maandag 25 mei 2026

Frank Vermeiren: Het vogelproject van A tot Z in de Voorkempen

Frank Vermeiren: Het vogelproject van A tot Z in de Voorkempen 

Door de lens van Frank Vermeiren - vogelfotoreportages van A tot Z

Frank Vermeiren start als natuurfotograaf een uniek project van A tot Z in samenwerking met GroenRand om het leven van markante vogels die in de Voorkempen leven beeld per beeld te ontrafelen.
In deze opeenvolgende reeks van fotografische documentaires zijn we inmiddels beland bij de letter 'S' van de spreeuw.


Deze ambitieuze beeldverslagen tonen hoe de spreeuw zich handhaaft in het diverse landschap van de Voorkempen.
Wie de spreeuw van dichtbij bekijkt, ontdekt al snel dat zijn schijnbaar zwarte verenkleed in het zonlicht transformeert tot een adembenemend palet van metallisch groen, diep purper en glanzend blauw.
Het verenkleed is besprenkeld met fijne, goudwitte stipjes die in de wintermaanden fungeren als een sterrenhemel op de borst.
Naarmate het broedseizoen nadert, slijten deze lichte veerpunten af, waardoor het mannetje zijn diepe, iriserende prachtbovenkleed onthult.
Zijn snavel kleurt bij de basis blauwachtig, terwijl die van het vrouwtje een subtiele roze tint laat zien.


Deze uiterlijke metamorfose weerspiegelt de dualiteit van een vogel die tegelijkertijd een meester is in het opgaan in de massa en het opeisen van de individuele hoofdrol in het vogelkoor.
In de regio van de Voorkempen, een landschappelijk overgangsgebied gekenmerkt door een rijke afwisseling van oude bossen en kasteeldomeinen, vindt de spreeuw een ideaal leefgebied.
De vogel is een uitgesproken opportunist die optimaal profiteert van het mozaïeklandschap dat gemeenten zoals Zoersel, Schilde, Malle, Kapellen en Brasschaat typeert.


Zijn habitatvoorkeur is nauw verbonden met zijn voedselvoorziening en nestelgedrag.
Voor het foerageren is de spreeuw sterk afhankelijk van kortegraslanden, weilanden en gazons waar hij met zijn krachtige snavel in de bodem boort.
De uitgestrekte weidegebieden rondom de Antitankgracht en de open landbouwzones in de randen van het Zoerselbos vormen perfecte jachtgronden.
Tegelijkertijd heeft de vogel holtes nodig om te broeden, een behoefte waarin de talrijke oude loofbossen en parkgebieden van de Voorkempen ruimschoots voorzien.
Oude spechtengaten in de monumentale eiken van parken zoals het Gemeentepark van Brasschaat, het domein de Renesse in Malle of de bosranden van het Peerdsbos bieden de noodzakelijke nestgelegenheid.
De spreeuw schuwt ook de menselijke nabijheid niet, waardoor hij met evenveel gemak onder dakpannen of in nestkasten in de dorpskernen broedt.


De levenswijze van de spreeuw is doorweven met sociale interactie en een opmerkelijke intelligentie.
Het zijn uitgesproken groepsdieren die vrijwel het hele jaar door in gezelschap leven, communiceren en jagen.
Hun vocale talenten zijn legendarisch binnen de vogelkunde, want de spreeuw is een begenadigd imitator.
Hij kan niet alleen de zang van andere vogels zoals de wielewaal, de buizerd of de kievit feilloos nabootsen, maar hij integreert ook omgevingsgeluiden in zijn repertoire.
In de dorpen en bosranden van de Voorkempen kan men zomaar een spreeuw horen die het geluid van een rinkelende telefoon of een blaffende hond imiteert.
Dit zangtalentspel dient om indruk te maken op potentiële partners en weerspiegelt het verstandelijke vermogen van de vogel.
Wanneer de lente aanbreekt, transformeert de sociale groepsdynamiek in een luidruchtige en intense broedperiode.
Hoewel spreeuwen vaak in losse kolonies dicht bij elkaar broeden, verdedigen ze de directe nestingang fel.


Het nest zelf wordt door beide partners gebouwd met droog gras, twijgen en mos.
Vaak wordt het nest afgewerkt met verse groene bladeren die mogelijk een parasietwerende werking hebben.
Het grootbrengen van de jongen is een logistieke krachttoer waarbij de ouders onvermoeibaar af en aan vliegen met snavels vol insecten.
Hiermee leveren ze een onschatbare biologische bijdrage aan het onder controle houden van insectenplagen in de lokale landbouw van de Voorkempen.
Het meest spectaculaire visuele fenomeen vindt plaats in het najaar, wanneer de lokale populatie wordt aangevuld met honderdduizenden trekvogels uit Scandinavië en Noordoost-Europa.


Deze massale samenscholingen leiden tot de vorming van slaaptrekzwermen die bekendstaan onder de term spreeuwendansen.
Voordat de vogels besluiten neer te strijken in hun gezamenlijke slaapplaatsen, voeren ze in de avondschemering adembenemende synchrone vliegshows op.
Duizenden spreeuwen bewegen zich voort als één vloeiend, driedimensionaal organisme dat golft, samentrekt en weer uitdijt tegen de achtergrond van de ondergaande zon.


In de Voorkempen zijn dergelijke natuurspektakels waar te nemen boven de rietkragen van oude kleiputten in Rijkevorsel of Beerse, langs de natte zones van de Antitankgracht en boven grootschalige maïsvelden.
Deze hypnotiserende luchtballetten zijn geen esthetische keuze, maar een ingenieuze overlevingsstrategie tegen roofvogels.
Door zo dicht en gecoördineerd op elkaar te vliegen, maken ze het voor een sperwer of een slechtvalk nagenoeg onmogelijk om één individuele vogel te viseren.


De interne logica van zo'n zwerm rust op eenvoudige wetten van de natuurkunde, waarbij elke individuele spreeuw bliksemsnel reageert op de zeven vogels die zich het dichtst om hem heen bevinden.
Hierdoor ontstaat een kettingreactie die zich met grote snelheid door de hele groep verplaatst zonder dat er één centrale leider is.
Naast deze biologische hoogstandjes kent de spreeuw een rijke geschiedenis vol cultuurhistorische anekdotes.


In vroeger tijden werd de spreeuw niet alleen bewonderd, maar ook intensief bejaagd en gegeten door de mens.
In West-Europa bestond er tot in de negentiende en vroege twintigste eeuw een levendige traditie van de spreeuwenpotterij.
Men plaatste speciale aardewerken potten tegen de gevels van boerderijen en schuren die dienden als kunstmatige nestkast.
Zodra de jonge spreeuwen vetgemest waren en op het punt stonden uit te vliegen, werden ze uit de potten gehaald voor de bereiding van soep of pastei.
Hoewel deze praktijk vandaag de dag ondenkbaar is, herinneren oude gevelstenen en archeologische vondsten in de regio Antwerpen nog aan deze pragmatische relatie tussen mens en vogel.
Een heel andere historische anekdote betreft de wereld van de klassieke muziek en Wolfgang Amadeus Mozart.


In mei 1784 kocht de beroemde componist een spreeuw als huisdier in een Weense winkel, nadat hij had gehoord dat de vogel het hoofdthema van zijn zojuist voltooide Zeventiende Pianoconcert kon fluiten.
De spreeuw had het deuntje waarschijnlijk opgevikt door de open ramen van Mozarts werkkamer.
Mozart was zo gecharmeerd van het dier en zijn eigenzinnige improvisaties op de melodie, dat hij een hechte band met het dier opbouwde.
Toen de vogel drie jaar later stierf, organizerde Mozart een formele begrafenisstoet in zijn tuin.
Hij droeg een speciaal geschreven herdenkingsgedicht voor en begroef het dier met ceremoniële égards, wat aantoont dat de fascinatie voor de intelligentie van de spreeuw van alle tijden is.
De geschiedenis van de spreeuw kent echter ook donkere, ecologische schaduwzijden.


Het meest treffende voorbeeld hiervan is de introductie van de spreeuw in Noord-Amerika.
In het Jahr 1890 liet Eugene Schieffelin, een rijke Amerikaanse farmaceut, zestig spreeuwen vrij in Central Park in New York.
Schieffelins excentrieke doel was om alle vogelsoorten die door William Shakespeare in zijn literaire meesterwerken werden genoemd, te introduceren in de Verenigde Staten.
In het toneelstuk Hendrik de Vierde oppert een personage immers om een spreeuw te trainen om constant de naam van zijn vijand te roepen.
Wat begon als een romantisch literair experiment, explodeerde in een van de grootste ecologische invasies uit de geschiedenis.
De populatie groeide in een eeuw tijd uit tot meer dan honderdtwintig miljoen vogels die zich verspreidden over het hele continent.
Ze veroorzaakten enorme schade aan landbouwgewassen en verdrongen inheemse holenbroeders.
Dit historische epos herinnert ons aan de enorme veerkracht en het aanpassingsvermogen van de soort.
Hoewel de spreeuw historisch gezien als een plaag of als een onuitputtelijke bron van leven werd beschouwd, gaat het de laatste decennia in Vlaanderen niet goed met de soort.
De moderne, grootschalige en intensieve landbouw heeft geleid tot een drastische achteruitgang van het aantal insecten en het verdwijnen van kruidenrijke weilanden.
Het veelvuldig gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen reduceert het bodemleven, waardoor de spreeuw in het cruciale broedseizoen simpelweg niet genoeg voedsel meer vindt voor zijn jongen.
Ook de verstedelijking en de doorgedreven isolatie van woningen zorgen ervoor dat er steeds minder nestgelegenheid onder dakpannen te vinden is.
In de Voorkempen vormt het werk van verenigingen zoals GroenRand daarom een vitale schakel in het behoud van deze soort.
Door het promoten van ecologisch groenbeheer, het beschermen van oude boskernen en het plaatsen van specifieke nestkasten, proberen natuurbeschermers het tij te keren.
Voor Frank Vermeiren ligt hier een prachtige artistieke en educatieve uitdaging om dit proces bij de letter 'S' te documenteren.
Zijn visuele reis begint bij het intieme detail van het glanzende, iriserende verenkleed tijdens de balzang op een vroege ochtend in de bosomgeving van Zoersel.
Het project loopt via de hectiek van de voedselvluchten boven de weiden van Schilde en culmineert in de epische dynamiek van de najaarszwermen die als vloeibare rook door de avondlucht boven de Antwerpse Kempen trekken.
Het documenteren van deze cyclus is een ode aan de esthetische schoonheid van de vogel en een herinnering aan de noodzaak om het diverse landschap van de Voorkempen te koesteren.

Hoewel minister Jo Brouns in zijn beleidsnota duidelijke engagementen maakt, heeft hij geen budget voorzien voor ontsnippering.

Hoewel minister Jo Brouns in zijn beleidsnota duidelijke toezeggingen doet, heeft hij geen budget vrijgemaakt voor ontsnippering

ZOERSEL, 25 mei 2026 – Natuurvereniging GroenRand viert haar tiende verjaardag met een weloverwogen organisatorische evolutie.
Vanaf mei 2026 stopt de vereniging met haar traditionele publieksactiviteiten, zoals geleide wandelingen en infoavonden.
GroenRand verschuift haar focus naar die van een pure politieke denktank en adviesgroep achter de schermen.
Aanleiding is de huidige stilval van het Vlaamse ontsnipperingsbeleid.
Vandaag sluit de Week van de Biodiversiteit af.
Hoewel minister Jo Brouns in zijn beleidsnota duidelijke engagementen opneemt, toont de begroting aan dat het centrale budget voor natuurtunnels en ecoducten momenteel op nul euro staat.
Als constructieve partner wil GroenRand politici ondersteunen om deze ambities alsnog waar te maken.

Vandaag sluiten we de Week van de Biodiversiteit af.
Halverwege deze week, op vrijdag 22 mei, was het nog de Internationale Dag voor Biologische Diversiteit.
Het thema was toen Lokaal handelen voor wereldwijde impact.
Dat is precies wat wij als GroenRand doen door parlementsleden rechtstreeks te informeren.
Door via het parlement te werken, zoekt de politiek naar nieuwe manieren om het vertrouwen van de burger in het beleid te versterken en openen we de dialoog.
Wij proberen parlementsleden te ondersteunen als de directe spreekbuis voor de burgers en de lokale maatschappelijke noden.
Dat is noodzakelijk, want onze natuur staat voor grote uitdagingen.

Zowel Vlaanderen als Nederland behoren tot de drukst bevolkte gebieden ter wereld. Door die vele wegen, spoorlijnen en verstedelijking is onze natuur doorheen de jaren sterk versnipperd geraakt.
Het landschap is daardoor een lappendeken van losse stukjes groen geworden.
Dit vormt een uitdaging voor de biodiversiteit, aangezien genetische isolatie en het lokaal achteruitgaan van dierpopulaties het directe gevolg zijn.
Het verbinden van natuur via wildtunnels, faunabuizen en ecoducten is dan ook een absolute prioriteit voor mens en natuur. Wegen splitsen leefgebieden op. Ontsnippering zorgt er juist voor dat unieke dieren zoals de otter veilig kunnen terugkeren.
Bovendien verhoogt het de algemene verkeersveiligheid door het risico op wildaanrijdingen met reeën of everzwijnen te verkleinen.
Grote, verbonden natuurgebieden bieden ons daarnaast een noodzakelijke bescherming tegen extreme droogte en overstromingen.
De systematische aanpak in Nederland als inspiratiebron

De ecologische uitdagingen zijn aan weerszijden van de grens identiek, maar de aanpak verschilt fundamenteel.
Wij hebben het beleid van beide regio's objectief naast elkaar gelegd om te leren uit goede praktijken (zie link hieronder).
Het Vlaamse ontsnipperingsbeleid kampt anno 2026 met een structurele stilval, terwijl Nederland wereldwijd als een schoolvoorbeeld geldt.
Met hun Meerjarenprogramma Ontsnippering, gestart in 2005, stelden zij een duidelijk wettelijk doel voorop: alle 500 knelpunten aanpakken waar rijkswegen het natuurnetwerk kruisten.
De Nederlandse ministeries van Infrastructuur en Natuur werkten nauw samen met de wegbeheerders.
Dankzij structurele, meerjarige budgetten kreeg elk groot project standaard ecoducten of faunapassages.
Met succes, want ruim 90 procent van de knelpunten is inmiddels weggewerkt en de Nederlandse natuur is hierdoor voelbaar veerkrachtiger geworden.
Vlaanderen startte in 2019 eveneens met een hoopvol initiatief (onder leiding van Zuhal Demir): het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering, afgekort als VAPEO.
Voor het eerst werkten de agentschappen voor wegen en natuur, het Departement Omgeving en het onderzoeksinstituut INBO geïntegreerd samen.
In de eerste fase, van 2019 tot 2024, werden met de hulp van 50 miljoen euro aan Europese en Vlaamse relancemiddelen vijftien prioritaire projecten gebouwd.

Dit ambitieuze ontsnipperingsbeleid wordt op papier heel mooi doorgetrokken in de officiële Beleidsnota Omgeving 2024-2029, die werd ingediend door Vlaams minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns. Op bladzijde 26 van deze beleidsnota staat immers geschreven dat de Vlaamse overheid met VAPEO die natuurgebieden wil verbinden waar dit haalbaar is, om zo de weg-, water- en spoorinfrastructuur veiliger te maken voor mens en dier.
De nota belooft hierbij een goede samenwerking tussen het Departement Omgeving, het Agentschap voor Natuur en Bos, het Agentschap Wegen en Verkeer, de Vlaamse Waterweg en Infrabel, waarbij de focus eerst ligt op de plekken met de meeste impact.

Als we kijken naar hoe het er in de praktijk aan toegaat in de tweede fase van het programma, zien we dat de uitvoering vertraging oploopt en soms zelfs helemaal stilvalt.
De tijdelijke Europese relancemiddelen zijn uitgeput.
De Vlaamse regering kiest er momenteel voor om de beschikbare middelen prioritair toe te wijzen aan de Blue Deal en het Klimaatadaptatieplan.
De proactieve, centrale financiering voor het ontsnipperingsprogramma vanuit het Departement Omgeving is vanaf 2026 daarom volledig stopgezet en op nul euro gezet.
Het Vlaamse beleid blijft steken in een haperende aanpak per project.
Vitale groene verbindingen liggen daardoor in de praktijk stil.
Samenwerking en het nakomen van gemaakte afspraken
Als constructieve partner wijzen wij er in alle sereniteit op dat minister Jo Brouns hierdoor dreigt af te wijken van de gemaakte engagementen uit zijn eigen beleidsnota.
We benadrukken dat er in onze regio, de Antwerpse oostrand, al heel wat waardevol ontwerpend onderzoek is gebeurd.
Deze diepgaande studies werden geleid door het Departement Omgeving zelf, maar zijn concreet uitgevoerd door de deskundige studiebureaus Hesselteer en bureau OMGEVING.
Dit werk leverde tastbare en wetenschappelijk onderbouwde plannen op voor cruciale knelpunten, zoals de ecologische ontsnippering van de Turnhoutsebaan Oost en het realiseren van een veilige corridor voor fauna tussen het Groot Schietveld en het Klein Schietveld. Hoewel de absolute urgentie van deze projecten door de rapporten van Hesselteer en bureau OMGEVING zwart-op-wit is bewezen om de overlevingskansen van lokale dieren te garanderen, blijft de effectieve realisatie op het terrein uit.

Vlaanderen hanteert vandaag immers een passief beleid dat volledig afhankelijk is van het meeliften met al geplande wegenwerken, of van de portemonnee van lokale steden en gemeenten.
Deze budgettaire situatie werd onlangs pijnlijk duidelijk tijdens de felle begrotingsgesprekken in het Vlaams Parlement op maandag 24 en dinsdag 25 november 2025.
Die debatten kwamen er niet zomaar.
Wij hebben vooraf diepgaande gesprekken gevoerd met diverse volksvertegenwoordigers en stuurden op zondag 23 november 2025 een adviserende open brief naar de commissieleden.
In plaats van louter publiekelijk te protesteren, hebben we onze opgebouwde technische expertise rechtstreeks met de politici gedeeld.

We toonden concreet aan dat de tweede fase van het ontsnipperingsprogramma zonder eigen middelen stilvalt.
De Vlaamse Regering kiest er namelijk voor om ecologische ingrepen voortaan verplicht te koppelen aan reguliere, grote wegenwerken.
De geldkraan om gevaarlijke knelpunten direct en zelfstandig op te lossen is dicht, en de financiering verschuift van het Departement Omgeving naar het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV).
Dit betekent dat kwetsbare locaties niet langer proactief beveiligd kunnen worden. Als een weg een barrière vormt voor dieren, maar niet op de planning staat voor een heraanleg, komt er simpelweg geen tunnel of ecoduct.
Gewapend met deze feiten en cijfers konden de parlementsleden tijdens de begrotingsbesprekingen een heel gerichte en constructieve dialoog voeren met de minister.

De kritiek vanuit de parlementsleden was dan ook niet mals.
Verschillende volksvertegenwoordigers uitten hun diepe bezorgdheid dat het ontsnipperingsbeleid hierdoor volledig stilvalt.
Commissieleden bekritiseerden het feit dat de Vlaamse Regering weliswaar mooie beloften doet over natuurbehoud, maar weigert om daar geld voor uit te trekken.
Hierdoor worden externe partners en lokale verenigingen in totale onzekerheid achtergelaten.
Zonder centrale regie en harde cijfers stelt het veelbelovende ontsnipperingsplan van vroeger in de praktijk niets meer voor.
Landschapsbenadering als verbindend instrument
Voor een organisatie als de onze, die zich altijd positief opstelt, raakt deze budgettaire verschuiving een gevoelige snaar. GroenRand stimuleert al tien jaar lang een meer gebiedsgerichte en geïntegreerde aanpak van projecten en acties, waarbij de landschapsbenadering als krachtig instrument aan de basis ligt.
Wij vinden het van cruciaal belang dat overheden, landbouwers, bosbeheerders en administraties in onderling overleg rond de tafel gaan om gedragen oplossingen te vinden voor de versnipperde natuur.
Binnen complexe projecten in de Antwerpse Voorkempen hebben wij telkens de kaart van de dialoog getrokken om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen rond cruciale zones zoals de Schietvelden en de Antitankgracht.

Na een decennium van constructief overleg, plannen maken en het zoeken naar compromissen, hopen onze vrijwilligers en onze achterban nu wel op tastbare resultaten op het terrein.
Het wegvallen van het centrale, zelfstandige budget bemoeilijkt dit partnerschap.
Het is belangrijk dat het overlegmodel daadkrachtig blijft; wanneer er samen een klimaatgordel, een soortenbeschermingsprogramma voor de otter of een projectplan voor de Antitankgracht worden overeengekomen, moeten ook de middelen volgen om de afgesproken faunapassages daadwerkelijk te realiseren.
Onze vereniging kiest bewust voor de parlementaire weg en de inhoudelijke dialoog, al is dat in het huidige politieke landschap niet altijd eenvoudig.
Individuele parlementsleden moeten vaak rekening houden met strakke partijlijnen. Door ons te richten op de inhoud en de oorspronkelijke rol van parlementsleden als vertegenwoordigers van het volk, willen we een positieve dynamiek creëren.
We streven ernaar een brug te slaan tussen maatschappelijke behoeften en politieke besluitvorming, los van polarisatie.

Door onze opgebouwde dossierkennis, de open brief en de persoonlijke contacten met parlementsleden rechtstreeks om te zetten in parlementaire actie, behouden we een volledig onafhankelijke en gerespecteerde positie.
We maken abstracte cijfers tastbaar. Wanneer we aantonen dat een streng beschermde diersoort als de otter na een succesvolle terugkeer in de Antwerpse Voorkempen het risico loopt onmiddellijk te worden doodgereden door een gebrek aan infrastructuur, leveren we het feitenmateriaal waarmee politici een sereen en zinvol debat kunnen voeren.
Onze nieuwe werkwijze vanaf mei 2026: focus op de begrotingskalender
Deze adviserende rol sluit naadloos aan bij onze toekomst.
Wij vieren ons tiende bestaansjaar met deze organisatorische evolutie.
We stoppen met onze brede publiekswerking omdat de grote plannen voor de natuur in de Voorkempen inmiddels officieel op de politieke agenda staan.
Deze agenda is concreet uitgewerkt in drie grote dossiers: de realisatie van een robuuste Klimaatgordel rond de Antwerpse Groene Rand, het goedgekeurde Vlaamse Soortenbeschermingsprogramma voor de otter, en het nieuwe actiegerichte Projectplan Antitankgracht voor de periode 2026 tot 2031.

Er is momenteel geen behoefte meer aan extra voorbereidende plannen, maar wel aan de effectieve uitvoering van de bestaande dossiers.
Omdat de benodigde budgetten voor deze projecten nog verankerd moeten worden in de Vlaamse begroting, start GroenRand vanaf deze maand met een heel gerichte lobbycampagne die is afgestemd op de officiële politieke kalender van 2026.

Achter de schermen starten de kabinetten in mei en juni al met de voorbereidingen voor het komende jaar.
Wij grijpen daarom de nakende tussentijdse begrotingsaanpassing van juni 2026 en de grote begrotingscontrole van oktober 2026 aan om via bevriende parlementsleden de ministers Brouns (Omgeving) en De Ridder (Mobiliteit) aan te sporen interne middelen te verschuiven naar VAPEO.

zaterdag 23 mei 2026

GroenRand maakt een vergelijkende analyse van het ontsnipperingsbeleid in Nederland en Vlaanderen

GroenRand voert een vergelijkende analyse uit van het ontsnipperingsbeleid in Nederland en Vlaanderen


De vergelijkende analyse van GroenRand tussen Vlaanderen en Nederland legt bloot hoe een fundamenteel andere visie op ruimtelijke ordening en natuurbeleid leidt tot compleet verschillende ecologische resultaten.
Om te begrijpen hoe Vlaanderen de Nederlandse visie succesvol kan integreren, moeten we dieper ingaan op de data, de achterliggende mechanismen en de specifieke projecten die deze twee benaderingen vormgeven.
De noodzaak voor deze analyse wordt direct duidelijk wanneer we de mobiliteitscijfers en de ecologische impact naast elkaar leggen.
Uit schattingen van Natuurpunt blijkt dat er in Vlaanderen jaarlijks circa 5 miljoen wilde dieren sterven in het verkeer.
Dit gigantische aantal slachtoffers is een direct gevolg van de extreme versnippering, aangezien Vlaanderen binnen Europa een van de dichtste wegennetwerken bezit.
Waar Vlaanderen vastloopt in dit fijnmazige asfaltnetwerk, toont Nederland al decennia hoe een proactief en gecoördineerd beleid het tij kan keren.


Met het ambitieuze Meerjarenprogramma Ontsnippering startte Nederland al vroeg met een systematische en landsdekkende aanpak van knelpunten.
Eind 2018 waren daar al 126 van de 176 grote infrastructurele barrières volledig opgelost en 40 gedeeltelijk weggewerkt.
Dit indrukwekkende project resulteerde in de constructie van meer dan 2.100 faunapassages langs de Nederlandse rijkswegen alleen.
Vlaanderen hinkt historisch gezien achterop en startte pas in 2020 met het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering.
Bij de opstart van dit Vlaamse programma lag de focus in eerste instantie op slechts 15 prioritaire knelpunten.
Het kernverschil dat GroenRand wil blootleggen, zit diep verankerd in de wettelijke, financiële en ruimtelijke benadering van beide landen.
Hoewel het actieprogramma in Vlaanderen uitstekend werk levert door ecoducten en ecotunnels te plaatsen, botst de uitvoering op de complexe lokale realiteit.
Het bouwen van een ecoduct is in Vlaanderen vaak een traag proces door de vele private grondeigenaars en versnipperde belangen.
Daarnaast kampt het programma met chronische budgettaire uitdagingen, waarbij de nodige middelen steeds opnieuw politiek bevochten moeten worden.
In Nederland is ontsnippering daarentegen structureel ingebed in de wetgeving en vast gekoppeld aan de budgetten van grote infrastructuurprojecten.
Als levend voorbeeld van hoe het anders kan, heeft GroenRand het innovatieve project Greenconnect gelanceerd in de Voorkempen.


Zij tonen hiermee in de praktijk aan hoe een integrale en gecoördineerde landschappelijke aanpak concreet werkt.
Binnen dit grensoverschrijdende denkmodel fungeert de Antitankgracht als de centrale en cruciale migratie-as voor de lokale fauna.
Het uiteindelijke doel van Greenconnect is om grote, nabijgelegen ecologische stapstenen en natuurgebieden fysiek met elkaar te verbinden. 

1. Concluderende Samenvatting 

Dit artikel biedt een diepgaande vergelijkende analyse van het beleid omtrent ecologische ontsnippering en natuurverbindingen in Nederland en Vlaanderen.
Hoewel beide regio’s kampen met een vergelijkbare demografische en industriële druk op de open ruimte, verschilt de ecologische infrastructuur op het terrein fundamenteel.
Waar Nederland erin geslaagd is zijn belangrijkste natuurgebieden via een grootschalig infrastructureel masterplan weer structureel met elkaar te verbinden, bevindt Vlaanderen zich in de beginfase van een geleidelijke inhaalslag.
De oorzaak van deze kloof ligt in de historische fundamenten van de ruimtelijke ordening en het naoorlogse grondbeleid.
Nederland hanteert een traditie van strakke overheidsplanning en rigide zonering, ingezet met de Ecologische Hoofdstructuur (nu Natuurnetwerk Nederland) in de jaren negentig.


Vlaanderen koos daarentegen voor een minder dwingend model, wat resulteerde in de alomtegenwoordige lintbebouwing [RURA].
Vandaag de dag bevindt bijna de helft van de Vlaamse open ruimte zich op minder dan 200 meter van een bebouwde zone [Departement Omgeving].
Deze extreme fragmentatie maakt het aanleggen van robuuste, groene corridors in Vlaanderen complexer, politiek gevoeliger en financieel kostbaarder dan in Nederland.
Het operationele kantelpunt lag in 2005 met de lancering van het Nederlandse Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO) [Ministerie van I&W & LNV].
Door een gecentraliseerde, rijksbrede aanpak werden honderden infrastructurele barrières systematisch weggewerkt en gefinancierd vanuit één overkoepelend budget [ProRail].


Het Vlaamse equivalent, het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO), botst daarentegen op institutionele versnippering, hoge grondprijzen en langdurige onteigeningsprocedures [AWV et al., VILT].
De situatie is bovendien acuut verslechterd door het wegvallen van de Europese subsidies, waardoor het VAPEO-programma voor de huidige legislatuur tot 2031 volledig zonder investeringsbudget is gezet.
Het maatschappelijke verzet hiertegen wordt aangevoerd door natuurvereniging GroenRand, die via de inschakeling van volksvertegenwoordigers de politieke druk in het parlement maximaal opvoert.
De analyse plaatst tot slot ook kritische kanttekeningen bij de huidige ontwikkelingen.
De Nederlandse decentralisatie naar de provincies zorgt voor een toenemende versnippering van het beheer door lokale economische belangen.
Omgekeerd dwingt de Vlaamse schaarste de overheid tot innovatieve micro-ontsnippering (zoals faunabuizen en wildreflectoren) en een sterke focus op het maatschappelijke onthardingsbeleid [AWV].
Dit artikel concludeert dat een succesvol ontsnipperingsbeleid valt of staat met de planologische durf om harde grenzen te stellen en deze te verankeren in een langetermijnvisie. 

2. De Ontstaansgeschiedenis en de Cultuur van Ruimtelijke Planning
De ecologische crisis van de eenentwintigste eeuw manifesteert zich niet enkel in de uitstoot van broeikasgassen of de achteruitgang van de algemene milieukwaliteit, maar fundamenteel ook in de fysieke versnipperingscrisis van het Europese landschap [EEA].
Binnen de context van de Lage Landen, een van de dichtstbevolkte en meest geïndustrialiseerde regio's ter wereld, heeft deze versnippering geleid tot een kritieke isolatie van natuurlijke habitats.
Wanneer men echter het beleid en de concrete realisaties op het gebied van ecologische ontsnippering en natuurverbindingen tussen Nederland en Vlaanderen vergelijkt, stuit men op een opmerkelijke paradox.
Hoewel beide regio’s een vergelijkbare demografische druk en een intensief benutte landoppervlakte delen, is de ecologische realiteit op het terrein fundamenteel anders.


Waar Nederland erin geslaagd is om zijn belangrijkste natuurgebieden via een grootschalig infrastructureel masterplan weer structureel met elkaar te verbinden, bevindt Vlaanderen zich in de beginfase van een moeizame, geleidelijke inhaalslag.
Het antwoord op de vraag welke overheid dit ecologische vraagstuk het meest daadkrachtig en effectief heeft aangepakt, kent historisch en beleidsmatig een eenduidige winnaar, en dat is Nederland.
Om te begrijpen waarom de Nederlandse overheid zo ver voorloopt op haar zuiderbuur, moet men terugkeren naar de absolute basis van de ruimtelijke ordening og het historische grondbeleid dat direct na de Tweede Wereldoorlog vorm kreeg.
Nederland kent een diepverwortelde traditie van strakke overheidsplanning, rigide zonering en een dwingende regie vanuit het centrale gezag.


Deze planologische discipline vloeit voort uit de historische noodzaak om het land collectief te beschermen tegen het water, wat een cultuur van consensus maar ook van strikte ruimtelijke ordening creëerde.
Al in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen de ecologische wetenschap de gevaren van genetische isolatie bij fauna begon te erkennen, legde de Nederlandse regering de beleidsmatige fundamenten voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Dit concept, dat tegenwoordig bekendstaat onder de naam Natuurnetwerk Nederland, introduceerde een revolutionaire verschuiving in het natuurbeleid [CLO].
Natuur werd niet langer beschouwd als een verzameling van geïsoleerde, beschermde reservaten, maar als een dynamisch, aaneengesloten netwerk van kerngebieden en verbindingszones.
Binnen de grenzen van dit wettelijk verankerde netwerk kreeg de ecologische functie absolute prioriteit, waardoor elke vorm van grootschalige stedelijke of industriële ontwikkeling resoluut werd geweerd.
Vlaanderen daarentegen heeft historisch gezien gekozen voor een diametraal tegenovergesteld model, gekenmerkt door een minder dwingend og opvallend vrijblijvend beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening.
De Vlaamse ruimte werd decennialang vormgegeven door een ideologie die individuele eigendomsrechten en lokale autonomie sterk centraliseerde, vaak ten koste van een coherente bovengemeentelijke visie.
Dit uitte zich in het ontstaan van de alomtegenwoordige lintbebouwing, een typisch Vlaams fenomeen waarbij woningen, kmo-zones en handelszaken zich kilometerslang ononderbroken uitstrekken langs zowat elke verbindingsweg [RURA].


Het resultaat hiervan is een uiterst fijnmazig, gefragmenteerd lappendeken waarin natuurfragmenten, intensieve landbouwpercelen en residentiële bewoning kriskras door elkaar lopen.
Wetenschappelijk onderzoek naar deze ruimtelijke structuur toont aan dat in Vlaanderen bijna de helft van alle resterende open ruimte zich op minder dan tweehonderd meter van een bebouwde zone bevindt [Departement Omgeving].
Deze specifieke, historische structuur heeft verstrekkende gevolgen voor het huidige natuurbeleid.
Het aanleggen van robuuste, brede en ononderbroken groene corridors is in Vlaanderen door deze historische erfenis vele malen complexer, politiek gevoeliger en financieel kostbaarder dan in het strak gezoneerde Nederlandse landschap.
Waar de Nederlandse planner een lijn trekt door een leeg agrarisch gebied, moet de Vlaamse planner navigeren door een mijnenveld van verkavelingen, lokale wegen en private belangen.

3. De Juridische Architecten van de Vlaamse Versnippering: De Opvulregel en het Minidecreet
Om de diepte van de Vlaamse ruimtelijke crisis volledig te doorgronden, volstaat het niet om enkel te wijzen op een gebrek aan visie, men moet de specifieke juridische instrumenten analyseren die de versnippering actief hebben gekataliseerd.
De absolute sleutel tot de institutionalisering van de lintbebouwing ligt in de introductie van de zogeheten 'opvulregel', een planningsprincipe dat via Koninklijke Besluiten in 1972 werd verankerd en in 1978 nog verder werd versoepeld.
Deze regel bepaalde dat wanneer er zich een onbebouwd perceel bevond tussen twee reeds bestaande woningen aan dezelfde kant van een openbare weg, dit resterende 'gat' automatisch mocht worden opgevuld met nieuwe residentiële bouw.
Zolang de onderlinge afstand tussen de huizen minder dan 70 meter bedroeg, werd een bouwvergunning quasi blindelings verleend door de administratie.
Het perverse effect van deze regelgeving was dat zij ook met onmiddellijke kracht gold buiten de officieel goedgekeurde woonzones op de gewestplannen.
Hierdoor werd het juridisch mogelijk om ook in ecologisch kwetsbare agrarische gebieden, waardevolle bossen en groene overgangszones systematisch te bouwen, zolang er historisch al een handvol verspreide woningen stond.
In plaats van de bevolkingsgroei efficiënt op te vangen via de verdichting van bestaande dorpskernen, stimuleerde de opvulregel het stapsgewijs dichtmetselen van de resterende open ruimtes in het buitengebied.


Voor de lokale ecologie werkte dit mechanisme als een hydraulische schaar, want kilometer na kilometer werden de fysieke corridors waardoor fauna migreerde hermetisch afgesloten door een ononderbroken muur van baksteen en beton.
Bovenop deze desastreuze opvulregel dropte de wetgever in 1984 het zogenaamde 'Minidecreet', een wetgevend instrument dat de genadeslag toediende aan een coherente, gecentraliseerde ruimtelijke ordening in Vlaanderen.
Dit decreet was oorspronkelijk in het leven geroepen als een tijdelijke overgangsmaatregel om de starheid van de pas ontworpen gewestplannen op te vangen in afwachting van definitieve, verfijnde plannen.


In de praktijk creëerde het Minidecreet echter een gigantische juridische achterpoort door lokale gemeentebesturen een nagenoeg ongelimiteerde autonomie te schenken om ingrijpende afwijkingen toe te staan op de wettelijke gewestplannen.
Vlag vanaf dat moment konden burgemeesters en schepenen eigenhandig en met minimale controle van de centrale overheid vergunningen blijven uitreiken voor woningen en kmo-zones langs grote verbindings- en expreswegen.
Dit leidde tot een wijdverbreide politieke cultuur van ruimtelijke laksheid en electorale gunstverlening, waarbij de bescherming van de open ruimte structureel werd opgeofferd aan kortzichtige lokale economische belangen.
Het Minidecreet institutionaliseerde de transformatie van het Vlaamse landschap tot een chaotisch lappendeken van zonevreemde constructies, semi-industriële linten en verspreide verkavelingen.
Toen deze wetgevende experimenten aan het einde van de twintigste eeuw eindelijk aan banden werden gelegd, was de ecologische schade reeds onherstelbaar geschied.
Waar de Nederlandse overheid in exact dezelfde decennia (de jaren 70 en 80) haar nationale grenzen tussen natuur en stedelijk gebied hermetisch dichttrok via rigide planningsregels, verklaarde de Vlaamse overheid haar eigen open ruimte via deze regelgevingen vogelvrij.
De miljardenverslindende en logistiek loodzware inhaalslag die Vlaanderen vandaag de dag probeert te leveren via het VAPEO-programma is dan ook de directe, bittere prijs voor de beleidserfenis van de opvulregel en het Minidecreet.

4. De Systematische Transformatie versus de Financiële Droogte van de Inhaalslag
Het cruciale operationele kantelpunt in deze vergelijking ligt in het jaar 2005, toen de Nederlandse overheid het roer volledig omgooide met de lancering van het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO) [Ministerie van I&W & LNV].
In plaats van te vertrouwen op losse projecten, ad-hocsubsidies of lokale, gefragmenteerde initiatieven, koos Nederland voor een strikt systematische, centralistische en rijksbrede benadering.
Het programma bracht alle infrastructurele barrières die het Natuurnetwerk Nederland doorkruisten minutieus in kaart.
Er werd een harde, prioritaire lijst van 176 knelpunten opgesteld waarbij snelwegen, spoorlijnen en grote kanalen de migratie van wilde dieren blokkeerden.
Wat het Nederlandse model uniek maakte, was de institutionele en financiële verankering.
Rijkswaterstaat, ProRail en de verschillende provincies werkten niet langer als concurrerende eilandjes, maar werden door het Rijk gedwongen om samen te werken binnen één overkoepelend budget en één gedeelde streeftijd [ProRail].
Dit leidde tot de realisatie van tientallen monumentale ecoducten en honderden specifieke faunapassages die als een ecologische sjabloon over de bestaande infrastructuur werden gelegd [Rijkswaterstaat & ProRail].
Toen het programma in 2018 officieel werd afgerond, was de missie grotendeels geslaagd, waardoor de grote, rijksbrede barrières waren weggewerkt en de connectiviteit van de Nederlandse natuur op Europees niveau een absolute standaard werd.


Terwijl Nederland zijn masterplan succesvol voltooide, bleef het Vlaamse beleid structureel kwetsbaar door zijn financiële constructie.
De opstart van het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) werd destijds immers voor een zeer groot deel ondersteund en gefinancierd via gulle Europese subsidies.
Deze zware afhankelijkheid van externe, supranationale middelen heeft zich nu ontpopt tot een acuut beleidsdebacle.
Nu deze Europese subsidies definitief zijn weggevallen, is de Vlaamse financieringsmotor achter de ontsnippering volledig stilgevallen.
Voor de huidige politieke legislatuur, die doorloopt tot het jaar 2031, zijn er door de Vlaamse regering simpelweg geen nieuwe investeringsmiddelen meer gereserveerd voor het programma.
Er is in de begroting geen enkel substantieel budget voorzien om nieuwe ontsnipperingsprojecten op te starten.
Waar de overheid tijdens de vorige legislatuur nog een gereserveerde vijftig miljoen euro kon inzetten voor ecoducten en faunapassages, valt het budget voor de komende jaren nagenoeg terug naar nul.
Diese totale investeringsstop legt de structurele zwakte bloot van het Vlaamse model ten opzichte van het Nederlandse systeem.
In Nederland bleef de financiering een harde, interne rijksverantwoordelijkheid, terwijl Vlaanderen de ecologische verbinding van zijn territorium louter liet afhangen van tijdelijke Europese projectmiddelen.
Zonder Europees geld en zonder eigen Vlaams budget verschuift de beloofde inhaalslag tot 2031 naar een volledige stagnatie op het terrein.
De weinige resterende plannen kunnen hierdoor enkel nog theoretisch worden voorbereid, of worden doorgeschoven naar een verre toekomst, wat de kloof met Nederland definitief onoverbrugbaar dreigt te maken. 

5. Politieke Activatie en Parlementaire Druk door het Middenveld
Dit complete budgettaire vacuüm is inmiddels uitgegroeid tot een brandpunt van intens maatschappelijk en politiek protest, waarbij de formele kanalen van de besluitvorming onder vuur worden genomen.
De drijvende kracht achter de publieke aanklacht tegen deze stilstand is de Vlaamse natuurvereniging GroenRand, een actieve speler die haar operationele koers ingrijpend heeft gemodificeerd.
Waar de organisatie zich historisch vooral profileerde via lokale sensibilisering en publiekswerking, fungeert zij tegenwoordig als een militante en strategische lobbygroep in de politieke coulissen.
GroenRand klaagt de totale droogte van het VAPEO-budget en de stopzetting van vitale corridors, zoals de ecologische ontsnippering rondom strategische schietvelden en grote gewestwegen, ongezouten aan.
Om deze aanklacht om te zetten in concrete beleidsdruk, heeft de vereniging doelgericht kritische volksvertegenwoordigers binnen het Vlaams Parlement ingeschakeld en gevoed met gedetailleerde dossiers.
Via deze directe alliantie met parlementsleden worden ministers in de bevoegde Commissie voor Leefmilieu, Natuur en Ruimtelijke Ordening systematisch geïnterpelleerd over het uitblijven van de beloofde natuurverbindingen.
Deze volksvertegenwoordigers gebruiken de data van GroenRand om parlementaire vragen te stellen over het ontbreken van het VAPEO-ontwerpinvesteringsprogramma, en eisen dat de overheid haar verplichtingen nakomt.
De vereniging hanteert hiermee een tactiek waarbij de ecologische claims van onderop rechtstreeks in het hart van de wetgevende macht worden gedropt, wat een scherpe breuklijn creëert met de doorgaans meer timide Vlaamse adviesraden.
Door volksvertegenwoordigers te bewapenen met concrete lokale knelpunten, dwingt GroenRand de Vlaamse Regering om publiekelijk kleur te bekennen over de de facto stopzetting van het ontsnipperingsbeleid tot 2031.
Dit toont aan dat de strijd voor ecologische connectiviteit in Vlaanderen is getransformeerd van een puur technische discussie tussen ingenieurs naar een hoogst gepolitiseerd conflict in de parlementaire arena.

6. Kerngegevens in Grafisch Perspectief
Tabel 1: Strategisch en Institutioneel Beleidskader
BeleidsaspectNederland 🇳🇱Vlaanderen 🇧🇪
KerndocumentMeerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO)Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO)
Overkoepelend NetwerkNatuurnetwerk Nederland (voorheen EHS)Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) / Open Ruimte
SturingsmodelTop-down, gecentraliseerde rijksregie tot 2018Horizontale samenwerking tussen agentschappen (AWV, ANB, Omgeving)
FinancieringCentraal, rijksbreed verankerd budgetAfhankelijk van Europese subsidies; totale investeringsstop tot 2031
Huidige StatusProjecten afgerond (2018); beheer ligt nu bij provinciesStagnatie door het wegvallen van budgetten en subsidies
Tabel 2: Ruimtelijke Knopen en Fysieke Hindernissen
Fysieke ParameterNederland 🇳🇱Vlaanderen 🇧🇪
Ruimtelijke StructuurStrakke zonering; scherpe scheiding tussen stad en natuurExtreme versnippering; gekenmerkt door 13.000 km lintbebouwing
Fragmentatie-indicatorGrote open blokken bewaard buiten de stedelijke netwerkenBijna 50% van de open ruimte ligt <200m van bebouwing
GrondverwervingVroegtijdige reservering van goedkopere natuur-/landbouwgrondComplexe onteigeningen van dure gronden nabij bebouwing
Maatschappelijk DraagvlakHoge consensus door vroege wettelijke vastleggingGrote politieke gevoeligheid (conflicten met landbouw en bewoners)
Tabel 3: Technische Oplossingsrichtingen per Regio
Type IngreepToepassing in Nederland 🇳🇱Toepassing in Vlaanderen 🇧🇪
Grootschalig (Ecoducten)Primair: Tientallen monumentale ecoducten over snelwegen and spoorlijnen.Secundair: Enkel mogelijk op strategische locaties of bij grote herinrichtingen.
Kleinschalig (Faunabuizen/tunnels)Systematisch: Geïntegreerd als standaardonderdeel van de grotere corridors.Primair: Veelgebruikt als innovatieve micro-oplossing wegens ruimtegebrek.
Flankerend BeleidBeheer van toeleidende zones via provinciale natuurplannen.Focus op 'Green Deals', ontharding en bottom-up burgerinitiatieven.

7. Bestuurlijke Nuances en Toekomstige Uitdagingen
Hoewel de balans onmiskenbaar in het voordeel van Nederland doorslaat, dwingt een grondige academische analyse ook tot het plaatsen van enkele kritische kanttekeningen bij het Nederlandse succesverhaal.
Het formele sluitstuk van het Meerjarenprogramma Ontsnippering in 2018 betekende dat de nationale overheid de regie over het natuurbeleid grotendeels heeft gedecentraliseerd naar de twaalf provincies.
Deze bestuurlijke verschuiving heeft ertoe geleid dat het eens zo monolithische Nederlandse beleid scheuren begint te vertonen.


Provincies wegen ecologische belangen vandaag de dag vaker af tegen lokale economische noden, zoals de dringende behoefte aan woningbouw en de belangen van de intensieve veehouderij.
Hierdoor ontstaat de paradoxale situatie dat de grote, infrastructurele kunstwerken (de ecoducten) er weliswaar liggen, maar dat de aansluitende zones en corridors op provinciaal niveau soms onder druk komen te staan.
Een ecoduct verliest immers zijn biologische functie wanneer de toeleidende zones aan de overzijde worden gefragmenteerd door nieuwe logistieke distributiecentra of intensieve landbouwenclaves.
De Nederlandse voorsprong is met andere woorden geen statisch gegeven, maar un dinamic kapitaal dat onderhevig is aan voortdurende politieke erosie.
Aan de andere kant van de grens heeft de Vlaamse achterstand, die nu verankerd wordt door de begrotingsdroogte, geleid tot een gedwongen vorm van creativiteit.
Omdat het realiseren van monumentale, miljoenen kostende ecoducten wegens het gebrek aan middelen en de dichte lintbebouwing op veel plaatsen simpelweg onmogelijk is geworden, moet Vlaanderen overleven met micro-ontsnippering.
Er kan enkel nog kleinschalig worden ingezet op het installeren van goedkopere faunabuizen, ecorasteringen langs secundaire wegen, amfibietunnels en wildreflectoren.


Daarnaast probeert de Vlaamse overheid de budgettaire leegte op te vangen door ontsnippering te koppelen aan de bredere maatschappelijke transitie naar ontharding, wat minder directe infrastructuurkosten met zich meebrengt.
Initiatieven zoals de Vlaamse Green Deals en het stimuleren van lokale natuurverbindingen door burgerinitiatieven tonen aan dat Vlaanderen de afwezigheid van een centrale, kapitaalkrachtige regie probeert te compenseren met een netwerk van bottom-up partnerschappen.
Dit verschil in dynamiek weerspiegelt een dieperliggend filosofisch verschil in de benadering van de openbare ruimte.
Waar de Nederlandse traditie uitgaat van de maakbaarheid van het landschap via dure technocratische ingrepen van bovenaf, dwingt de Vlaamse armoede tot een participatief model waarin natuurontwikkeling moet bedelen om ruimte en lokale steun.
Het Vlaamse model bouwt daardoor noodgedwongen aan een lokaal maatschappelijk draagvlak per micro-project, simpelweg omdat er geen geld is voor grootschalige, dwingende onteigeningen van bovenaf. 

8. Conclusie en Beleidsaanbevelingen
De diepgaande vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen laat zien dat een effectief ontsnipperingsbeleid valt of staat met de historische keuzes in de ruimtelijke ordening en de stabiliteit van de financiering.
Nederland heeft op overtuigende wijze bewezen dat een gecentraliseerd masterplan met harde planologische grenzen en een gegarandeerd, intern budget in staat is om een versnipperd ecologisch landschap structureel te herstellen.
Het succes van het MJPO-programma dient als een internationaal schoolvoorbeeld van hoe infrastructurele connectiviteit kan worden gerealiseerd wanneer politieke wil en financiële middelen onafhankelijk van buitenlandse subsidies worden georganiseerd.
Vlaanderen bevindt zich daarentegen in een uiterst precaire situatie waarin de inhaalslag al is gestopt voordat hij goed en wel op gang kon komen.
De weigering van de Vlaamse overheid om na het wegvallen van de Europese subsidies eigen middelen vrij te maken, veroordeelt het ontsnipperingsbeleid tot een totale stilstand tot 2031.
De druk die maatschappelijke organisaties zoals GroenRand via de parlementsleden uitoefenen, legt pijnlijk bloot dat het beleid zonder structurele verankering ontaardt in louter lippendienst.


Om deze vicieuze cirkel te doorbreken, is er dringend nood aan een structurele omschakeling in de begrotingslogica.
Vlaanderen moet de financieringsstructuur van het Nederlandse model overnemen door ontsnipperingsbudgetten wettelijk te verankeren in de algemene middelen, in plaats van te gokken op tijdelijke Europese projectsteun.
Tegelijkertijd mag Nederland de lessen uit zijn eigen recente geschiedenis niet negeren, aangezien de decentralisatie naar de provincies een reëel risico vormt voor de continuïteit van de grote assen.
Zonder stringente, nationale kaders dreigt de unieke Nederlandse ecologische infrastructuur te degraderen tot een verzameling van prachtig ontworpen maar functioneel geïsoleerde monumenten.
Voor de toekomst van de West-Europese biodiversiteit is de conclusie helder, want Vlaanderen heeft dringend nood aan de harde budgettaire discipline en centrale regie van Nederland, terwijl Nederland zijn decentralisatie moet bewaken om niet te vervallen in de gefragmenteerde chaos die Vlaanderen nu tot 2031 lamlegt.