woensdag 18 maart 2026

Belgische uitstoot stijgt weer door industrie en verkeer terwijl GroenRand alarm slaat over de natuur

De Belgische uitstoot neemt opnieuw toe door industrie en verkeer, terwijl GroenRand luid alarm slaat over de bedreigde natuur


98,012 miljoen ton aan broeikasgassen zoals CO2 en methaan en distikstofmonoxide werden er in 2024 uitgestoten in België.
Dat is 0,2 procent meer dan in 2023 wat een abrupte breuk is met de jarenlange traditie van dalingen die ons land de voorbije jaren kende.
Hoewel de uitstoot in 2021 ook al eens steeg door de uitzonderlijke economische heropleving na de coronacrisis is het eigenlijk al van 2018 geleden dat de Belgische cijfers zonder die reden de verkeerde kant opgingen.
Vandaag stoot België hierdoor 32,6 procent minder broeikasgassen uit dan in 1990 terwijl we vorig jaar toen de rekening werd gemaakt voor 2023 nog op 32,7 procent winst stonden.


Daarmee verdampt er een klein beetje van de klimaatwinst die ons land eerder boekte door schonere technologieën en het sluiten van vervuilende cokescentrales en betere isolatie van gebouwen.
België rapporteert deze cijfers aan de Europese Commissie die de uitstoot van alle lidstaten verzamelt om die op haar beurt over te maken aan de Verenigde Naties.
Alle 198 landen die het VN-klimaatverdrag UNFCCC hebben ondertekend moeten jaarlijks immers doorgeven hoeveel broeikasgassen er worden uitgestoten zodat de VN de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering in kaart kunnen brengen.
De recente stijging van de emissies is vooral te wijten aan de zware Vlaamse industrie waar de metaalsector en chemische bedrijven samen met de raffinaderijen maar liefst 1,2 miljoen ton extra broeikasgassen uitstootten.
In de Antwerpse haven en de omliggende industriegebieden ligt de kern van deze problematiek omdat dit een van de meest uitstootgevoelige regio's van heel Europa is met een enorme concentratie aan zware industrie.
Volgens het Vlaams Energie en Klimaatagentschap VEKA waren de emissies van de Vlaamse industrie in 2023 uitzonderlijk laag doordat twee grote industriële installaties toen in onderhoud waren.
Dat deze installaties in 2024 opnieuw werden aangeschakeld verklaart deels de stijging in de cijfers die België nu aan Europa heeft overgemaakt.


Terwijl de industriële uitstoot in Wallonië wel een daling liet zien bleven de emissies van het verkeer in heel België met 270.000 ton stijgen tussen 2023 en 2024.
Het verkeer rijdt helaas de verkeerde richting uit want hoewel automotoren efficiënter zijn geworden is de uitstoot met net geen 20 procent gestegen sinds 1990.
Dat maakt van het verkeer een van de schaarse sectoren waar de uitstoot van broeikasgassen niet daalt maar juist stijgt ondanks de snelle elektrificatie van het wagenpark.
Deze winst wordt deels ongedaan gemaakt doordat er steeds meer voertuigen over de Belgische wegen rijden met een toename van driekwart meer voertuigen dan in 1990.
Al die auto's en bestelwagens en vrachtwagens leggen samen de helft meer kilometers af dan toen waardoor de technologische vooruitgang volledig wordt opgeslokt.
Onderzoeker Joris Moorthamers van de dienst Klimaat noemt deze evolutie in het transport bijzonder zorgwekkend en spreekt van een modal shift in de verkeerde richting.


Natuurvereniging GroenRand trekt hierbij fel aan de alarmbel omdat de grens van wat onze lokale ecosystemen kunnen verdragen door deze industriële en verkeersdruk al lang is overschreden.
Om deze enorme druk van de industrie en de haven te compenseren werkt GroenRand aan een ambitieus plan voor een klimaatgordel rond Antwerpen als groene buffer.
Deze klimaatgordel moet fungeren als een ecologische bescherming tussen de zware havenindustrie en de omliggende woonkernen om de leefbaarheid en de gezondheid van de regio te bewaken.
Voor GroenRand is deze stijgende uitstoot geen kille statistiek maar een directe aanval op de biologische veerkracht van onze regio omdat bijna 93 procent van de Belgische natuur er al slecht aan toe is.
De opwarming die door deze gassen wordt versterkt zorgt voor een gevaarlijke mismatch in de voedselketen waarbij insecten op het verkeerde moment verschijnen voor de vogels die hun jongen moeten voeden.


De natuur krijgt vaker te maken met de dubbele klap van drogere zomers en nattere winters wat direct leidt tot meer bosbranden en ernstige bodemerosie in kwetsbare natuurgebieden.
Bovendien tast de hogere concentratie broeikasgassen de bodemkwaliteit aan door verzuring en vermesting waardoor bomen verzwakken en zeldzame vennen in onze regio volledig kunnen uitdrogen.
De sector van de afvalverwerking en de landbouw en de verwarming van gebouwen moeten hun uitstoot ook drastisch laten dalen om de Europese doelen van Fit for 55 te halen.
Europa vraagt van België dat de sectoren verkeer en gebouwen en landbouw tegen het jaar 2030 maar liefst 47 procent minder uitstoten dan in 2005.


Diensthoofd Elisabeth Ellegaard van de federale dienst Klimaat waarschuwt dat de klimaatdoelen nog niet in gevaar komen maar dat er wel een versnelling nodig is met structurele maatregelen.
Vlaams minister van Klimaat Hans Bonte reageert dat de regering 2 miljard euro vrijmaakt om bedrijven te ondersteunen bij hun verduurzaming en zo de concurrentiekracht en de jobs in Vlaanderen te garanderen.
Het is echter de grote vraag of dit budget volstaat om de stijgende lijn in het verkeer en de zware industrie definitief om te buigen en de verstikte natuur weer de nodige ademruimte te geven.


Elke vertraging in de reductie van emissies betekent immers een grotere druk op de kwetsbare biodiversiteit en een verhoogd risico op onomkeerbare schade aan ons leefmilieu en de toekomst van onze kinderen.
Het realiseren van de klimaatgordel rond de haven en het herstellen van de natuurlijke veerkracht op het terrein is volgens GroenRand de enige weg die nog rest om een lokale klimaatcatastrofe te voorkomen.
Zonder een fundamentele gedragswijziging in mobiliteit en industrie zal de Belgische uitstoot een blok aan het been blijven van de Europese inspanningen voor een klimaatneutraal continent tegen het jaar 2050.
De strijd tegen de klimaatverandering vergt meer dan alleen investeringen maar vraagt om een integrale aanpak waarbij natuurherstel en emissiereductie hand in hand gaan voor een leefbaar België.

Frank Vermeiren brengt de 'Water-Dandy' in beeld: De Fuut van A tot Z

Frank Vermeiren zet de 'Water-Dandy' in de schijnwerpers: de fuut van A tot Z


Frank Vermeiren: van A tot Z

Als natuurfotograaf bij GroenRand brengt Frank Vermeiren de lokale biodiversiteit dagelijks in beeld met zijn vogelreportages van A tot Z.
Hij legt hierbij telkens de focus op de fragiele schoonheid van onze directe omgeving in de regio Voorkempen.
We zijn vandaag aanbeland bij de letter F van de Fuut (Podiceps cristatus), de meest algemeen voorkomende futensoort in heel Vlaanderen.


De fuut is een van de meest gracieuze verschijningen op onze wateren en een vogel die in onze regio een ideaal leefgebied vindt.
Deze vogel voelt zich werkelijk overal thuis waar water is, van chique stadsparken en grachten tot afgelegen duinmeren en moerasgebieden.


Ook langs de randen van grote meren en in nieuwe riviernatuur is deze statige vogel een vaste en welkome gast.
In zijn zomerkleed is deze water-dandy onmiddellijk herkenbaar aan zijn witgemaskerde kop met een bruinrode krans die prachtig overloopt in zwart. 


Zijn verlengde zwarte kopveren geven hem een koninklijke uitstraling, terwijl zijn felrode ogen als robijnen schitteren in het zonlicht.
De bovenzijde van zijn lichaam is diepbruin, terwijl de onderzijde glanst als wit satijn, een pracht die mannetjes en vrouwtjes identiek delen.
Buiten het broedseizoen ondergaat de vogel een ware gedaanteverwisseling naar een veel soberder winterkleed.
In de winter oogt hij vaalbruin en wit en verliest hij bijna volledig zijn kenmerkende en sierlijke koptooi.
Kenmerkend voor de winterse fuut is de witte kleur boven de zwarte teugel, het gebiedje tussen het oog en de snavel.
Dit specifieke kenmerk onderscheidt hem van zijn zeldzamere neven die Frank soms ook in de regio weet te spotten.


De fuut is een vogel van uitersten, een meesterlijke duiker die onder water sneller is dan menig vis, maar op het land hulpeloos oogt. 


Zijn volledige anatomie is gedicteerd door een leven onder de waterspiegel, met poten die extreem ver naar achteren op het lichaam staan.
Deze positie stelt hem in staat om met krachtige stoten enorme snelheden te bereiken en vlijmscherpe bochten te maken tijdens de jacht.
Het is diezelfde achterwaartse plaatsing van de poten die hem vroeger de volksnaam aarsvoet opleverde bij de lokale bevolking.
Omdat hij op het land nauwelijks rechtop kan staan of lopen, kost zelfs het opvliegen de fuut een enorme fysieke inspanning.
Hij moet een lange klappende aanloop over het wateroppervlak nemen om genoeg snelheid te genereren voordat hij het luchtruim kiest. 


Het broedgebied van de fuut bestaat uit allerlei typen zoete tot brakke wateren van 0,5 tot ongeveer 5 meter diepte met voldoende vis.
Hij heeft een duidelijke voorkeur voor aflopende oevers met vegetatie en water met een niet al te dichte onderwaterbegroeiing.
Specifiek in de Voorkempen zijn er hotspots zoals het Park van Brasschaat, waar koppels op de grote kasteelvijver jaarlijks broeden.
Ook de slotgrachten van het Kasteel van Schoten en Domein de Renesse in Malle bieden de nodige beschutting voor hun nesten.
Voor wie de vogel in een natuurlijke setting wil zien, vormen de vennen in De Welvaart in Zoersel een prachtig en rustig decor.
Zelfs langs de Kempische Vaart, in de rustige inhammen en verbredingen, is de fuut een regelmatige gast die profiteert van de visrijkdom.
Een onmisbare locatie in het werk van Frank Vermeiren en de visie van GroenRand is de dertig kilometer lange Antitankgracht.
GroenRand beschouwt deze gracht als de ecologische ruggengraat van de Voorkempen en een vitale migratiecorridor voor vele soorten.
De gracht verbindt versnipperde natuurgebieden tussen Stabroek en Oelegem en fungeert als een robuust groen parelsnoer door de regio.
Omdat de Antitankgracht rijk is aan vis en beschutte begroeiing biedt, vormt het een ideaal territorium voor de fuut.
Langs de kanaaloevers en de zone rond de Bonte Klepper profiteren futen van de combinatie van diep viswater en luwe rietkragen.


Deze locaties maken deel uit van de doelstelling van GroenRand, het realiseren van een klimaatbestendige Voorkempen via Greenconnect.
De vereniging streeft naar het tegengaan van landschapsversnippering door het creëren van een klimaatgordel rond de regio Antwerpen.
De aanwezigheid van broedende futen is een compliment voor de waterkwaliteit, aangezien deze vogel helder water nodig heeft om te jagen.


Futen paren soms al heel vroeg in het jaar en voeren dan een spectaculair en complex gesynchroniseerd baltsritueel uit.
Dit ritueel begint met het opzetten van de verenkraag en het ritmisch spiegelend kopschudden om de onderlinge band te versterken.  


Het absolute hoogtepunt is de pinguïndans, waarbij de partners borst tegen borst verticaal uit het water rijzen met planten in de snavel.
Het nest is een technisch vernuftig drijvend bouwwerk van rottende plantenresten, vaak verankerd aan rietstengels of treurwilgen.
Dit drijvende karakter beschermt de eieren tegen schommelingen in het waterpeil, wat essentieel is in wateren met een beheerd peil. 


Het broedseizoen loopt van april tot juli, waarbij het vrouwtje meestal 3 tot 5 eieren legt die door beide ouders worden bebroed.
Zodra de kuikens na 25 dagen uit het ei kruipen, kunnen ze meteen zwemmen, maar ze klimmen direct op de rug van hun ouders. 


De kuikens worden vanwege hun zwart-wit gestreepte donsveertjes vaak pyjamaatjes genoemd door de wandelaars en fotografen. 


Daar op de rug zitten ze veilig voor de kou en voor hongerige snoeken of reigers die in de Voorkempen rijkelijk aanwezig zijn. 


Frank Vermeiren merkte op hoe de ouders hun pyjamaatjes beschermen tegen de golfslag van pleziervaart op de Kempische Vaart.
Zodra er een boot nadert, maken de ouders een rollend geluid waarna de jongen zich reflexmatig dieper tussen de rugveren begraven. 


De ouderfuut zet zijn vleugels dan iets hoger op als een natuurlijke golfbreker zodat de kuikens droog en veilig blijven.


Een uniek aspect van de opvoeding is het voeren van kleine veertjes aan de jongen om een viltachtige prop in de maag te vormen.
Deze prop voorkomt dat scherpe visgraten de kwetsbare darmen van de jonge vogels beschadigen tijdens het verteringsproces.
Het is een grappig gezicht wanneer een ouderfuut een veer uittrekt en deze als een klein hapje aanbiedt aan de wachtende jongen.
Frank herinnert zich een anekdote waarbij een jonge fuut zo ijverig op de rug wilde klimmen dat hij er aan de andere kant weer af rolde. 


Jonge futen proberen de onhandige aanloop van hun ouders na te bootsen, wat eindigt in een komisch getrappel over het wateroppervlak.
De fuut is een uitstekende visser die zich voedt met visjes zoals voorn, alver, serpeling, brasem, stekelbaars en baars.
Hij jaagt door geruisloos onder water te duiken, waar hij soms wel een volle minuut kan verblijven om zijn prooi te grijpen.
Frank zag ooit hoe een ouder een visje herkauwde door het meermaals door de snavel te halen omdat het te groot was voor het kuiken. 


Naast vis eet hij ook ongewervelden, waterinsecten, kreeftachtigen en af en toe wat waterplanten als noodzakelijke aanvulling.
Tijdens het broedseizoen laat de fuut een karakteristiek rollend kèrrr-kèrrr geluid horen dat over de Vlaamse vijvers galmt.
De hongerige jongen bedelen onophoudelijk om voedsel met een hoog doordringend en piepend pi-pi-pi geluid dat kilometers ver draagt.
Het is ook niet ongewoon om te zien hoe de ouders de jongen letterlijk onder de wol stoppen wanneer ze plotseling moeten duiken.
Frank komt ook de schuwe dodaars tegen, het kleinste familielid dat opvalt door zijn ronde achterste en hinnikende triller.
In afgelegen vennen spot hij soms de geoorde fuut met gouden oorpluimen, die graag in de buurt van kokmeeuwen broedt.
De aanwezigheid van meeuwen biedt de geoorde fuut een vroegtijdig waarschuwingssysteem tegen naderende roofvogels in de natuur. 
Een echt geluksmoment is de waarneming van een doortrekkende roodhalsfuut, herkenbaar aan de kastanjebruine hals in de zon.


In de negentiende eeuw was de fuut bijna uitgestorven door de jacht op zijn borstveren die gewild waren voor de hoedenmode.
De vogel werd op grote schaal geslacht voor de futenbont handel, waarbij veren werden gebruikt in moffen, kragen en luxe hoeden.
Dankzij vroege natuurbescherming en herstel van waterkwaliteit is de populatie in de 20ste eeuw spectaculair toegenomen.
Factoren zoals eutrofiëring, milieuregels en gewenning aan de mens hebben bijgedragen aan de terugkeer van deze prachtige vogel.


Gebieden zoals de Vallei van de Delfte Beek en de Vorse Beemden in Zoersel worden door Natuurpunt Voorkempen beheerd.
Het is cruciaal dat wandelaars op de paden blijven om de drijvende nesten niet te verstoren tijdens het kritieke broedseizoen.
Futen smeren hun verenpak regelmatig in met vet uit de stuitklier om het volledig waterdicht te houden tijdens het zwemmen.
Door deze olieachtige laag blijft hun drijfvermogen optimaal en kunnen ze de koudste winterdagen op open water overleven. 


Buiten de broedtijd verliezen ze hun schuwheid en kunnen ze zelfs in zoutwatermilieus langs de kust worden aangetroffen.
De overgang naar zout water is een indrukwekkende prestatie voor een vogel die normaal gesproken in zoet water vertoeft.
Voor Frank Vermeiren blijft de aanblik van een duikende fuut langs de Antitankgracht een symbool van de wilde natuur. 
Elke foto die Frank maakt vertelt het verhaal van een vogel die ooit bijna verloren was voor onze Vlaamse regio.

Het observeren van de fuut leert ons geduld, want soms moet je lang wachten op dat ene perfecte moment voor een foto.
De kasteelvijver van Brasschaat en de rietkragen van de Bonte Klepper blijven de absolute place to be voor elke natuurliefhebber.
Frank besluit dat de fuut ons leert dat schoonheid en overlevingskracht hand in hand gaan als wij hen rust en ruimte gunnen.

dinsdag 17 maart 2026

De Europese kanarie in de Voorkempen: Frank Vermeiren brengt een zeldzaamheid in beeld

De Europese kanarie in de Voorkempen: Frank Vermeiren legt een zeldzaamheid vast op beeld


Hoewel de Europese kanarie (Serinus serinus) in de officiële statistieken voor de Voorkempen als een zeldzaamheid te boek staat, bewijzen de eerdere waarnemingen van Frank Vermeiren dat de vogel er wel degelijk nog voorkomt.
Als natuurfotograaf bij GroenRand brengt hij de lokale biodiversiteit dagelijks in beeld met zijn vogelreportages van A tot Z, waarbij hij telkens de focus legt op de fragiele schoonheid van onze directe omgeving.
Bij de letter 'E' van de Europese kanarie toont hij aan dat deze schaarse soort, ondanks de algemene achteruitgang in Vlaanderen, nog steeds de weg vindt naar onze regio.


Zijn werk onderstreept dat de parkachtige landschappen en villatuinen met oude coniferen in gemeenten als Schilde, Zoersel, Malle en 's-Gravenwezel nog steeds een uiterst geschikt biotoop vormen voor deze kleine zanger.
De aanwezigheid van deze vogel is een graadmeter voor de kwaliteit van onze lokale natuurgebieden en de groene gordels die de Voorkempen zo typeren, ondanks de toenemende verstedelijking.


Wie deze vogel zelf wil herkennen, moet zoeken naar een kleine vinkachtige met een opvallend korte staart en een korte, dikke, grijze snavel die perfect is aangepast aan het kraken van de kleinste zaden.
Het verenkleed van de Europese kanarie is uiterst fijn getekend en rijk aan details waarbij de rug, buik, mantel en flanken zwaar gestreept zijn met donkere, bijna zwarte lijnen.
Bij de volwassen mannetjes zijn het voorhoofd, de wenkbrauwstreep, de zijhals, de borst en de stuit prachtig citroengeel gekleurd, wat ze een bijna tropisch uiterlijk geeft wanneer het zonlicht op hun veren valt.
De vrouwtjes zijn aanzienlijk discreter gekleurd met een vaal geelwitte tint en een nog zwaardere streping op de borst, wat hen een uitstekende schutkleur geeft tijdens het broeden.
Juveniele vogels hebben in hun eerste maanden zelfs helemaal geen gele onderdelen, wat hun determinatie in het veld bijzonder lastig maakt omdat ze makkelijk verward kunnen worden met andere jonge vinkachtigen zoals de sijs of de kneu.


De zang is echter het meest betrouwbare kenmerk en bestaat uit een razendsnelle, bijna koortsachtige combinatie van ratels en trillers die minutenlang onophoudelijk kan doorgaan.
Vogelaars vergelijken dit unieke geluid vaak met rammelende sleutels of het geluid van brekend glas dat in de verte weerklinkt vanuit de hoogste boomtoppen.
De roep klinkt als een karakteristieke, stuiterende triller waarin vaak een metaalachtig en kort "tzzzrrrilrlrlr" verweven zit, een geluid dat de vogel vaak laat horen tijdens het vliegen.
Rond deze tijd van het jaar, op 17 maart, bevindt de Europese kanarie zich in een cruciale fase van zijn jaarcyclus: de terugkeer uit de overwinteringsgebieden in het zuiden.
Hoewel een zeer klein deel van de populatie in uitzonderlijk zachte winters als standvogel in West-Europa kan blijven, overwintert het overgrote deel in Zuid-Europa en Noord-Afrika.


Aangezien België aan de absolute noordgrens van zijn Europese verspreidingsgebied ligt, is de trek hier vaak subtiel en gaat het meestal om enkelingen die druk en hoog door de lucht schieten.
In de tweede helft van maart en in de loop van april komen de schaarse doortrekkers onze kant op via dagtrek, waarbij ook nachtelijke verplaatsingen door wetenschappers niet worden uitgesloten.
De mannetjes die in de Voorkempen neerstrijken, zijn momenteel bijzonder actief en bakenen hun territorium af via hun zeer opvallende en acrobatische zangvluchten.


Hierbij vliegen ze met trage, stijve en bijna vleermuisachtige vleugelslagen in wijde cirkels boven de boomtoppen terwijl ze hun zang onafgebroken over het landschap uitstorten.
In de winterperiode, wanneer ze nog in groepen verblijven voor de veiligheid, zijn ze vooral te vinden op plaatsen met kruidenrijke vegetatie en braakliggende terreinen buiten de dorpskernen.
Hier gedragen ze zich als stereotype zaadeters die specifiek op zoek gaan naar onkruidzaden van kruisbloemigen zoals herderstasje, vogelmuur en verschillende soorten zuring.



De geschiedenis van de vogel in onze streken is relatief kort, aangezien de soort pas rond het jaar 1880 zijn leefgebied vanuit het Middellandse Zeegebied gestaag begon uit te breiden naar de Lage Landen.
Deze historische noordwaartse expansie wordt vaak aangehaald als een van de meest succesvolle natuurlijke uitbreidingen van een zangvogel in Europa gedurende de laatste twee eeuwen.
Het eigenlijke broedseizoen loopt van begin april tot diep in augustus, waarbij de vogel doorgaans twee volledige legsels per jaar produceert om de overlevingskansen van de soort te vergroten.
Bij ongunstige weersomstandigheden of bij slechts één geslaagd legsel stopt het seizoen voor veel individuele paren vaak al in de loop van de maand juli.
Een legsel bestaat gewoonlijk uit drie tot vier kleine, gespikkelde eieren die gedurende twaalf tot dertien dagen uitsluitend door het vrouwtje op temperatuur worden gehouden.
De Europese kanarie nestelt bij voorkeur in een semi-urbane omgeving waar menselijke aanwezigheid en natuur in elkaar overvloeien, zoals in parken en op begraafplaatsen.


Het is het vrouwtje dat de volledige architecturale verantwoordelijkheid draagt voor de bouw van het kleine, uiterst compacte en stevige nest.
Dit nest is een kunstig meesterwerkje van fijne takjes, stengels, mos en korstmos, aan de binnenzijde zacht gevoerd met haren, veertjes en pluizig plantaardig materiaal.
De nestplaats bevindt zich vaak aan de uiterste uiteinden van de takken of dieper verborgen in de kroon van fruitbomen en diverse soorten coniferen.
De hoogte van het nest varieert meestal tussen de drie en zes meter boven de grond, al zijn er in de regio Voorkempen ook nesten gedocumenteerd op een hoogte van wel dertien meter in oude ceders.
De uitgesproken voorkeur voor coniferen is in onze regio opvallend, aangezien deze groenblijvende bomen ook in het vroege en nog kale voorjaar al de nodige visuele dekking bieden tegen vijanden.
De zorg voor de jongen is een intensieve en gezamenlijke taak waarbij het mannetje na het uitkomen van de eieren eerst voer aan het vrouwtje geeft op het nest.
Daarna gaan beide ouders onvermoeibaar op pad om voedsel te verzamelen, waarbij ze naast zaden ook kleine insecten zoals bladluizen en rupsen vangen voor hun kroost.
Deze insecten zijn van levensbelang omdat de jongen behoefte hebben aan enorme hoeveelheden eiwitrijk voedsel voor een razendsnelle ontwikkeling van hun spieren en veren.
Het is fascinerend om te zien hoe deze vogel, die normaal strikt vegetarisch leeft, zijn dieet volledig aanpast aan de fysiologische behoeften van zijn groeiende jongen.
Na een periode van gemiddeld vijftien tot achttien dagen zijn de jongen vliegvlug, waarna ze nog ongeveer negen dagen volledig afhankelijk blijven van de ouders voor hun dagelijkse voeding.
Na de zomerperiode begint de najaarstrek weer op gang te komen in september, met een duidelijke piek eind september en gedurende de gehele maand oktober.
Tot ver in november kunnen er nog kleine, versnipperde aantallen Europese kanaries voorbijtrekken op hun lange weg naar de warmere zuidelijke winterkwartieren.
Hoewel de vogel op de Vlaamse Rode Lijst momenteel de kritieke status 'Bijna Bedreigd' heeft, bewijzen de beelden van GroenRand-fotograaf Frank Vermeiren hun overleving.
De afname van natuurlijke braakliggende terreinen en de toenemende drang naar netheid in onze privétuinen maken het voor deze zaadeter echter steeds uitdagender om te overleven.
Het behoud van kruidenrijke randen en het bewust laten staan van inheems onkruid zijn dan ook van cruciaal belang voor het voortbestaan van de soort in onze regio.
Dankzij de passie en de nauwgezette documentatie van lokale waarnemers krijgt de Europese kanarie de aandacht die hij verdient om niet uit ons landschap te verdwijnen.
Elke geslaagde foto en elke geregistreerde zangvlucht draagt bij aan een groter bewustzijn over de rijke maar kwetsbare biodiversiteit die de Voorkempen nog steeds herbergt.
Het verhaal van de Europese kanarie is daarmee niet alleen een biologisch verslag, maar ook een oproep tot meer waardering voor de kleine wonderen in onze eigen achtertuin.

Schepen Wouter Patho en cartoonist Gier krijgen op 1 april Groene Duim van GroenRand voor 1,6 kilometer extra hagen en fijn tekenwerk

Schepen Wouter Patho en cartoonist Gier krijgen op 1 april Groene Duim van GroenRand voor 1,6 kilometer extra hagen en fijn tekenwerk


Wouter Patho (N-VA), schepen van milieu in Malle, krijgt samen met cartoonist Gier de Groene Duim van natuurvereniging GroenRand.

Natuurvereniging GroenRand viert haar tiende verjaardag en zet dit jubileum extra luister bij met het project Bijtandje Houtkantje, dat in 2026 de focus legt op het herstel en de uitbreiding van houtkanten in de regio Voorkempen en Noorderkempen.
Het werkingsgebied van dit initiatief omvat de gemeenten Brasschaat, Brecht, Kalmthout, Kapellen, Malle, Ranst, Schilde, Schoten, Stabroek, Wuustwezel, Kalmthout en Zoersel.
De naam is een speelse verwijzing naar “een tandje bijsteken” en onderstreept de noodzaak om het landschap te versterken door ontbrekende schakels in groene linten weer op te vullen.

Het project sluit nauw aan bij het Vlaamse Houtkantenplan en zet in op klimaatadaptatie door het creëren van lijnvormige landschapselementen.
Deze zijn essentieel om genetische verarming tegengaan en bieden cruciale huisvesting aan vogels, insecten en kleine zoogdieren zoals egels en marterachtigen.

Een specifieke en grote uitdaging bij deze ontsnippering is dat deze groene linten vaak op menselijke hindernissen stuiten, zoals wegen.
GroenRand benadrukt daarom het vitale belang van faunapassages en ecotunnels.

Binnen dit initiatief fungeert de gemeente Malle als het schoolvoorbeeld voor de regio omdat zij bewijst dat een natuurbeleid op basis van vrijwilligheid en samenwerking met landbouwers tot tastbare resultaten leidt.
Onder impuls van schepen van Natuur Wouter Patho (N-VA) en het LEADER-project “1 kilometer hecht landschap” werd in Malle al 1,6 kilometer aan nieuwe hagen en bomenrijen gerealiseerd.

Lezing


De toekomstplannen van de gemeente focussen op educatie met een lezing op woensdagavond 1 april om 19.30 uur door landschapsmedewerker Domien Van Dijck in de lokalen van de Heemkundige Kring van Malle aan de Lierselei 28 bus 2, waarbij dieper wordt ingegaan op de evolutie van het landschap en de strijd tegen biodiversiteitsverlies.
Tijdens deze gratis avond reikt GroenRand haar jaarlijkse twee Groene Duimen uit als erkenning voor bijzondere verdiensten.
De eerste onderscheiding gaat naar schepen Wouter Patho voor zijn volgehouden inspanningen en de tweede naar de Kempense cartoonist Gie Campo die onder zijn pseudoniem Gier al decennialang onbezoldigd zijn artistieke talent inzet voor de natuursector.
Gie ontwierp niet alleen het officiële logo van Bijtandje Houtkantje, maar tekende ook cartoons over ontsnippering om complexe ecologische boodschappen.
Met de huldiging van zowel een beleidsmaker als een kunstenaar onderstreept GroenRand dat natuurbehoud zowel een kwestie is van tastbare aanplantingen als van inspirerende communicatie.
Iedereen is welkom om de lezing en uitreiking mee te beleven. 
Inschrijven is verplicht. Schrijf je hier in voor de lezing.

Het artikel van het Nieuwsblad kan u hier
 lezen

Meer informatie ook in Noordernieuws




maandag 16 maart 2026

De Vlaamse natuur op de pijnbank: van Brussels debat tot de otter-alarmbel van GroenRand


Eigen redactie - foto's: Ingrid Boumans

Op vrijdag 13 februari 2026 presenteerde het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) zijn langverwachte zesjaarlijkse rapportage over de Europees beschermde natuur.
Dit wetenschappelijke document analyseert de toestand van 46 habitattypen en zeventig beschermde soorten, op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
Het rapport vormde de directe aanleiding voor een uiterst gedetailleerd debat tijdens de vergadering van de Commissie voor Leefmilieu, Natuur en Ruimtelijke Ordening op dinsdag 10 maart 2026.


Terwijl de Europese Natuurherstelverordening lidstaten dwingt tot actie, blijkt uit de cijfers dat de globale toestand van de Vlaamse natuur er amper op vooruitgaat.
Slechts een kwart van de beschermde soorten verkeert in een gunstige staat, en voor hun leefgebieden is dat maar 4 procent.
De natuur droogt uit door een veranderend klimaat, en kwetsbare heide en vennen krijgen nog altijd te veel stikstof te verwerken.
Het landschap ligt er versnipperd bij, en de achteruitgang baart het meest zorgen buiten de beschermde gebieden en vooral in agrarisch gebied.
Het gaat niet goed met soorten die voorkomen in landbouwgebied, zoals de akker- en weidevogels en de wilde hamster.
Tijdens de bewuste commissievergadering op 10 maart 2026 kreeg Sanne Van Looy (N-VA) het woord om de debatten te openen.


Zij benadrukte dat de staat van instandhouding integraal beoordeeld moet worden op basis van vier onmisbare facetten, zijnde areaal, oppervlakte, kwaliteit en toekomstperspectief.
Het is die samenhang die bepaalt of iets duurzaam kan functioneren in onze regio, en een overlevingskans biedt op lange termijn.
Van Looy polste naar de prioriteiten uit de INBO-aanbevelingen, zoals het creëren van robuuste natuurgebieden en het benutten van koppelkansen.
Zij vroeg ook expliciet naar het Nederlandse concept van basiskwaliteit voor natuur buiten de beschermde zones, dat een minimumniveau aan natuurkwaliteit onderschrijft.
Mieke Schauvliege (Groen) volgde met een vlijmscherpe analyse over de Europese Natuurherstelwet, die in 2024 werd goedgekeurd door de Europese Unie.
Deze wet verplicht lidstaten om tegen 2030 herstelmaatregelen te nemen voor ten minste 30 procent van de habitats in slechte staat.


Tegen september 2026 moeten de lidstaten hun definitieve nationale herstelplannen indienen bij de Europese Commissie, om sancties te vermijden.
Schauvliege hekelde het gebrek aan transparantie en financiering, en wees op het openstaande saldo van 13.000 hectare nieuwe natuur dat nog nodig is.
Zij waarschuwde dat het mikken op een definitief plan in 2027 of 2028 de rechtszekerheid van vergunningen hypothekeert, en inbreukprocedures uitlokt.
Ook vroeg zij of de minister een volledige maatschappelijke kosten-batenanalyse zou laten uitvoeren voor het natuurherstelplan, in uitvoering van de verordening.
Bieke Verlinden (Vooruit) legde de focus op de maatschappelijke relevantie, omdat gezonde natuur bepaalt hoe goed we bestand zijn tegen wateroverlast en droogte.
Zij uitte haar zorgen over de politieke besluitvorming die pas tegen de zomer van 2026 wordt verwacht, met een definitieve indiening in 2027.
Zij vroeg naar een jaarlijks monitoringsysteem om de voortgang richting 2030 effectief te kunnen bewaken, op basis van meetbare resultaten op het terrein.


Andy Pieters (N-VA) bracht een positiever geluid en wees op succesverhalen, zoals de terugkeer van de otter en de fint dankzij het Sigmaplan.
Natuurvereniging GroenRand spreekt dit optimisme echter met klem tegen, op basis van de Europese otterconferentie in Antwerpen op 12 en 13 maart 2026.
Daar bleek dat de otter in Vlaanderen een uiterst kwetsbare randpopulatie blijft van slechts 10 tot 20 individuen in het hele gewest.
Rond 1900 was het dier nog zeer algemeen, maar halverwege de 20ste eeuw volgde een drastische achteruitgang door actieve vervolging en premies.
De genadeslag volgde in de jaren 1980 en 1990 door habitatverlies en zware waterpollutie, waardoor de soort nagenoeg uitgestorven werd beschouwd.
Sinds het begin van deze eeuw zien we een kentering, maar het herstel verloopt tergend moeizaam ondanks waarnemingen in Limburg en Oost-Vlaanderen.
Terwijl Nederland inmiddels 500 otters telt, slaagt de soort er in Vlaanderen niet in om zich duurzaam voort te planten door barrières.
Het eenogige vrouwtje Mevrouw Eenoog leeft bijvoorbeeld al sinds 2019 alleen in de regio Durme-Donk, zonder partner te vinden voor haar kroost.
Zij legt enorme trajecten tot 54 kilometer af, maar blijft de enige in haar gebied, wat de kwetsbaarheid van de populatie pijnlijk benadrukt.


Bovendien toont onderzoek aan dat onze vissen verzadigd zijn met chemische stoffen, zoals PCB’s en PFAS, wat de vruchtbaarheid aantast.
Ook zorgt de verkeersdruk voor veel road kill, waarbij jaarlijks naar schatting 10 tot 25 procent van de populatie sneuvelt op de wegen.
GroenRand waarschuwt dat de soort zonder ingrijpen de genetische val niet zal overleven, door inteelt en een gebrek aan genetische variatie.
Minister van Omgeving en Landbouw Jo Brouns (cd&v) reageerde in de commissie uitgebreid op deze kritische geluiden en cijfers.
Hij gaf toe dat de staat van veertig habitats de tevredenheid tempert, maar wees op het strenge ‘one out, all out’-principe voor de status.
De minister deelde cijfers, zoals de 7.131 hectare die sinds de zomer van 2024 onder natuurbeheer is gebracht via 121 goedgekeurde plannen.
In 2024 werd 710 hectare aangekocht in functie van de erkenning als natuurreservaat, en in 2025 kwam daar nog eens 532 hectare bij.


De projectsubsidies natuur ondersteunen in 2024 herstel op 563 hectare, en voor 2025 gaat het om 712 hectare aan concrete acties.
Voor de stikstofsanering in de periode 2025-2030 is een provisioneel budget van 747 miljoen euro vastgelegd in de Vlaamse begroting.
Hiervan is 118 miljoen euro gepland in 2026 en 153 miljoen euro in 2027, om de overmaat aan stikstof op het landschap aan te pakken.
De minister onthulde tevens dat het ANB werkt aan beeldherkenning op luchtbeelden om illegale rooiingen van houtkanten automatisch te detecteren.
Mien Van Olmen (cd&v) vroeg een stand van zaken over de 3,6 miljard euro die de Vlaamse Regering eerder reserveerde voor stikstofsanering.
Lydia Peeters vroeg de garantie dat er geen extra beschermde zones buiten de huidige gebieden zouden worden gecreëerd door het herstelplan.
GroenRand uit grote bezorgdheid over de financiële onzekerheid na 2027, omdat het programma VAPEO zwaar leunt op tijdelijk relancegeld.
Zonder geoormerkt geld voor ontsnippering zullen cruciale faunapassages onder gewestwegen vertraging oplopen in de komende jaren.


Slechts twee dagen na dit debat volgde op donderdag 12 maart 2026 de praktijk op het woord door toedoen van de bevoegde minister.
Vlaams minister van Plattelandsbeleid Hilde Crevits (cd&v) gaf het officiële startschot voor de vierde subsidieronde van de VLM.
Deze ronde stelt 640.000 euro beschikbaar voor de aanplant en het herstel van houtkanten, met subsidies tot 70 procent van het bedrag.
De minister plantte zelf 36 bomen en 310 meter heg aan, om het belang van houtkanten als bloedvaten van ons landschap te onderstrepen.
Houtkanten bevorderen immers de biodiversiteit door onderdak te bieden aan vogels en kleine zoogdieren, onder de paraplu van de otter.
Natuurvereniging GroenRand roept de lokale besturen uit haar werkingsgebied op om massaal op deze oproep van de VLM in te gaan.


Het gaat om de gemeenten Brasschaat, Brecht, Essen, Kalmthout, Kapellen, Malle, Ranst, Schilde, Schoten, Stabroek, Wuustwezel, en Zoersel.
Als erkenning voor geleverd pionierswerk schenkt GroenRand de Groene Duim 2026 aan de gemeente Malle voor hun visie op lange termijn.
Zij richten zich specifiek tot milieuschepen Wouter Patho en cartoonist Gier, die de publieke betrokkenheid bij natuur versterkt door zijn kunst.
Malle realiseerde al 1,6 kilometer hagen en streeft naar maar liefst acht kilometer nieuwe houtkanten en 16.000 extra bomen tegen 2030.
Malle wil een CO2-reductie van 40 procent halen en focust op het herstel van het authentieke Kempische landschap met inwoners.
Om deze expertise te delen nodigt Malle iedereen uit op de lezing Sporen van vroeger, kansen voor morgen door Domien Van Dijck.


Deze vindt plaats op woensdagavond 1 april om 19.30 uur in het Koetshuis van Domein De Renesse voor alle geïnteresseerden in de regio.
Dit project met de naam Bijtandje-houtkantje vormt zo de definitieve brug tussen het Brusselse beleid en de noodzakelijke natuurverbinding in de regio.

Inschrijven voor de lezing is verplicht.
Schrijf je 
hier in voor de lezing.