donderdag 26 februari 2026

De wetenschappelijke noodzaak van een Robuuste Biodiversiteit in Vlaanderen en de Voorkempen

Een pact met de natuur: De wetenschappelijke noodzaak van een Robuuste Biodiversiteit in Vlaanderen en de Voorkempen



Foto's: Ingrid Boumans


De achteruitgang van de biodiversiteit in Vlaanderen is geen abstract ecologisch probleem voor natuurgebieden alleen.
Het is een prangende systeemcrisis die de fundamenten van onze samenleving en economie direct raakt.
Een interdisciplinaire groep wetenschappers van de KU Leuven stelt in de langverwachte visietekst 'Een robuuste biodiversiteit in Vlaanderen' dat biodiversiteit onze collectieve maatschappelijke levensverzekering is.
In plaats van natuur te zien als een luxe die we ons enkel permitteren in economisch voorspoedige tijden moeten we begrijpen dat een gezonde natuur de absolute basis is voor elke vorm van welvaart.
Biodiversiteit levert immers cruciale ecosysteemdiensten die onvervangbaar zijn voor de mens.
Ze zorgt voor ons voedsel via complexe bestuivingsprocessen en ze zuivert ons drinkwater via natuurlijke filtratie in de bodem.
Ze reguleert ons klimaat door koolstofopslag en beschermt ons tegen de uitbraak van nieuwe infectieziekten.


Toch staat deze biologische rijkdom onder zware druk door versnippering van het landschap en chemische vervuiling.
Het huidige beleid hinkt achterop bij de realiteit van de ecologische achteruitgang.
Om die te herstellen is een coherent totaalbeleid nodig met een langetermijnvisie.
Om dit cruciale debat op de politieke en maatschappelijke agenda te zetten vindt op vrijdag 20 maart van 14:00 tot 16:00 uur in de Aula Jean Monnet aan de Parkstraat 51 in Leuven de officiële voorstelling plaats van deze visietekst.
Dit evenement wordt georganiseerd door de interdisciplinaire denktank Metaforum van de KU Leuven. Het markeert een historisch moment in het Vlaamse natuurdebat omdat het de eerste keer sinds 2010 is dat deze werkgroep een dergelijke uitgebreide en transdisciplinaire update presenteert.

Onder de deskundige coördinatie van prof. Olivier Honnay (expert in plantkunde, conservatiebiologie en landbouwecologie) heeft een diverse werkgroep van academici samengewerkt om de kloof tussen wetenschappelijke inzichten en actueel politiek beleid eindelijk te dichten.
De kern van de presentatie draait om het feit dat de 40.000 soorten planten en dieren in onze dichtbevolkte regio direct bijdragen aan onze eigen levenskwaliteit.
De experts waarschuwen dat hoewel het aantal beschermde natuurgebieden in Vlaanderen formeel is toegenomen de algehele achteruitgang van soorten en de kwaliteit van hun leefgebieden nog niet is gestopt.
Daarom reikt de visietekst concrete oplossingsstrategieën aan om de basiskwaliteit van de natuur in heel Vlaanderen te verhogen.

Dit geldt expliciet ook voor gebieden buiten de strikt beschermde natuurreservaten.
Om de diepte van deze crisis te begrijpen wijst professor Robert Speijer (expert in biogeologie en paleoklimatologie) op de lessen uit de diepe tijd van onze aarde.
In de geologische geschiedenis zijn er vijf grote uitstervingsgolven geweest die vaak gedreven werden door natuurlijke klimaatverschuivingen.
De huidige zesde golf onderscheidt zich echter door de ongeziene snelheid waarmee deze zich voltrekt door menselijk handelen. Speijer benadrukt dat ecosystemen die miljoenen jaren nodig hadden om te ontwikkelen nu in slechts enkele decennia worden gedecimeerd.
Zijn onderzoek naar het verleden leert ons dat systemen onherroepelijk instorten wanneer de snelheid van verandering de snelheid van biologische evolutie inhaalt.
Deze evolutionaire veerkracht staat ook centraal in het werk van Filip Volckaert (aquatische ecologie en evolutie).
Hij waarschuwt dat we niet alleen naar het aantal soorten moeten kijken maar vooral naar de onderliggende genetische diversiteit.


In de sterk versnipperde waterlopen van Vlaanderen en de beken van de Voorkempen raken populaties vissen en waterorganismen geïsoleerd.
Zonder genetische uitwisseling verliezen ze hun vermogen om zich aan te passen aan de opwarming van het water of aan nieuwe toxische stoffen.
Een robuuste biodiversiteit is dus een dynamisch netwerk van genetische informatie die essentieel is voor onze eigen overleving in een veranderend klimaat.
Een ander vernieuwend aspect van de tekst is de koppeling tussen natuur en volksgezondheid via de 'One Health'-benadering van Raf Aerts en Ellen Decaestecker.

Zij tonen aan dat de menselijke gezondheid onlosmakelijk verbonden is met de gezondheid van het omringende ecosysteem. Decaestecker bestudeert via haar onderzoek naar biologie en gastheer-parasiet interacties hoe een biodiverse omgeving fungeert als een natuurlijke buffer tegen ziektes.
In een gedegradeerde natuur krijgen opportunistische ziekteverwekkers meer kans om over te springen op de mens.
Raf Aerts vult dit aan met harde data over de impact van groene ruimte op onze mentale en fysieke gesteldheid.
Zijn onderzoek wijst uit dat mensen in natuurrijke omgevingen minder last hebben van chronische stress en ademhalingsziekten.


De microbiële diversiteit in een gezond bos traint ons immuunsysteem vanaf de kindertijd.

De grootste uitdaging voor de biodiversiteit in Vlaanderen ligt echter in de interactie met de landbouw en economie.
Hier pleiten Olivier Honnay en Wannes Keulemans (plantenbiotechniek in de landbouw) voor een radicale koerswijziging.
Honnay benadrukt dat landbouwers zelf de eerste slachtoffers zijn van biodiversiteitsverlies door het wegvallen van natuurlijke plaagbestrijders.
Keulemans vult aan dat technologische innovatie in de landbouw hand in hand kan gaan met ecologie mits er een correct beleidskader is.
Samen met jonge stemmen uit de werkgroep zoals Justine Arkens en Jelle Van Den Berghe wordt gezocht naar een nieuw sociaal contract waarbij boeren eerlijk worden beloond voor hun rol als bewakers van de biodiversiteit.
Dat het beleid momenteel achterblijft komt volgens Johan Eyckmans (milieu-economie) door fundamentele marktfalingen.



De economische waarde van natuur zoals koolstofopslag of waterretentie staat momenteel niet op de financiële balans. Hierdoor lijkt de vernietiging van natuurgebieden economisch gratis terwijl de maatschappelijke kosten door overstromingen en droogte gigantisch zijn.
Johan De Tavernier (ethiek) voegt daar een morele dimensie aan toe door te stellen dat we een enorme ecologische schuld opbouwen bij toekomstige generaties.
Wanneer we deze academische visie vertalen naar de praktijk buiten de muren van de universiteit wordt de noodzaak van een gebiedsgerichte aanpak pijnlijk duidelijk.
Hier vormt de Voorkempen een cruciaal scharnierpunt en een levend laboratorium voor de principes uit de visietekst.
In deze regio ten oosten van Antwerpen botst de resterende natuurlijke rijkdom van kasteelparken en beekvalleien dagelijks met de oprukkende versnippering.
Binnen deze context zet de natuurvereniging GroenRand de academische principes om in tastbare projecten zoals het mee realiseren van een klimaatgordel rond Antwerpen.
Dit ambitieuze plan beoogt de verbinding van bos- en natuurgebieden en beekvalleien in de Voorkempen.
Een centraal onderdeel van hun werking is de bescherming van de Antitankgracht.
GroenRand ziet deze gracht als de robuuste ruggengraat van de regio.
Zij zorgt er ook voor dat de Schietvelden en de Kalmthoutse Heide verbonden worden tot het grootste heide- en vengebied van Vlaanderen.


Dit sluit naadloos aan bij de noodzaak voor ecologische connectiviteit waar Koenraad Van Meerbeek (conservatie-ecologie) voor pleit om ecosystemen weer zelfredzaam te maken.
Door beekvalleien te vrijwaren van intensieve bebouwing en in te zetten op vernatting wordt een buffer gecreëerd tegen de klimaatveranderingen waar Robert Speijer voor waarschuwt.
De officiële presentatie op 20 maart biedt een unieke kans om deze transdisciplinaire aanpak tastbaar te maken.
Naast de wetenschappelijke uiteenzetting is er ruim de tijd voor een maatschappelijk debat waarbij de auteurs in dialoog gaan met het publiek.
Het evenement biedt een kans om de allernieuwste inzichten te horen voordat ze officieel worden vertaald naar overheidsbeleid.
De middag wordt afgesloten met een receptie waar gelegenheid is voor netwerken en informele gesprekken.
Vanwege de catering en de beperkte capaciteit van de Aula Jean Monnet is voorafgaande registratie verplicht via de website van Metaforum - KU Leuven. Investeren in een robuuste biodiversiteit is geen overbodige luxe maar de enige weg naar een veilige toekomst voor ons allemaal in Vlaanderen.

Opiniestuk GroenRand: Het vergiftigde glas

Waarom ons kraantjeswater en de natuur op een kruispunt staan

Het drinken van een glas water uit de kraan lijkt in Vlaanderen de normaalste zaak van de wereld.
We gaan er allemaal van uit dat dit water streng gecontroleerd wordt en dat het een gezond en goedkoop alternatief is voor flessenwater uit de winkel.
Toch is er achter de schermen een zorgwekkende strijd aan de gang over de kwaliteit van ons water.
De Europese organisatie Pesticide Action Network ook wel PAN Europe genoemd heeft onlangs alarm geslagen over een vervuiling die jarenlang onopgemerkt bleef.
Het gaat om de stof TFA. Natuurvereniging GroenRand adviseert om deze ontdekking serieus te nemen omdat het een dieper probleem laat zien waarbij ons landschap is uitgeput en de natuurlijke filtersystemen verzadigd zijn. Het glas water op onze keukentafel is hiermee de ultieme graadmeter geworden voor de gezondheid van ons volledige ecosysteem.
TFA is een restproduct van bepaalde pesticiden en gassen uit koelsystemen.
Het behoort tot de groep van de forever chemicals. Dat zijn chemische stoffen die door mensen zijn gemaakt en die in de natuur bijna niet afbreken.
Terwijl we de laatste jaren veel hoorden over PFAS in de grond bij fabrieken bleef TFA lange tijd buiten de schijnwerpers.
De bron van deze vervuiling ligt voor een groot deel bij de moderne landbouw. Wanneer boeren bepaalde sproeistoffen gebruiken breken die in de bodem af tot TFA.
Natuurvereniging GroenRand wil mensen ervan overtuigen dat we hiermee de grenzen van wat de natuur aankan hebben bereikt.
In een groot Europees onderzoek van PAN Europe uit 2024 werd kraantjeswater in elf landen getest.
De resultaten waren schokkend omdat in maar liefst 94 procent van de monsters TFA werd gevonden.
Gemiddeld zat er 740 nanogram per liter in het water maar op sommige plekken was dat zelfs meer dan 4000 nanogram.
Zelfs in flessenwater uit de winkel werd de stof gevonden.
PAN Europe spreekt van de grootste vervuiling door mensen die ooit op deze schaal is vastgesteld.
Het grote gevaar is dat TFA heel makkelijk met water meereist en zo rechtstreeks in de bronnen van ons drinkwater terechtkomt.
Een concreet voorbeeld van deze problematiek vinden we in de Voorkempen. In deze regio wordt op grote schaal maïs gekweekt omdat er veel melkveehouderijen gevestigd zijn.
Volgens informatie van Melkvee.nl dient snijmaïs als het belangrijkste energierijke wintervoer voor het vee.
De lokale zandgronden zijn hiervoor erg geschikt omdat ze in het voorjaar snel opwarmen en dit bevordert volgens de Haifa Groep een vlotte kieming van de zaden. Bovendien biedt maïs volgens LG Seeds per hectare een zeer hoge opbrengst aan voedingswaarde wat cruciaal is voor de bedrijfsvoering van de boeren.
Het gewas is ook populair omdat het efficiënt grote hoeveelheden organische mest kan verwerken.
Landbouwers kunnen zo hun eigen meststoffen nuttig aanwenden op hun akkers zoals wordt ondersteund door B3W Vlaanderen.
Bij de teelt van deze maïs en granen wordt echter veelvuldig gebruikgemaakt van de onkruidbestrijder flufenacet.
Dit middel staat momenteel zwaar ter discussie omdat het extreem snel afbreekt tot TFA.
Hoewel de onkruidbestrijder zelf verdwijnt is TFA een uiterst stabiele PFAS variant die niet verder afbreekt in het milieu.
Door de zeer hoge mobiliteit spoelt deze stof gemakkelijk uit naar het grondwater en het oppervlaktewater.
Dit vormt een direct gevaar voor de drinkwaterkwaliteit aangezien TFA met de huidige zuiveringstechnieken vrijwel niet uit het water te filteren is.
GroenRand probeert hierin te bemiddelen door te wijzen op de risico s voor de kwetsbare ecosystemen van de Voorkempen.
De aanwezigheid van TFA in de natuur is zorgwekkend voor zowel planten als dieren.
Planten nemen de stof op via hun wortels en stapelen deze in hun bladeren waardoor het de voedselketen binnendringt.
Bij proefdieren zijn bij blootstelling al schadelijke effecten op de lever en de schildklier vastgesteld.
Wat betreft de genetische gevolgen en de fertiliteit zijn de recente conclusies van de EFSA oftewel de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid alarmerend.
Flufenacet wordt nu geclassificeerd als een stof die schadelijk is voor de vruchtbaarheid en de ontwikkeling van het ongeboren kind kan verstoren.
Vanwege deze risico s voor de volksgezondheid en het feit dat TFA als een persistente vervuiler overal in de watercyclus cumuleert heeft de EFSA geadviseerd de Europese goedkeuring voor dit herbicide in te trekken.
Naast flufenacet identificeerde PAN Europe nog vier andere schadelijke PFAS pesticiden die verantwoordelijk zijn voor de TFA last zoals diflufenican en fluazinam en lambda cyhalothrin en trifloxystrobin.
De regels voor het toelaten van deze stoffen hebben jarenlang niet gekeken naar wat er gebeurt als de producten afbreken waardoor bedrijven middelen konden verkopen waarvan de gevolgen nooit goed zijn onderzocht.
Deze Europese ontdekkingen zorgen ook in Vlaanderen voor een heftig debat en dat is nergens zo duidelijk als in de Westhoek.
De huidige situatie daar waar tijdelijke afwijkingen van de drinkwaternormen noodzakelijk zijn om de bevoorrading te garanderen is geen technisch incident maar een symptoom van een dieper liggend probleem in ons landschapsbeheer.
Wanneer de overheid de normen voor nitraat of gewasbeschermingsmiddelen moet versoepelen rond cruciale spaarbekkens zoals De Blankaart kijken we naar een ecosysteem dat de grens van zijn belastbaarheid heeft bereikt.
Terwijl Vlaams minister van omgeving Jo Brouns in het parlement zegt dat het water vandaag en morgen veilig is en dat er geen enkel compromis op vlak van gezondheid wordt gemaakt maken parlementsleden Mieke Schauvliege en Hannes Anaf en Eva Ryde zich grote zorgen.
In steden zoals Diksmuide en Ieper en Harelbeke worden op dit moment hoeveelheden triazolen in het water toegelaten die tot tien keer hoger liggen dan de algemene Europese richtlijn. Triazolen zijn restproducten van schimmelwerende pesticiden.
Waar de normale grens 0,1 microgram is wordt daar nu tijdelijk 1,0 microgram toegestaan.
In plekken zoals Zillebeke werden waarden gemeten die veel hoger liggen dan de streefwaarden in buurlanden zoals Nederland. GroenRand adviseert om deze signalen serieus te nemen omdat ze laten zien dat we de natuurlijke veerkracht van ons landschap hebben opgeofferd aan kortetermijnbelangen.
Wanneer chemische stoffen en te veel meststoffen zoals nitraat en fosfor in onze waterlopen terechtkomen zijn planten en wilde dieren de eerste slachtoffers.
Zij beschikken immers niet over de geavanceerde filtersystemen van de watermaatschappijen.
Terwijl de mens technologie kan inzetten om vervuiling tijdelijk te maskeren leven wilde dieren direct in de vervuilde stroom.
Via een proces dat bio accumulatie wordt genoemd stapelen gifstoffen zich op in de voedselketen.
Het begint bij piepkleine waterorganismen en gaat via vissen naar de toppredatoren zoals de ijsvogel of de otter (symbool van GroenRand).
Deze dieren fungeren als de spreekwoordelijke kanarie in de koolmijn voor ons.
Ze krijgen de geconcentreerde cocktail van hun volledige leefomgeving binnen via hun voedsel.
Dit leidt tot sluipende ecologische schade zoals ernstige voortplantingsproblemen en een verzwakt immuunsysteem waardoor populaties die we met veel moeite hebben hersteld opnieuw dreigen te imploderen.
De ijsvogel en de otter zijn hierbij belangrijke graadmeters voor een gezonde waterloop.
De natuurlijke balans raakt hierdoor fundamenteel verstoord waarbij de weerstand van het gehele ecosysteem afneemt. Tegelijkertijd zorgt vermesting of eutrofiëring voor een explosieve algenbloei die de zuurstof uit het water rooft.
Wanneer deze algen afsterven worden ze door bacteriën afgebroken in een proces dat alle beschikbare zuurstof verbruikt.
In deze verstikte omgeving stikken vissen en stort de biodiversiteit in de beek volledig in.
Een beek die vroeger vol leven zat verandert zo in een troebele dode stroom waar de vervuiling in de modder blijft zitten.
Zelfs als de directe lozing stopt blijft de erfenis van het verleden nog decennialang nawerken door een proces dat interne bemesting wordt genoemd waarbij nutriënten en pesticiden telkens opnieuw uit de waterbodem vrijkomen bij beroering van het slib.
De bodem speelt een cruciale rol in dit hele verhaal en wordt vaak onderbelicht. Normaal gesproken werkt een gezonde bodem vol organisch materiaal en micro organismen als een grote spons en een filter.
Zo een bodem heeft een groot zelfreinigend vermogen en kan schadelijke stoffen tegenhouden of afbreken voordat ze het diepe grondwater bereiken.
Maar door jarenlang te veel te bemesten en te veel pesticiden te gebruiken is die natuurlijke filter verzadigd.
In plaats van het water schoon te maken laat de bodem de vervuiling nu gewoon door naar het grondwater.
GroenRand waarschuwt ook dat de bodem op veel plekken te hard is aangedrukt door zware machines en verstedelijking.
Hierdoor verdwijnt de sponswerking en kan het regenwater niet meer in de grond trekken.
Het stroomt in plaats daarvan rechtstreeks naar de beken en neemt onderweg alle pesticiden en meststoffen van de velden mee die anders door de bodem opgevangen hadden kunnen worden.
Dit past binnen de gedachte van One Health die zegt dat de gezondheid van mensen en dieren en de natuur een ondeelbaar geheel vormen.
We kunnen onszelf niet isoleren van een zieke omgeving aangezien de stoffen die de otter onvruchtbaar maken vaak dezelfde stoffen zijn die wij met steeds grotere moeite uit ons eigen drinkwater moeten filteren.
Wetenschappers zoals professor Pieter Spanoghe van de Universiteit Gent en toxicoloog Greet Schoeters waarschuwen voor het cocktaileffect.
Dit betekent dat de wetenschap stoffen vaak per stuk beoordeelt maar dat de consument in de praktijk een mengsel binnenkrijgt van triazolen en verschillende soorten PFAS en het moeilijk filterbare TFA.
Er is nog onvoldoende data over hoe deze stoffen elkaars schadelijkheid versterken en wat dit op de lange termijn met onze hormonen doet.
Dit gebrek aan kennis is de reden waarom experts aanraden om voor kwetsbare groepen zoals baby s en peuters voorzichtig te zijn met kraantjeswater voor flesvoeding als de normen worden overschreden.
De economische kant van het verhaal is pijnlijk voor de maatschappij.
De kosten om ons drinkwater schoon te maken stijgen naarmate de kwaliteit van de bronnen in de natuur verslechtert. Waterbedrijven moeten nu miljoenen investeren in peperdure technieken zoals omgekeerde osmose.
We negeren hierbij de enorme economische waarde van ecosysteemdiensten.
Natuurlijke waterzuivering via rietvelden en moerassen en overstromingsgebieden is niet alleen ecologisch superieur maar op de lange termijn ook veel goedkoper dan industriële zuivering. Rietvelden werken als krachtige filters die afvalwater zuiveren en een buffer vormen tegen vervuiling uit de landbouw en industrie. Ze bieden bovendien een essentieel leefgebied voor wilde dieren zoals de roerdomp die gezond rietland nodig heeft.
Een hectare gezond moeras kan gigantische hoeveelheden stikstof en fosfor uit het water filteren zonder dat daar dure chemicaliën of elektriciteit voor nodig zijn.
Door deze natuurlijke infrastructuur af te breken ten voordele van intensieve exploitatie hebben we een gratis dienst van de natuur vervangen door een peperduur technisch systeem.
Het herstellen van kronkelende beken en natte natuurgebieden helpt bovendien als een buffer tegen zowel droogte als overstromingen wat de economische schade door klimaatverandering beperkt.
Het debat over ons drinkwater gaat dus eigenlijk over hoe we onze hele leefomgeving inrichten.
We kunnen dit probleem niet simpelweg oplossen met grotere pompen of tijdelijke uitzonderingen op de regels van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Zolang we de natuurlijke sponswerking van het landschap niet herstellen en de instroom van schadelijke stoffen aan de bron niet aanpakken blijven we dweilen met de kraan open.
Het herstellen van bufferstroken langs waterlopen en het herwaarderen van natte natuurgebieden en het bevorderen van een gezonde bodemstructuur zijn geen luxe ingrepen voor natuurliefhebbers maar noodzakelijke investeringen in onze eigen basisbehoeften.
Een landschap dat de natuur vergiftigt wordt uiteindelijk ook voor mensen ongezond om in te wonen.
De transitie naar een landschapsbeheer dat de ecologische grenzen respecteert en gebruikmaakt van de kosteloze kracht van de natuur is de enige weg naar een duurzame en betaalbare en gezonde drinkwatervoorziening voor de generaties die na ons komen.
Hier wil GroenRand vooral op inzetten.

Wetenschappelijke Bronvermelding en Referenties
PAN Europe 2024 TFA The Forever Chemical in the Water We Drink.
PAN Europe 2024 PFAS Pesticides The Invisible Rise of TFA in Europes Waters.
EFSA 2024 Peer Review of the Pesticide Risk Assessment of Flufenacet.
Vlaamse Milieumaatschappij VMM PFAS in Drinkwater en Status Oppervlaktewater Westhoek.
Natuurvereniging GroenRand:
dossier on ecosystem services and landscape restoration

woensdag 25 februari 2026

Ingrid Boumans in De Inslag: Waar militair erfgoed en prille lente elkaar ontmoeten

Ingrid Boumans in De Inslag: Waar militair erfgoed en prille lente elkaar ontmoeten

Wanneer Ingrid Boumans de eerste stappen zet op de statige dreven van De Inslag valt de stilte als een warme deken over haar heen.
Deze kaarsrechte lanen met hun hoogopgaande bomenrijen getuigen nog van het rijke verleden van het domein als onderdeel van het kasteelpark.
De takken van de zomereiken zijn nog kaal en steken scherp af tegen de grijze februari-lucht maar in de luwte van de dreef ziet Ingrid de eerste subtiele tekenen van het vroege voorjaar.


Ze stelt haar camera scherp op een glinsterende dauwdruppel die aan een brugleuning hangt.
Niet veel verder trekt een zacht geritsel haar aandacht bij een oude en knoestige eik langs de dreef.

Door haar zoomlens ziet ze een koolmees die behoedzaam een boomholte verkent.
Het vogeltje wipt nerveus naar binnen en buiten terwijl het de diepte van de holte inspecteert als een potentiële nestplaats voor de vroege broedperiode.

In de ondergroei tussen de dode bladeren ontdekt Ingrid de eerste witte spikkels van sneeuwklokjes die dapper de kou trotseren en de prille knoppen van het speenkruid die ongeduldig wachten op de eerste echte warmte.
Hier in dit 149 hectare grote staatsdomein beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos lijkt de tijd op een bijzondere manier gestold terwijl het ecosysteem tegelijkertijd koortsachtig werkt aan zijn eigen herstel.
Ingrid wandelt in de richting van de Antitankgracht en door haar zoeker ziet ze het strakke en dertig meter brede wateroppervlak dat als een kaarsrecht lint door het landschap snijdt.

Op het kalme water dwarrelt een vrouwtjeseend traag met de lichte stroming mee.
Het dier lijkt bijna te mijmeren terwijl het geniet van de eerste milde zonnestralen die over de kabbelende rimpelingen dansen als een voorteken dat de lente eindelijk op komst is.

Voor een ongeoefend oog is dit een idyllische waterloop maar Ingrid weet dat ze kijkt naar een monumentaal militair litteken.
Dit traject werd tussen 1937 en 1939 met de hand uitgegraven als een wanhopige verdedigingslinie tegen de naderende tankdivisies van nazi-Duitsland.



De gracht was echter nooit een statisch waterpunt want het was een technisch vernuftig systeem van compartimentering.
Omdat het terrein in de Voorkempen een natuurlijk verval van dertien meter kent werd de gracht opgedeeld in secties door middel van vijftien sluisbunkers die Ingrid nu als grijze wachters in het groen ziet opduiken.


Ze houdt halt bij een van deze bunkers die een architecturaal hoogstandje van gewapend beton uit het interbellum vormt.
Ingrid fotografeert de smalle schietgleuven en de pokdalige wanden van soms wel twee meter dik die gebouwd zijn om zware artillerie te weerstaan.

Het is een paradoxaal beeld omdat deze constructies ooit ontworpen zijn voor oorlog en inundatie maar nu de ultieme rustplaats bieden voor honderden vleermuizen.
Terwijl ze een detailopname maakt van de overwoekerde betonstructuur denkt ze aan de jaarlijkse tellingen die bevestigen dat de watervleermuis en de zeldzame grootoorvleermuis hier hun veilige haven hebben gevonden.
De constante temperatuur en luchtvochtigheid binnen deze massieve muren zijn cruciaal voor hun overleving tijdens de laatste koude nachten van februari.

Sinds de erkenning als beschermd landschap in 1994 is de gracht getransformeerd van een dodelijke barrière naar een vitale migratieroute voor fauna zoals de boommarter en het reewild die dit ononderbroken groen-blauw lint gebruiken om zich tussen de versnipperde boskernen van de regio te verplaatsen.

Tijdens een wandeling langs de geschiedenisrijke Antitankgrachtstuit Ingrid op een bijzonder schouwspel.
Op de oever ontdekt ze een aalscholver, een forse, donkere watervogel die roerloos met gespreide vleugels in de zon staat om zijn verenkleed te drogen.

Dit gedrag is kenmerkend voor de soort, omdat hun veren niet volledig waterafstotend zijn, wat hen helpt om dieper te duiken naar prooien zoals baars en snoek, die rijkelijk in deze wateren voorkomen.
Hoewel de aalscholver een rustige indruk maakt, is de vogel uiterst waakzaam en gevoelig voor verstoring.
Zodra Ingrid een fractie te dichtbij komt, staakt de vogel zijn pose en kiest hij met krachtige, resolute vleugelslagen het luchtruim, waarbij hij met gestrekte hals laag over het wateroppervlak wegvliegt richting een veiligere plek. Wanneer de winter eindelijk bakzeil haalt en de dagen weer wat langer worden, zie je ze overal opduiken: die eigenwijze katjes.
Het zijn de allereerste tekenen van leven aan de nog kale takken en met hun pluizige looks kondigen ze de lente op de mooiste manier aan. Die zachte haartjes zijn er trouwens niet alleen voor de sier. Ze werken als een soort natuurlijke winterjas die de kwetsbare bloempjes binnenin beschermt tegen de venijnige nachtvorst die normaal gesproken nog op de loer ligt.

Maar nu men voor vandaag zelfs 18 graden voorspelt en de zon volop zal schijnen, gaan deze lentebodes pas echt helemaal los. Door die plotselinge warmte veranderen de wilgenkatjes razendsnel in felgele stuifmeelbommetjes waar de bijen massaal op af gaan.

De lange slierten van de hazelaar gaan door de zachte bries vrolijk bungelen om hun pollen te verspreiden, terwijl de berkenkatjes door deze temperatuurexplosie in recordtempo gaan zwellen en openspringen.
Het is een bizar maar prachtig gezicht om te zien hoe al die verschillende soorten door deze vroege warmte de natuur direct kleur gaan geven.
        
Langs de steile oevers ziet Ingrid plots een blauwe flits van een ijsvogel die vanaf een kale overhangende tak de gracht afspeurt.
Ze weet dat de waterkwaliteit hier nauwgezet wordt gemonitord door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM).
Hoewel de gracht historisch kampte met verontreinigd slib hebben recente saneringen het leefgebied van negen verschillende vissoorten hersteld.
Onder de waterspiegel schuilt de Europees beschermde kleine modderkruiper die rust in de slibrijke bodem terwijl de eerste groene scheuten van de gele plomp zich diep onder water voorbereiden op hun opgang.

Ingrid verlaat de waterkant en trekt dieper het bos van De Inslag in waar de ondergrond onder de schaduw van de dreven merkbaar verandert.
Haar schoenen zakken weg in de zachte strooisellaag van een humus-ijzerpodzol.
Deze zure en arme zandgrond is de motor achter het internationaal erkende wetenschappelijk onderzoek dat hier plaatsvindt.
Tussen de stammen door ziet ze de imposante en veertig meter hoge stalen meettoren van het ICOS-netwerk boven de boomtoppen uitsteken. Het is een surrealistisch en hoogtechnologisch contrast met de natuurlijke omgeving.
    Dronebeeld Dimitri Evgeni,

Deze toren fungeert als het zenuwstelsel van het bos en registreert met de Eddy Covariance techniek de koolstofdioxideflux met een netto opname van -400 tot -500 gram koolstof per vierkante meter per jaar.
Terwijl Ingrid haar lens richt op een zwarte specht die driftig tegen een dode stam hamert realiseert ze zich hoe succesvol de omvorming van het bos is.

Waar voorheen monotone dennenplantages stonden ziet ze nu een veerkrachtig mengsel van zomereik en beuk.
In de lage begroeiing ziet ze de donkergroene kussens van kussentjesmos en de grijze korstmossen die op de schors van de bomen groeien als stille getuigen van de zuivere lucht. Het beheerplan werpt zijn vruchten af want met meer dan 120 geregistreerde vogelsoorten waaronder de wespendief en de boomvalk is dit domein een levend laboratorium.

Aan het einde van haar tocht kijkt Ingrid nog één keer om naar de gracht waar het waterpeil hoog staat.
De gracht fungeert tegenwoordig als een strategische spons die de grondwaterspiegel in het kwetsbare bos op peil houdt en verdroging tegengaat.
Terwijl ze haar camera opbergt beseft ze dat de Antitankgracht haar oorspronkelijke doel ver voorbij is gestreefd.
Vandaag is het een bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering waar militair erfgoed en pure natuurkracht samensmelten tot één krachtig ecosysteem.

Dossier: De Grote Invasie – Vlaanderen en GroenRand in de Bres voor onze Bestuivers

Dossier: De Grote Invasie – Vlaanderen en GroenRand in de Bres voor onze Bestuivers

Vlaanderen bevindt zich in de frontlinie van een complexe ecologische strijd die elk jaar heviger wordt door de ongeziene opmars van de Aziatische hoornaar (Vespa velutina).
Van 1 maart tot eind mei loopt het cruciale lentevalproject, een grootschalig burgeronderzoek naar de verspreiding en bestrijding van deze invasieve exoot, gecoördineerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Agentschap Natuur en Bos (ANB).
Ook natuurvereniging GroenRand trekt aan de alarmbel en roept burgers, in het bijzonder in de Antwerpse rand (gemeenten zoals Zoersel, Schilde, Malle en Ranst), nadrukkelijk op om deel te nemen via het platform 
MijnTuinlab.be 


Vanaf 1 maart 2026 gaat de derde editie van onze monitoringcampagne rond lentevallen voor de Aziatische hoornaar van start. De campagne loopt tot en met 31 mei 2026. Heb je een vraag hierover? Mail naar lentevallenAH@inbo.be
Deze pagina wordt momenteel voorbereid. Alle informatie en deelnamelinks verschijnen hier vanaf 1 maart 2026.
De inzet van dit project is groot: het gaat niet alleen om het vangen van een invasief insect, maar fundamenteel om het beschermen van onze inheemse bestuivers en de algehele gezondheid van onze ecosystemen.


Sinds de eerste waarneming in 2017 heeft de Aziatische hoornaar zich in een ongekend tempo over Vlaanderen verspreid, met een groei die inmiddels als spectaculair te bestempelen valt.
Terwijl er in 2020 nog sprake was van een relatief beperkt aantal van 120 nesten, is dit cijfer tegen 2024 geëscaleerd naar maar liefst 
7.655 officieel geregistreerde nesten. Vooral de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen fungeren momenteel als hotspots voor deze invasieve exoot.
In Oost-Vlaanderen alleen al werden vorig jaar meer dan 2.500 nesten behandeld door gespecialiseerde diensten zoals de vzw RATO


Omdat deze hoornaars een ernstige bedreiging vormen voor onze inheemse bijenpopulaties en de algemene biodiversiteit, is een snelle detectie essentieel.
Het wordt dan ook dringend aangeraden om elk vermoedelijk nest direct te melden via het officiële platform 
Vespa-Watch, zodat professionele bestrijders via de brandweer of erkende verdelgers gericht kunnen ingrijpen.

Background imageExperts schatten echter dat ondanks de intensieve verdelging minstens 20% tot 30% van de nesten onontdekt blijft, verscholen in hoge boomtoppen of dichte hagen. 
Dit betekent dat de werkelijke populatie waarschijnlijk nog veel groter is dan de officiële cijfers doen vermoeden.
Elk seizoen kan het aantal nesten met een factor drie tot vier toenemen, wat de absolute noodzaak voor een gecoördineerde aanpak in het voorjaar onderstreept.


De biologie van de hoornaar verklaart waarom juist de periode van maart tot mei het ideale moment voor actie is.
Nu de temperaturen stijgen, ontwaken de jonge koninginnen uit hun winterslaap in de bodem of onder schors.
Zij zijn de enige overlevers van de winter; de werksters en de oude koningin van het vorige jaar zijn gestorven.
In deze fase staan de koninginnen er alleen voor om een 'embryonaal nest' te bouwen en op zoek te gaan naar suikers en eiwitten voor hun eerste larven. 

Door een koningin nu te vangen, voorkom je de vorming van een kolonie die in de nazomer kan uitgroeien tot een basketbalgroot nest met honderden werksters. 
GroenRand benadrukt dat deze preventie essentieel is: eenmaal de werksters uitvliegen, begint de massale jacht op onze bijen en andere nuttige insecten.
De vereniging waarschuwt al jaren voor de precaire toestand van onze wilde bijen, zweefvliegen en vlinders.
De Aziatische hoornaar vertoont namelijk 'hawking'-gedrag, waarbij ze voor bijenkasten of bloemen zweven en bestuivers simpelweg uit de lucht plukken. Dit leidt tot 'foraging paralysis': bijen durven hun nest niet meer uit, wat een enorme aanslag is op de lokale biodiversiteit.
De economische impact is eveneens groot. Niet alleen imkers verliezen tot 30% van hun volken, ook de opbrengst van fruit- en groenteteelt daalt drastisch zonder deze bestuivers.
Eén groot hoornaarsnest heeft gemiddeld 11,3 kilogram insecten nodig om een seizoen te overleven.
GroenRand herinnert ons eraan dat de bestrijding van deze exoot direct gelinkt is aan de overlevingskansen van onze eigen fauna. 

Het lentevalproject van 2025 richtte zich op massale monitoring en burgerparticipatie. In 2024 meldden burgers via dit project 1.628 vallen, een getal dat een jaar later steeg naar 4.067 vallen waarin 15.880 koninginnen werden gevangen.
Hoornaarspecialist Nicolas Pardon (ANB) nuanceert echter dat de groei exponentieel blijft en dat men tientallen koninginnen moet vangen om effectief één nest te voorkomen.
Het onderzoek moet uitwijzen of de massale inzet van burgers 'het sop de kool waard is' en of de bijvangst van inheemse insecten niet te groot is.
Om de biodiversiteit niet onbedoeld te schaden, gelden er ijzersterke regels voor wie een val plaatst.
Zelfgeknutselde vallen van plastic flessen zijn "uit den boze" omdat ze niet selectief zijn en nuttige inheemse insecten doden.
Burgers moeten goedgekeurde vallen gebruiken met een lokstof van 1/3 witbier, 1/3 witte wijn en 1/3 suikerwater. De alcohol in dit mengsel dient om bijen af te schrikken, terwijl de hoornaars worden aangetrokken door de suikers en gisting. Dagelijkse controle is verplicht om bijvangst direct vrij te laten en de vangstgegevens te registreren via 
MijnTuinlab.be.


De locatie van de val is ook van belang: plaats deze bij voorkeur op een zonnige, windstille plek op ongeveer anderhalve meter hoogte, idealiter nabij vroegbloeiende planten die koninginnen aantrekken voor hun eerste voedsel.
Naast de inzet van vallen wordt er in Vlaanderen steeds vaker gebruikgemaakt van innovatieve verdelgingstechnieken. Wanneer nesten in de zomer en herfst moeilijk vindbaar zijn, wordt de 'zendertechniek' (Radio Telemetry) ingezet, waarbij individuele hoornaars worden uitgerust met een radio tag om hen terug naar hun goed verborgen nest te volgen. Ook drones worden ingezet om nesten op grote hoogte te lokaliseren en direct te behandelen met milieuvriendelijke methoden zoals bevriezing met vloeibare stikstof, leegzuigen of het gebruik van diatomeeënaarde. Pas als dit niet mogelijk is, worden erkende insecticiden zoals Permas-D ingezet.


Om deze kostbare operaties te bekostigen, voorzien veel gemeenten subsidies.
In regio's zoals Willebroek krijgt men tot 80 euro terug per verdelgd nest, terwijl de provincie Oost-Vlaanderen via RATO vzw de bestrijding vaak volledig gratis aanbiedt. Het Departement Landbouw en Visserij heeft daarnaast een budget van 203.000 euro vrijgemaakt voor een overkoepelend strategisch plan dat opleidingen en nieuwe bestrijdingstechnieken ondersteunt.
Het is tot slot van cruciaal belang dat de Europese hoornaar (Vespa crabro) niet wordt verward met zijn Aziatische neef.
De Europese variant is een nuttige bondgenoot die juist helpt bij het bestrijden van andere plagen en veel minder schadelijk is voor bijenvolken.
De Aziatische hoornaar is herkenbaar aan een zwart borststuk, een donker achterlijf met één oranje segment en opvallende gele uiteinden aan de pootjes, vaak omschreven als 'gele kousen'. De Europese hoornaar is daarentegen groter, heeft een roodbruin borststuk, roodbruine pootjes en een grotendeels geel achterlijf. Wie een Aziatische hoornaar of een nest spot — dat kan variëren van de grootte van een pingpongbal in de lente tot een basketbal in de herfst — wordt gevraagd een foto te maken en deze te melden via Vespa-Watch.be of Waarnemingen.be.
Zelf een nest verwijderen is levensgevaarlijk en moet altijd worden overgelaten aan specialisten.
Alleen door deze gecoördineerde krachtenbundeling tussen burgers, wetenschappers en natuurverenigingen  kan Vlaanderen hopen de impact van deze invasie beheersbaar te houden en onze kostbare bestuivers een duurzame toekomst te bieden.
De inzet van elke individuele burger in deze vroege lenteperiode kan het verschil maken tussen een beheersbare populatie en een ecologische catastrofe in de nazomer.

dinsdag 24 februari 2026

Akkervogels verdwijnen razendsnel: “Ik heb er nooit wat van gevoeld, maar ik wil niet meer over nesten met jongen heenrijden”

Akkervogels verdwijnen razendsnel: “Ik heb er nooit wat van gevoeld, maar ik wil niet meer over nesten met jongen heenrijden”

De vogel van het jaar 2026 wordt een akkervogel.
De vijf genomineerden nestelen allemaal op boerenland.
Hun aantal zakt dramatisch, behalve bij landbouwer Jos Depotter. “Patrijzen nemen een stofbad op mijn erf.”


Patrijzen zijn uiterst zeldzaam.
Je ziet ze weleens op restaurant, maar op een akker komt bijna geen mens ze nog tegen.
Op boerderijen is alsmaar minder plaats voor nesten. De akkers zijn zo groot dat vogels zich nergens kunnen verbergen.
Zijn er toch eieren of jongen, dan is de kans groot dat een tractor die overhoop rijdt.
Ook de sleepslang, die wordt gebruikt om een akker doelgericht te bemesten, leidt tot drama’s.
Nog een probleem is voedsel voor de kuikens: er zijn te weinig wormen, er zijn te weinig insecten.
Onkruidverdelgers maken veel kapot.
Zo verdwijnen akkervogels uit het landschap.

In het algemeen nemen de soorten af met bijna 30 procent.
De patrijs spant de kroon met 57 procent minder tellingen sinds 2007.
De gestreepte fazant met de rosse kop staat in heel Europa op de ‘rode lijst’, zo kwetsbaar is hij.
Maar in de polders van Koksijde zien ze hem iedere zomer over het erf paraderen. “Ik zie door het raam hoe hij een stofbad neemt, samen met de rest van zijn menagerie. Kom maar kijken als je het niet gelooft”, vertelde Depotter aan de telefoon met Inbo (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek).
Hij en zijn vrouw proberen al jaren de biodiversiteit te bevorderen op hun landbouwbedrijf.
Ze kregen er een Koperen Kievit voor.

Fatale fouten

Lange tijd had het West-Vlaamse landbouwerskoppel niet in de gaten hoe bijzonder akkervogels zijn.
Jos Depotter en Els Beuselinck deden gewoon hun werk: 116 hectare akker verbouwen, zomergraan, haver, bonen en gele erwten, niks meer. Inmiddels herkennen ze het liedje van de veldleeuwerik.


Depotter wil het niet nazingen.
Hij wil alleen maar zeggen dat hij er vrolijk van wordt. “Het vogeltje zelf zie je bijna nooit. Het is compleet gecamoufleerd”, zegt Beuselinck. “Het valt pas op als het in het gras duikelt. De vrijwilligers die ze in maart komen opsporen, moeten urenlang kijken, wachten en hopen. Of ze moeten een drone hebben met een warmtecamera.”

Depotter veegt zijn telefoon open.
Alle vogelnesten op zijn akker staan op Google Maps: scholekster, kiekendief, kievit ... De landbouwer deelt updates over eieren en reddingsacties in een whatsappgroep.
Er is een doodsaai filmpje van een hoopje bruin, tot ma leeuwerik komt aangevlogen en het rommeltje drie vogelkopjes blijkt te hebben, met hongerige snavels.

Een ander filmpje speelt zich ‘s nachts af. De akker is pikdonker.
Depotter zit op zijn Case Puma 260 pk.
De machine weegt meer dan tien ton.
De landbouwer stuurt het gevaarte langs het nest van een kievit.
“Ik stop de locaties in de gps van mijn tractor, maar er is een marge van drie meter.
Zelfs als ik de gegevens manueel invoer, blijf ik met fatale fouten zitten. Daarom rijd ik zelf rond.
Je mag de markeringen trouwens niet te dicht bij de nesten prikken, want vossen leren snel.
De stokken laten zien waar ze eieren kunnen roven. Ja, akkervogels zijn gedoe”, lacht hij.
“Maar zodra je wéét dat er nesten zijn, ga je opletten. Ik heb er nooit wat van gevoeld, maar ik wil er niet meer overheen rijden.”

Klauwen in de lucht

Het begon allemaal in 2002 toen het landbouwerskoppel voor het eerst een perceelsrand aanlegde rond de akker.
Ze zaaiden een kruidenmengsel met klaprozen.
Inmiddels bestaat een derde van de totale oppervlakte uit randen.
Ze zijn 18 tot 30 meter breed. Ieder jaar worden ze op twee centimeter nauwkeurig nagemeten.
“Het zijn dure randen, ja. Gesubsidieerd, ook”, zegt Depotter.
“Natuurinclusieve landbouw kost moeite, en van de markt hoef je geen inspanningen te verwachten.”
De landbouwer hoedt zich voor mooie praatjes.
“Als het eenvoudig was, zou je overal vogels zien. Een akkervogeltje op het veld is een beetje zoals een ijsbeer op het puntje van een ijsberg. Eronder zitten heel veel beslissingen.”

Eén voorbeeld is de elektrische rattenval op het erf.
Die elektrocuteert muizen en ratten. Vergiftigde ratten en de muizen zijn immers niet goed voor de kerkuil en de torenvalk. Depotter knikt.
In de landbouw hangt alles aaneen.
Het is eindeloos: regen, klimaatverandering, grondschimmels, loopkevers, wormgangen, machinerie en kiezen voor bepaalde gewassen.
Luzerne en faunamengsels zijn goed voor de biodiversiteit, maar ze brengen minder op.
 “Je hebt 35 seizoenen om te proberen om het beter te doen”, zegt hij. “Zo lang duurt een boerenleven.
Een veldleeuwerik maakt het leven in je akker zichtbaar.” 

Noodlottige verhalen over de kuikens van de kiekendief zijn de omgekeerde wereld. De beestjes gaan in het veld op hun rug liggen.
Met hun klauwen in de lucht verdedigen ze zich tegen een voorbijrijdende landbouwmachine.
Depotter mag er niet aan denken.
“Toen de mensen van Inbo voor het eerst op bezoek kwamen om de biodiversiteit te onderzoeken, dacht ik dat ik bomen zou moeten planten, zodat de vogels daarin konden gaan zitten”, lacht hij.
 “Niet dus.
Akkervogels hebben alleen een akker nodig met brede randen en een gezonde bodem.” 

Stemmen voor de Vogel van 2026 kan nog tot en met zaterdag op vogelvanhetjaar.be. Op donderdag 12 maart maakt Vogelbescherming Vlaanderen de winnaar bekend.

Foto's: Frank Vermeiren