlottere vergunningen.”
“Dat hebben we afgesproken en daar geven we geen millimeter op toe,” benadrukte ze met klem.


Sanne Van Looy maakte duidelijk dat economie en ecologie verzoenen de kern is van het N-VA-beleid, waarbij men niet toegeeft op de afgesproken milieudoelen maar wel streeft naar uitvoerbaarheid.
Zij herhaalde de belofte uit het akkoord om te blijven werken aan bosuitbreiding, de Blue Deal en een rechtszeker vergunningenkader dat standhoudt voor de rechter.
Zij benadrukte dat N-VA van de minister verwacht dat hij de gemaakte afspraken uit het regeerakkoord met opgeheven hoofd in Europa verdedigt, in plaats van eigen partijstandpunten als Vlaams beleid te presenteren.



Ook Vooruit-parlementslid Kris Verduyckt noemde de nota die naar het Europees Parlement werd gestuurd een frontale aanval op het Europese milieubeleid.
In de woorden van Brouns die hij eerder uitsprak in de Commissie Leefmilieu zag hij zelfs een middelvinger naar een gezonde leefomgeving.
Minister Brouns counterde de kritiek met absurde praktijkvoorbeelden uit het veld om aan te tonen waar het beleid vandaag spaak loopt.


Hij wees op de bouw van nieuwe scholen waarbij grondwater met PFAS-vervuiling moet worden opgepompt via bemaling.
“Wij zuiveren dat water tot wel tien keer toe, van 500 naar 50 microgram PFAS, wat een significante verbetering van de waterkwaliteit is.”
“Maar Europa zegt dat dit gezuiverde water niet terug in de waterloop mag omdat het als een ‘nieuwe vervuiling’ wordt beschouwd.”
“Exact dit is wat ik in Europa wil gaan doen, het herijken van de regels zodat ze logisch worden op het terrein.”
Ook de erkenning van ‘renure’, wat circulaire kunstmestvervangers uit dierlijke mest zijn, blijft volgens hem onterecht geblokkeerd door de huidige Nitraatrichtlijn.
Sanne Van Looy voegde daar in het debat een extra dimensie aan toe door de Europese rapportages aan te vallen die renovatiepremies als milieuschadelijk bestempelen.


Zij noemde dit wereldvreemd en absurd checkbox-milieubeleid dat het draagvlak bij de burger voor echte milieuzorg volledig ondermijnt.
Deze discussie vindt plaats tegen de achtergrond van een Vlaams Regeerakkoord dat een fundamentele koerswijziging markeert onder het motto ‘kwaliteit boven kwantiteit’.
De regering heeft beslist om geen nieuwe nationale- of landschapsparken meer te erkennen en de focus te verschuiven naar het beheer van wat reeds bestaat.
De energie en middelen worden voortaan geconcentreerd op de reeds erkende gebieden, waarbij de uitbouw van de werking binnen de huidige contouren centraal staat.
Voor de provincie Antwerpen heeft dit grote gevolgen, want de langverwachte promotie van het bestaande Grenspark Kalmthoutse Heide naar een officieel Nationaal Park is geschrapt.


Hoewel het akkoord vasthoudt aan de doelstelling van 10.000 hectare extra bos tegen 2030 en de voortzetting van de Blue Deal, blijkt de realiteit weerbarstig.
De toename van natuur onder effectief beheer in 2025 bedroeg slechts 1.077 hectare, wat een scherpe daling is ten opzichte van de 6.500 hectare het jaar voordien.
De analyse van GroenRand is vernietigend voor het huidige beleid en werd gemaakt na bevraging door volksvertegenwoordigers aan minister Brouns in de commissie.
De projecten die de huidige regering als haar ambities presenteert, zijn nagenoeg allemaal opgestart of zelfs gerealiseerd tijdens de regeerperiode van Zuhal Demir.
Het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO), dat nu formeel wordt herbevestigd, bevat exact dezelfde lijst met prioritaire knelpunten die Demir in 2020 vastlegde.


Het gaat hierbij om de ecoducten over de E314 in Zonhoven en de A12 in Meise, en het onderzoek naar de N74 in Pelt.
Zelfs de veelbesproken ecostrook bij de Hoogmolenbrug in Schoten is in werkelijkheid al in 2023 onder het bewind van Demir volledig voltooid.
Hetzelfde geldt voor de fundamenten van het Bomenplan en het Houtkantenplan, wat integrale erfenissen van de vorige legislatuur zijn die nu simpelweg worden voortgezet zonder enige nieuwe impuls.
GroenRand kwam deze ontluisterende feiten te weten via gerichte parlementaire bevragingen door volksvertegenwoordigers in de Commissie voor Leefmilieu.
Waar de vorige regering onder Demir nog aanzienlijke budgetten vrijmaakte van zo'n 50 miljoen euro, blijkt er uit de antwoorden van de minister een andere realiteit.
Voor de rest van de legislatuur tot 2031 blijkt er feitelijk geen nieuw budget meer te zijn voorzien voor nieuwe ontsnipperingsprojecten binnen het VAPEO-programma.
De teller staat voor de komende jaren op nul euro, wat aantoont dat de ambities voor nieuwe natuurverbindingen miniem of zelfs onbestaand zijn.
De projecten staan dus wel op papier ter herbevestiging, maar zijn financieel volledig uitgekleed en daardoor onuitvoerbaar.
Zonder deze middelen blijven realisaties zoals de Hoogmolenbrug een groen eiland zonder veilige aanlooproutes voor de lokale fauna.
Zolang de noodzakelijke vervolgverbindingen naar omliggende groengebieden zoals Ertbrugge niet worden gefinancierd, blijft de impact op de biodiversiteit minimaal.
Het uiteindelijke resultaat is een pragmatisch akkoord dat probeert te laveren tussen ecologische noodzaak en economische realiteit.


De natuursector waarschuwt echter voor papieren waanzin en een ernstig gebrek aan daadkracht binnen de huidige Vlaamse regering.
De huidige ambities lijken onbestaand, aangezien de regering-Diependaele vooral een rollend programma van de vorige legislatuur beheert.
Ondertussen heeft de regering de financiële kraan voor de toekomst van de ontsnipperingsprojecten volledig dichtgedraaid.
De strijd om de verzoening tussen economie en ecologie wordt in het parlement met grote woorden gevoerd door partijen als N-VA en CD&V.


Op het terrein dreigt echter totale stilstand door een gebrek aan eigen dadendrang en het volledig ontbreken van nieuwe middelen.
Zonder nieuwe investeringen blijven de Europese natuurhersteldoelen voor 2030 een onhaalbare kaart en de ecoducten slechts tekeningen op een verouderde kaart.
Vlaanderen staat voor een cruciale keuze waarbij het moet beslissen of het echt investeert in de natuur van de toekomst of enkel restanten uit het verleden beheert.

François Eennaes: Een ontmoeting met de blauwborst in al zijn pracht

François Eennaes: Een betoverende ontmoeting met de blauwborst in al zijn pracht

Hoewel we recent al een boeiende reportage van Frank Vermeiren over de blauwborst mochten inzien, konden we het absoluut niet over ons hart verkrijgen om de werkelijk schitterende foto's van François Eennaes niet met jullie te delen.
Deze vogel is een ware explosie van kleur, beschikt over een buitengewoon fraaie zang en is een directe familie van de nachtegaal, wat zijn muzikale talenten direct verklaart.
De blauwborst is een absolute favoriete vogelsoort van velen en dat is natuurlijk niet zonder gegronde reden.


In het voorjaar, en eigenlijk ook alleen gedurende die specifieke periode, laat deze vogel zich vrij makkelijk aan het menselijk oog zien.
Het is nu april en ervaren vogelaars weten dan instinctief: het is weer blauwborstentijd aangebroken.
Dit is het uitgelezen moment van het jaar, want nu moet je hem simpelweg zien en horen voordat hij weer in de luwte verdwijnt.
De blauwborst overwintert weliswaar niet in de regio van de Voorkempen, maar hij trekt aan de andere kant nou ook weer niet zo heel erg ver weg naar het diepe zuiden.
In de zilte kwelders en vochtige moerassen van Portugal kun je ze in de wintermaanden namelijk al waarnemen, net zoals dat in de natuurgebieden van Marokko het geval is.
Sommige vastberaden blauwborsten maken echter een veel grotere reis en wagen de hachelijke oversteek naar de gebieden diep beneden de Sahara.


In de maand maart komt de grote bulk aan blauwborsten weer terug uit hun winterverblijven om in de Voorkempen aan te komen.
Het lijkt er sterk op dat ze onder invloed van de wereldwijde klimaatverandering elk jaar steeds iets vroeger op hun broedplaatsen arriveren.
Zeker in de recordwarme maand maart van het jaar 2024 waren de vogels er opvallend vroeg bij om hun plekje te claimen.
De blauwborst is in wezen een kleine zangvogel die nagenoeg dezelfde compacte bouw bezit als de welbekende roodborst.
Het mannetje is de meest opvallende van de twee met zijn helderblauwe keel en bovenborst waarin een karakteristieke witte vlek prijkt.
Direct onder dat intense blauw heeft hij bovendien een smalle, zwart-witte band en een daaropvolgende bredere oranje band die zijn borst siert.
Het vrouwtje moet het zonder die opvallende kleurtekening stellen.
Zij heeft op die plek enkel een bescheiden en onopvallend zwart bandje.
De jonge vogel is in het begin bijna volledig zwartachtig van kleur met kleine witte vlekjes, maar bezit gelukkig al wel het voor de soort zo kenmerkende staartpatroon.
Blauwborsten hebben een uitgesproken voorkeur voor gevarieerde, natte en zeer insectenrijke gebieden die voorzien zijn van open delen.
Ze gedijen het beste in een omgeving met een gezonde struweel- en loofboombegroeiing, mits de bodem niet geheel bedekt is door vegetatie.


Vooral de geleidelijke, natuurlijke overgang van uitgestrekte rietmoerassen naar vochtig moerasbos vormt voor hen een werkelijk uitstekend leefgebied.
De zang van de blauwborst is op zichzelf heel kenmerkend, maar voor de beginnende vogelaar is hij toch niet zo heel makkelijk te herkennen of te onderscheiden.
Dat komt hoofdzakelijk door de vele knappe imitaties van andere vogels die hij moeiteloos in zijn eigen zangpartijen verwerkt.
Dit zijn vaak de geluiden van de ‘buurvogels’ die hij gedurende zijn verblijf in onze streken veelvuldig om zich heen hoort.
Wie hem aan de oever van het Stappersven in de Kalmthoutse Heide hoort zingen, zal in zijn lied bijvoorbeeld de kenmerkende roep van de grote stern herkennen.
Op een andere locatie, bijvoorbeeld in een poldergebied, verwerkt hij dan weer moeiteloos de roep van de grutto’s in zijn melodie.
Het blauwborstmannetje begint zijn dagelijkse zang vaak vanuit de veilige dekking van het struikgewas.
Heel langzaam, en steeds onderbroken met korte pauzes, klimt hij dan stapsgewijs op in een struik tot hij op een strategische en opvallende plek gaat zitten.
Zachte, ratelende geluiden worden daarbij afgewisseld met kristalheldere klanken en dus af en toe een geleend geluid van een totaal andere vogelsoort.
Tijdens de voordracht versnelt de zang ook telkens een klein beetje, wat zorgt voor een dynamisch geheel.
Het is zonder twijfel een mooie zang, al is deze bij nader inzien toch net niet zo imponerend als die van zijn naaste verwant, de nachtegaal.


Met wat geduld zie je de blauwborstman regelmatig een prachtige zangvlucht maken.
Hij schiet dan plotseling een stukje omhoog uit de begroeiing en dwarrelt daarna met gespreide vleugels en staart snel weer naar beneden.
Zijn staart heeft een zeer opvallende bruinrode basis en precies op dat moment komt die kleur natuurlijk schitterend tot zijn recht.
Als de blauwborst er echt zin in heeft en zich onbespied waant, zit hij soms minutenlang volledig vrij op een tak te pronken.
Wanneer de zon vol op zijn verenpak schijnt, zie je de glans van het intense blauw van de borst dat in felheid niet onderdoet voor die van de ijsvogel.
Precies midden op die blauwe borst zie je dan de witte vlek die onze lokale ondersoort — de ‘witgesterde’ blauwborst — onderscheidt van de ‘roodgesterde’ blauwborst.
Die laatste ondersoort is bij ons een uiterst zeldzame verschijning als doortrekker op weg naar Scandinavië en wordt dan pas veel later, in mei, gezien.

Na deze uitbundige periode volgt het 'leven in de onderwereld': in de loop van het voorjaar, zo vanaf eind april, neemt de zang namelijk snel af in intensiteit.
De blauwborst trekt zich vanaf dat moment vrijwel geheel terug in zijn verborgen wereld, dicht op de grond.
Hij leeft dan diep in de onderwereld van het dichte rietland, in een vochtige wilgengriend of in de ruigte langs een vergeten sloot.
Ook in het dichte struweel van kruipwilg en duindoorns voelt hij zich thuis, want dat is de plek waar ze de rest van de zomer verblijven.
Daar zoeken de blauwborsten hun dagelijkse voedsel op de grond, waarbij ze net zo parmantig lopen als een lijster dat zou doen.
Ze worden daarbij enorm geholpen door hun relatief grote ogen, want in die dichte vegetatie kan het vaak best wel donker zijn.
Op datzelfde grondniveau maken ze bovendien in alle beslotenheid hun nest om hun kroost groot te brengen.
In de nazomer zie je heel soms nog wel eens een blauwborst verschijnen wanneer ze vanuit het veilige riet even kortstondig op een slikrand lopen te zoeken.
In september is het echter weer echt gedaan met de pret; de blauwborsten trekken dan weg en we moeten weer een heel jaar wachten tot het volgende voorjaar voor een nieuwe kans.

Houtkanten met een glimlach: Gie Campo en Wouter Patho ontvangen Groene Duim

"Et alors?”: Wouter Patho en Gie Campo bekroond op inspirerende natuuravond in Malle



Houtige kleine landschapselementen (KLE’s) komen voor in vele verschijningsvormen.
Bomenrijen, houtkanten en hagen (in het Engels gebruikte termen: ‘tree rows’, ‘hedgerows’, ‘hedges’…) zijn termen die vaak als synoniemen worden gebruikt.
Het zijn dan ook allemaal lineaire aanplanten van houtige vegetatie die sterk op elkaar kunnen gelijken.


Hun naamgeving wordt vaak niet consistent gebruikt in publicaties, want deze is onderhevig aan verschillen in taal en tradities.
Houtkanten, hagen, bomenrijen en solitaire bomen – ook wel houtige kleine landschapselementen (KLE’s) genoemd – sieren al eeuwenlang het Vlaamse landschap.
Het gebruik van houtkanten in Vlaanderen (en in andere landbouwregio’s in West-Europa) gaat vér terug in de tijd, historisch pollenonderzoek leidt ons tot in de prehistorie.


KLE’s hadden vroeger tal van functies.
Ze omheinden akkers en weilanden waarbij ze dienden als eigendomsgrens, windscherm, doornige veekering of waar ze beschutting boden voor het vee.
Ze hielpen weilanden draineren en leverden allerlei producten zoals brandhout, geriefhout, vruchten en eetbare planten.


In het midden van de 15e eeuw werden houtkanten en bomenrijen aangeplant rond percelen en langs wegen omwille van de nood aan brandstof na de uitputting van de turfvoorraden.
Houtkanten in hakhout hielden stuifzand vast rond akkers in de stuifduinen, en bij de ontginning van de ‘woeste gronden’ werd het water afgevoerd via grachten en houtkanten.


Op de Ferrariskaarten, opgemaakt in de periode tussen 1771 en 1778, staan dan ook heel wat KLE’s in het Voorkempens landschap.
Vlaanderen was in de achttiende eeuw nog één groene zone met weinig bebouwing.
De landschappen krioelden van bomenrijen, grote of kleine bosjes, hagen en houtkanten langs wegen, percelen of erven.


Ze pasten in de manier waarop de mens met zijn omgeving omging.
Vandaag staat al dat levend erfgoed weer volop in de belangstelling.
We hebben het hard nodig voor een meer duurzame inrichting van onze leefomgeving, om de biodiversiteits- en de klimaatcrisis aan het pakken en om de landschapskwaliteit te verhogen.
Ook Onroerend Erfgoed draagt bij tot deze landschapszorg, die door velen gedragen wordt.


Door na te gaan waar bosuitbreiding of heraanplant van hagen, houtkanten en bomenrijen cultuurhistorisch wenselijk of het best op zijn plaats is, creëren we kansen om aan landschapsherstel te doen.
De oorzaken van deze achteruitgang in de Voorkempen (en in de rest van Vlaanderen) zijn velerlei.


Onze KLE’s zijn aan ‘populariteit’ verloren door het verdwijnen van hun ‘traditionele’ functies.
Houtoogst werd minder belangrijk voor de landbouwer en particulier, veekeringen werden vervangen door prikkeldraad, en weilanden werden gedraineerd via het plaatsen van drainagebuizen, zonder dat er nog bomen aan te pas kwamen.


Door de verdere mechanisering van de landbouw, waarbij het meeste werk kon gebeuren met machines en mankracht niet meer de beperkende factor was, kon een groter aandeel grond bewerkt worden en moesten niet-productieve elementen zoals KLE’s dus wijken.

KLE’s hebben bovendien sterk te lijden gehad onder de ruilverkavelingen in de jaren ’70, waarbij kleinere percelen opgingen in grotere en de perceelsgrenzen met bomen en struiken verwijderd werden.
Ook de verstedelijking in Vlaanderen eist steeds meer landbouwgebied op, waarbij o.a. ook KLE’s sneuvelen.


In heel wat studies is aangetoond dat KLE’s de landschappelijke biodiversiteit ondersteunen en versterken, ook als ze maar een klein deel van het landschap innemen.
Het grote belang van een beperkt aantal bomen in een landschap op vlak van biodiversiteit wordt ook wel de "keystone tree-hypothese" genoemd, die intussen voor heel wat soortengroepen werd aangetoond: landbouwlandschappen mét bomen ondersteunen de biodiversiteit in veel hogere mate dan landbouwlandschappen zonder bomen.





De abundantie van plantensoorten, geleedpotigen en vertebraten is er 60% tot wel 430% hoger, en de totale soortenrijkdom 50% tot wel 100% (Prevedello et al. 2017).
KLE’s worden dan ook erkend als belangrijke habitats én refugia voor planten en dieren.
Ook uit onderzoek gevoerd in de provincie Antwerpen blijkt de belangrijke rol van KLE’s op vlak van plantenbiodiversiteit.
Bijna de helft (45%) van de plantensoorten in het buitengebied komt voor in het netwerk van KLE’s, hoewel dit netwerk slechts 1% van de landoppervlakte beslaat.
In de kruidlaag van KLE’s vinden we veel algemene soorten (zogenaamde generalisten), maar ook enkele specialistische soorten komen ervoor.
Zowel lichtminnende soorten als meer schaduwtolerante soorten vinden er een habitat.
Op woensdagavond 1 april 2026 vormde de Heemkundige Kring van Malle het decor voor een academische en tegelijkertijd zeer inspirerende bijeenkomst, waar een talrijk publiek van natuur- en erfgoedliefhebbers samenkwam voor de lezing 'Sporen van vroeger, kansen voor morgen'.


Tijdens deze avond gaf Domien Van Dijck, landschapsmedewerker bij Regionaal Landschap de Voorkempen, een indringend inzicht in de cruciale rol van ons historisch landschap.
Hij legde haarfijn uit hoe traditionele elementen, zoals hagen en houtkanten, niet louter relikwieën uit het verleden zijn, maar de fundamentele basis vormen voor een weerbaar en klimaatbestendig ecosysteem.
Hij wees erop dat deze elementen essentieel zijn om de effecten van de klimaatcrisis op te vangen door hun koelende werking en waterregulerende functies.


Deze kleine landschapselementen fungeren immers als natuurlijke buffers tegen de gevolgen van klimaatverandering en spelen een vitale rol bij het herstel van de lokale biodiversiteit.
De wortels van deze struiken en bomen zorgen bovendien voor een betere bodemstructuur en voorkomen erosie bij hevige regenval.
Deze visie sluit naadloos aan bij de strategische ambities van natuurvereniging GroenRand, die tijdens de bijeenkomst haar langetermijnvisie voor de regio presenteerde.
Voorzitter Pieter Haagdorens lichtte toe hoe de vereniging ernaar streeft om de Antitankgracht te transformeren tot de centrale groene ruggengraat van de Voorkempen.
De Antitankgracht moet een ononderbroken natuurlint worden dat zich als een groene long door het landschap slingert.
Door middel van een fijnmazig netwerk van houtkanten en veilige faunapassages wil GroenRand versnipperde bosfragmenten en beekvalleien met elkaar verbinden tot één doorlopende dierenautostrade.
Om deze ambitie kracht bij te zetten, heeft de vereniging een formeel schrijven gericht aan elf gemeenten binnen de regio — Zoersel, Malle, Schilde, Brecht, Ranst, Brasschaat, Schoten, Kapellen, Stabroek, Kalmthout en Wuustwezel.
In dit schrijven werden de gemeentebesturen uitgenodigd om actief deel te nemen aan de subsidieoproep van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) binnen het ambitieuze Vlaamse Houtkantenplan.

Het Houtkantenplan van de VLM is specifiek in het leven geroepen om de aanplant, het herstel en het duurzaam beheer van houtkanten in heel Vlaanderen te stimuleren via gerichte financiële injecties.
De Vlaamse Landmaatschappij erkent dat lokale besturen de sleutel in handen hebben om op het terrein echt een verschil te maken voor de open ruimte.
Het doel van GroenRand is de realisatie van 100 kilometer aan nieuwe groene linten, die als essentiële levensaders dienen voor het voortbestaan en de migratie van talloze diersoorten.


Pieter benadrukte dat deze subsidies een unieke kans bieden voor gemeenten om hun eigen klimaatdoelstellingen sneller te behalen met externe steun.
Als erkenning voor bewezen beleidsmatige inzet werd schepen van Milieu Wouter Patho geëerd met een Groene Duim.
Onder zijn impuls werd in Malle via een LEADER-project reeds 1,6 kilometer aan nieuw groen gerealiseerd.
LEADER-projecten zijn lokale ontwikkelingsstrategieën die door Europa en Vlaanderen worden gesteund om het platteland op een innovatieve manier te versterken.


In Malle vormde dit project de eerste concrete stap richting de ambitieuze gemeentelijke doelstelling van 8 kilometer haag en de aanplant van 16.000 bomen tegen 2030.
De schepen gaf aan dat de medewerking van landbouwers en privé-eigenaars cruciaal was voor het welslagen van dit eerste traject.
Naast deze beleidsmatige fundamenten was er ook aandacht voor de culturele verankering van het project.


Een tweede Groene Duim werd uitgereikt aan cartoonist Gie Campo, beter bekend als Gier, voor zijn decennialange inzet en zijn artistieke bijdrage aan het project Bijtandje-Houtkantje.
Gier, die het iconische logo ontwierp waarbij tanden symbolisch zijn vervangen door groen, bracht zijn visie op ludieke wijze tot leven als een levende cartoon.
Hij legde uit dat kunst en humor drempels kunnen verlagen om mensen te betrekken bij ecologische thema's.


Met zijn kenmerkende houtkanter-hoed en de gevatte uitspraak "Et alors?" benadrukte hij dat de noodzakelijke strijd voor natuurherstel ook gepaard mag gaan met optimisme en een relativerende lach.
Door de figuur van de 'Houtkanter' te introduceren, gaf hij het landschapsbeheer een menselijk en sympathiek gezicht.
De avond werd in een sfeer van gedeelde gedrevenheid en constructieve dialoog afgesloten met de overhandiging van een pakket Westmalle Trappist aan de laureaten.
Deze lokale verankering met het streekproduct onderstreepte de band tussen de natuurlijke omgeving en de cultuur van de Voorkempen.
De Trappist vormde het startschot voor een hechtere en ecologisch verbonden toekomst voor de gehele regio.
Nadien konden de aanwezigen nog genieten van een informele receptie waar nog vele plannen werden gesmeed voor toekomstige aanplantingen.
Met dit artikel hopen we dat nog meer burgers en beleidsmakers de weg vinden naar de houtkant, de stille held van ons landschap.
Samen kunnen we van de Voorkempen een voorbeeldregio maken voor een groen en leefbaar Vlaanderen.