zondag 22 maart 2026

De koning van de waterloop: De broze terugkeer van de Europese otter

De koning van de waterloop: De fragiele terugkeer van de Europese otter


De pen van Glenn - Otterconferentie op 12 en 13 maart 2026 in het Antwerpse provinciehuis 

De pen van Glenn is de vaste rubriek van de vereniging GroenRand waarin de auteur optreedt als een zorgzame verteller voor de natuur in de Voorkempen.
In plaats van harde kritiek te uiten, fungeert hij eerder als een waakzame gids die de vinger aan de pols houdt van onze leefomgeving.
Hij vertaalt complexe dossiers naar menselijke verhalen en geeft daarmee een stem aan de kwetsbare elementen in ons landschap, zoals de otter of de boomkikker.
Zijn teksten zijn een uitnodiging om met meer aandacht naar de biodiversiteit te kijken en herinneren ons eraan hoe waardevol een gezonde natuurlijke omgeving is voor de hele regio.


Tijdens de internationale conferentie op 12 en 13 maart 2026 in het Antwerpse provinciehuis stond de grootschalige terugkeer van de otter centraal.
Experts uit de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en de Nederlandse provincie Noord-Brabant deelden daar hun meest recente monitoringsgegevens.
De samenwerking tussen deze regio's is essentieel omdat de otter zich over grote afstanden langs grensoverschrijdende waterwegen verplaatst.
Recent bewijs uit Broek De Naeyer toont aan dat de populatie zich vanuit de Scheldevallei in Oost-Vlaanderen gestaag uitbreidt naar het Antwerpse binnenland.
Een cruciaal discussiepunt was de noodzaak voor meer otterpassages bij drukke gewestwegen in al deze provincies om het aantal verkeersslachtoffers te verminderen.


Er werd gepleit voor een betere uitwisseling van genetisch materiaal tussen de populaties in de Vlaamse riviervalleien en de Nederlandse natuurparken.
De inzet van burgerwetenschap en cameravallen werd besproken als een onmisbare methode voor de effectieve opvolging van deze schuwe marterachtige.
In dit internationale netwerk fungeert de Antitankgracht als een strategische schakel die de migratie tussen de verschillende kerngebieden faciliteert.
Het project Otter over de grens presenteerde cijfers die aantonen dat de visstand in de regio eindelijk stabiel genoeg is voor een duurzame populatie.
De conferentie sloot af met de ondertekening van een charter waarin de betrokken overheden zich engageren om extra rustzones langs vitale waterlopen in te richten.


Tijdens dit officiële moment werd ontsnippering als absolute prioriteit naar voren geschoven om fysieke barrières tussen de verschillende leefgebieden weg te nemen.
De recente en wetenschappelijk bevestigde ontdekking van ottersporen rond de Antitankgracht is niets minder dan een ecologische triomf voor de hele regio.
Het is tegelijkertijd een confronterende spiegel voor de algemene kwaliteit van onze Vlaamse natuur en het huidige waterbeheer in de provincie Antwerpen.
Decennialang was de Europese otter (Lutra lutra) in onze regio nagenoeg uitgestorven door direct en meedogenloos menselijk toedoen.


Pieter Haagdorens, de gedreven coördinator van de burgerbeweging GroenRand, benadrukt dat de terugkeer van de otter het ultieme bewijs is dat natuurherstel werkt als je de juiste omstandigheden creëert.
Volgens Haagdorens is de otter niet zomaar een dier, maar een krachtig symbool voor de vitaliteit van onze waterlopen en de broodnodige verbindingen daartussen.
Het Soortenbeschermingsprogramma voor de Europese otter heeft in de Antwerpse Noordrand een cruciale bondgenoot gevonden in Natuurpunt Brasschaat.
Onder de gedreven leiding van Michel Cornelis heeft de lokale kerngroep de afgelopen jaren intensief gewerkt aan het in kaart brengen van de leefomstandigheden langs de Antitankgracht.
Deze historische verdedigingsgordel fungeert vandaag de dag als een vitale ecologische verbindingsader voor de natuur.


Voor de otter, die na decennia van afwezigheid aan een voorzichtige terugkeer bezig is, liggen er echter nog aanzienlijke hindernissen op de weg.
Michel Cornelis en zijn team voerden een gedetailleerde knelpuntenanalyse uit om deze barrières exact te lokaliseren in het veld.
Omdat een otter per nacht enorme afstanden aflegt is een ononderbroken en veilige waterweg essentieel voor zijn overleving.
De onderzoekers stelden vast dat de grootste bedreiging gevormd wordt door verkeersonveilige punten op het traject van de gracht.
Op locaties waar de Antitankgracht onder drukke gewestwegen doorstroomt ontbreekt het vaak aan een noodzakelijke droge oeverstrook.
Wanneer het waterpeil stijgt en de doorgang onder de weg volledig onderloopt wordt de otter gedwongen om de weg bovengronds over te steken.
Dirk Weyler, communicatieverantwoordelijke bij GroenRand, benadrukt dat voor een otter die zich verplaatst over grote afstanden, Vlaanderen helaas een dodelijk mijnenveld van asfalt is.
Deze gevaarlijke oversteekplaatsen leidden in het verleden al tot diverse fatale aanrijdingen met otters die probeerden te passeren.
Daarnaast identificeerde het team van Cornelis diverse migratiebarrières zoals stuwen en sluizen die de gracht blokkeren.
Deze barrières houden niet alleen de otter tegen maar ook zijn belangrijkste voedselbron, de vis.
Het roofdier viel in het verleden ten prooi aan een dodelijke combinatie van zware industriële watervervuiling en de systematische jacht door de mensheid.
Op het einde van de negentiende eeuw werd de otter zelfs officieel als een schadelijk dier beschouwd door de Belgische staat.
Destijds kreeg je van de overheid zelfs een premie uitbetaald voor elke gedode otter die bij een officieel kantoor werd binnengebracht.


Dat dit schuwe roofdier nu sporen nalaat bij de Antitankgracht is historisch nieuws maar het gaat voorlopig nog niet om een vast territorium.
Weyler legt uit dat de gracht op dit moment vooral fungeert als een cruciale migratieroute voor jonge dieren op zoek naar ruimte.
Het is voor deze dieren eerder een tijdelijke stopplaats en een veilige doorgang dan een permanente verblijfplaats waar ze zich al definitief hebben gevestigd.
Weyler waarschuwt dat we niet te vroeg moeten juichen omdat de otter momenteel vooral een passant is die de gracht gebruikt om van de ene groenzone naar de andere te trekken.


De aanwezigheid van de otter is de ultieme kwaliteitsstempel voor een gezond en goed functionerend ecosysteem in heel Vlaanderen.
Als toppredator stelt de otter namelijk extreem hoge eisen aan zijn directe leefomgeving en het dagelijkse voedselaanbod.
De otter is een meesterwerk van de evolutie en is volledig aangepast aan een uitdagend en nat leven in en rond het water.
Zijn gestroomlijnde lichaam en krachtige afgeplatte staart maken hem tot een uiterst behendige en razendsnelle jager onder het wateroppervlak.
Zijn vacht is zo ongelooflijk dicht dat er werkelijk geen enkele druppel water tot op de blote huid doordringt tijdens het zwemmen en duiken.
Dit isolerende luchtlaagje tussen de haren beschermt hem tegen de ijzige kou van het Vlaamse oppervlaktewater in de gure wintermaanden.
Tijdens de jacht vertrouwt hij blindelings op zijn gevoelige snorharen om de kleinste trillingen van vluchtende vissen op te vangen.
Dat is absoluut essentieel in ons vaak troebele water waar het zicht voor een jager zeer beperkt kan zijn door opgewerveld slib.
De otter heeft dagelijks tot wel een volle kilo vis nodig om in zijn enorme en voortdurende energiebehoefte te kunnen voorzien.
Hij geeft de absolute voorkeur aan vette paling maar door de grote zeldzaamheid daarvan schakelt hij noodgedwongen over op baars en blankvoorn.


Een aangrijpend voorbeeld van deze overlevingsdrang is het otterwijfje dat bekend staat als Mevrouw Eenoog in de Durmevallei.
Weyler wijst erop dat het verhaal van Mevrouw Eenoog symbool staat voor de eenzaamheid van de soort in ons versnipperde landschap.
Zoals haar naam al doet vermoeden is ze op nachtbeelden herkenbaar aan het feit dat slechts één oog fel oplicht in het pikkedonker.
Het andere oog blijft op de camerabeelden volledig dof en onderzoekers gaan er nu definitief vanuit dat ze aan die kant volledig blind is.


Toch hindert deze fysieke beperking haar schijnbaar niet bij het vangen van haar dagelijkse portie vis in de Durme.
Ze bewijst hiermee dat een otter op de tast en met een verfijnd reukvermogen ook met een serieuze handicap perfect kan overleven.
Maar haar persoonlijke verhaal heeft ook een eenzame en zelfs tragische schaduwkant voor de toekomst van de ottersoort in Vlaanderen.
Met naar schatting minder dan twintig individuen in heel Vlaanderen vormen we momenteel een grote blinde vlek op de Europese otterkaart.


Mevrouw Eenoog is de absolute heerseres over een enorm territorium in de driehoek tussen de gemeenten Lokeren, Berlare en Hamme.
Haar gebied langs de Durme is met vierenvijftig kilometer rivieroever ruim drie keer groter dan dat van een gemiddeld ottervrouwtje in de natuur.


Daarom werd Mevrouw Eenoog lang voor een otterman versleten omdat gewone vrouwtjes doorgaans genoegen nemen met minder dan twintig kilometer rivieroever.
Joris Everaert, bioloog bij het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO), analyseert de wildcamera's en zag hoe zij als solitair dier haar plan trekt.
De ene keer laat ze zich 's nachts filmen door een wildcamera in Berlare en drie tellen later duikt ze op in Lokeren.
Everaert legt uit dat experts door die enorme omvang van haar territorium eerst jarenlang dachten dat Mevrouw Eenoog een groot mannetje was.
Er werd op grijze infraroodbeelden zelfs een scrotum in beeld vermoed door de onderzoekers op basis van haar forse lichaamsbouw.


Pas na diepgaand genetisch onderzoek van haar gevonden spraints kwam de onomstotelijke wetenschappelijke waarheid eindelijk aan het licht.
Meneer Eenoog bleek definitief een vrouwtje te zijn dat simpelweg extreem veel ruimte nodig heeft om helemaal alleen te kunnen overleven.
Pieter Haagdorens merkt op dat dit enorme territorium aantoont hoe wanhopig de zoektocht naar een partner moet zijn voor een solitair levende otter.


Ondanks haar indrukwekkende rijkdom aan natuur is Mevrouw Eenoog al zeven jaar lang onophoudelijk op zoek naar een partner die er simpelweg niet is.
Ze is de kleindochter van een Duits wijfje en een Nederlands mannetje en trok in tweeduizendnegentien vanuit Flevoland tweehonderd kilometer zuidwaarts.
In tweeduizendnegentien trok ze van Flevoland naar de Moervaart in Lokeren waar ze voor het eerst werd gefilmd.
Hoewel ze sindsdien op meer dan dertig verschillende wildcamera's is verschenen heeft geen enkel mens haar ooit in levenden lijve gezien.


Toch is het volgens biologen zoals Joris Everaert nog te vroeg om kunstmatig een partner voor haar te regelen en nieuwe otters in de natuur uit te zetten.
Onze Vlaamse wateren zijn helaas op veel plaatsen nog te zwaar vervuild met gevaarlijke zware metalen, pcb's, vlamvertragers en giftige PFAS-stoffen.
Onderzoeker Desender meet gifstoffen in visstalen en stelt vast dat de Vlaamse waterkwaliteit in het algemeen ondermaats blijft.


De vis die Mevrouw Eenoog dagelijks eet in haar uitgestrekte territorium is waarschijnlijk zeer zwaar verontreinigd met deze stoffen.
Het is nog onduidelijk wat de invloed van deze vervuiling precies is op haar vruchtbaarheid en de algemene gezondheid van haar vitale organen.
Pieter Haagdorens hamert erop dat we eerst de bron van de vervuiling moeten aanpakken voordat we denken aan grootschalige herintroductie.
Op de laatste European Otter Conference was Mevrouw Eenoog uit de Durmevallei zelfs een specifiek onderwerp voor driehonderd onderzoekers.
De vaststellingen van Natuurpunt Brasschaat vormen nu de basis voor concrete terreinacties langs de Antitankgracht.


Michel Cornelis zet met zijn team volop in op de installatie van faunapassages zoals looprichels in bestaande kokers onder de wegen.
Hierdoor kunnen de dieren veilig onder de rijweg door glippen zonder hun pootjes nat te maken op gevaarlijke plekken.
Ook het creëren van otterhubs staat hoog op de agenda van Michel Cornelis en zijn team bij Natuurpunt Brasschaat.
Dit zijn rustige zones met dichte oeverbegroeiing waar het schuwe dier zich overdag veilig kan verschuilen voor de buitenwereld.
Dankzij nauwe monitoring met wildcamera's en eDNA-onderzoek kan het team de aanwezigheid van de otter op de voet volgen.


Joris Everaert ziet het wegennet nog steeds als een enorme barrière en wijst erop dat zelfs in Nederland jaarlijks vijfentwintig procent van de populatie wordt overreden.
De autosnelweg Ezeventien loopt dwars door het territorium van Mevrouw Eenoog en ook de Nenveertig tussen Zele en Lokeren is een knelpunt.
Hier wringt ook de politieke schoen voor de broodnodige bescherming van deze iconische en uiterst zeldzame diersoort in heel Vlaanderen.


Pieter Haagdorens vecht namens GroenRand al vele jaren voor de otter als een zogenaamde paraplusoort voor een volledig natuurherstel.
De frustratie is dan ook enorm groot nu het budget voor ontsnippering via het VAPEO-programma onder minister Jo Brouns wordt afgebouwd.
Tot tweeduizendeenendertig is er geen nieuw geld voorzien voor extra tunnels of faunapassages langs onze waterwegen.
Haagdorens noemt dit een kortzichtige beslissing die de prille comeback van de otter in onze regio serieus in gevaar brengt.
Dit project bewijst dat de Antitankgracht niet langer enkel een relict uit het oorlogsverleden is maar een cruciale snelweg voor biodiversiteit.
De otter fungeert hierbij als de ultieme graadmeter voor een gezond ecosysteem in onze onmiddellijke omgeving.
Haagdorens besluit dat het nu aan de overheid is om de barrières in ons landschap en in ons beleid eindelijk echt en definitief te gaan doorbreken.
Alleen op die manier wordt de koning van de waterloop weer een blijvende en vooral veilige bewoner van onze prachtige Vlaamse natuurgebieden.

Natuurvereniging GroenRand, fotograaf François Eennaes en de toekomst van de staartmees in de Voorkempen

Natuurvereniging GroenRand, fotograaf François Eennaes en de toekomst van de staartmees in de Voorkempen

De staartmees (Aegithalos caudatus) is een van de meest karakteristieke en vertederende verschijningen in onze Europese natuur en wordt door zijn bolle lichaampje en extreem lange staart vaak liefkozend als een ‘lolly’ omschreven.
Francois Eennaes, een ervaren natuurfotograaf en toegewijd lid van de natuurvereniging GroenRand, deelt regelmatig zijn unieke ervaringen wanneer hij met zijn professionele lens door de uitgestrekte en vogelrijke Voorkempense bossen wandelt.


Tijdens zijn vele tochten door gebieden zoals het Zoerselbos, het Vrieselhof of de parkbossen van Schilde merkt hij op hoe dit kleine vogeltje, dat gemiddeld nog geen negen gram weegt, een complex sociaal systeem en een uitzonderlijk bouwkunstenaarschap bezit.
François legt aan passanten en mede-natuurliefhebbers vaak uit dat de staartmees in de klassieke indeling wel bij de mezen staat, maar genetisch nauwer verwant is aan exotische families uit Azië, wat hun specifieke gedrag en unieke bouw verklaart.
De fotograaf beschrijft de staartmees in zijn verslagen als een pluizig bolletje wol met een aangeplakte staart, die meestal in kleine familiegroepjes snel en rusteloos door de dichte takken van de ondergroei dwarrelt.
Dit piepkleine pluizige lichaampje is uitgerust met een erg lange staart die tot wel negen centimeter lang kan zijn en volgens de observaties van François fungeert als een cruciaal balanceerinstrument tijdens hun snelle en onvoorspelbare vluchten.
Het onmiskenbare verenkleed bestaat uit een wittige kop met een brede, zwarte zijkruinstreep, rozige flanken en buik, en opvallende wijnrode schouders die 
François prachtig weet vast te leggen in het zachte, gefilterde boslicht van de vroege ochtend.

Mannetjes en vrouwtjes zien er bij deze soort krek hetzelfde uit, wat hun eenheid als hechte sociale groep visueel extra benadrukt voor elke aandachtige waarnemer die de tijd neemt om hen in de Voorkempen te volgen.
De staartmees heeft zijn naam niet gestolen en is effectief meer staart dan mees, waarbij de donkere staartpennen vaak veel langer zijn dan het eigenlijke bolle en lichte lijfje van de vogel.
Francois observeert doorgaans hoe deze pluizenbollen zich ophouden in zenuwachtige groepjes die zich in een typische, hobbelende vlucht door de dichte struiken en de mantelzomen van de parkbossen bewegen.
Tijdens deze snelle verplaatsingen produceren ze een constante resem aan hoge en scherpe geluiden die elkaar snel en tsjirpend opvolgen om onderling contact te houden in het soms ondoordringbare struweel.
Als rasechte lichtgewichten zijn ze in staat om hun voedsel op te sporen terwijl ze behendig en acrobatisch ondersteboven aan een uiterst dun twijgje hangen, een moment waar Francois vaak uren op wacht voor die ene perfecte foto.


Staartmezen plukken met uiterste precisie kleine insecten, rupsen en minuscule eitjes uit de oksels van bladeren en de kleinste spleten in de ruwe boomschors van de vele oude eiken en beuken die onze regio rijk is.
In de wintermaanden vullen ze dit eiwitrijke dieet aan met zaden wanneer insecten en rupsen door de vorst tijdelijk onbereikbaar zijn geworden in de vrije en ongerepte natuur.
Het nest van de staartmees is volgens François Eennaes een waar pareltje van dierlijke architectuur en wordt door experts beschouwd als een koepelvormig kunstwerk met een strategisch geplaatste zij-ingang.
In dit ingenieuze bouwwerk zijn tot wel 4.000 minuscule schilfertjes korstmos verwerkt om een perfecte camouflage te garanderen tegen de stam van een boom, waardoor ze voor het ongetrainde menselijk oog bijna volledig onzichtbaar zijn.
Ook spinrag, berkenbast en andere natuurlijke vezels dienen als essentieel bouwmateriaal om de structuur zowel stevigheid als een ongekende elasticiteit te geven voor de opgroeiende en steeds groter wordende jongen.
De binnenkant van het nest is weelderig bekleed met wol, zacht mos en soms wel 2.000 kleine, zachte veertjes voor een optimale thermische isolatie tijdens de vaak verraderlijk koude nachten in de Kempen.
François vertelt dat een dergelijk complex nest wel twee tot drie weken intensieve bouwtijd vergt, waarbij zowel het mannetje als het vrouwtje onvermoeibaar en in een bewonderenswaardige harmonie samenwerken aan hun nageslacht.
Eenmaal de jongen geboren zijn, kunnen de ouderpaartjes vaak rekenen op de hulp van zogenaamde helpers bij het onophoudelijk aanvoeren van vers voedsel voor de vele hongerige snaveltjes in de nestkoepel.
Deze helpers zijn staartmezen wier eigen broedsel die zomer helaas is mislukt door predatie of noodweer, en die vaak direct afstammen van het mannetje dat wel succesvol wist te broeden in diezelfde omgeving.
Een enkel nest kan op die manier tot wel acht helpers hebben, wat de overlevingskansen van de jongen in de specifieke regio van de Voorkempen aanzienlijk verhoogt volgens de langdurige statistieken van de natuurvereniging.
Net als andere heel kleine vogels zoals goudhaantjes en winterkoninkjes zijn staartmezen uiterst gevoelig voor extreem koud winterweer en het hiermee gepaard gaande energieverlies tijdens de broodnodige nachtrust.
Om een ijskoude winternacht te overleven, klitten ze vaak samen met hun kleine, warme lijfjes strak tegen elkaar aan op een goed beschutte tak diep verscholen in een haag, een doornstruik of een dichte conifeer.
Hun staartjes steken dan naar alle kanten uit als bij een ragebol, een unieke overlevingsstrategie die François Eennaes als fotograaf uitermate fascinerend vindt om vast te leggen wanneer de rijm of een laagje sneeuw op de takken staat.
In Noord- en Oost-Europa hebben staartmezen een volledig sneeuwwitte kop, de zogenaamde witkopstaartmees, die bij uitzondering en bij strenge vorst in het noorden tot bij ons in de Kempen kan afdwalen.
Dat gebeurde in de memorabele winter van 2010 voor het eerst op grote schaal, wat voor een enorme opwinding zorgde bij Francois en alle andere gepassioneerde lokale vogelspotters in de wijde regio.
Het kan echter verwarrend zijn dat er ook lokale staartmezen zijn met een behoorlijke witte kop, de zogenaamde 'witkoppige' exemplaren, die echter genetisch niet tot de echte noordelijke ondersoort behoren.
De staartmees komt bij voorkeur voor in structuurrijke bossen, tuinen en parken met een rijke ondergroei en de nadrukkelijke aanwezigheid van enkele dode of op natuurlijke wijze afstervende bomen.
Houtkanten, struweel en hoogopgaand struikgewas zijn ideaal omdat de vogel houdt van een evenwichtige mix tussen open plekken om te foerageren en meer gesloten, veilige vegetatie om te rusten.


De uitgestrekte regio van de Voorkempen, met haar diverse gemeenten als Malle, Zoersel, Wijnegem en Schilde, vormt een historisch en ecologisch kerngebied voor deze prachtige en geliefde vogelsoort.
François merkt echter met enige spijt op dat door menselijk ingrijpen steeds meer natuurlijke leefgebieden versnipperen of verdwijnen, waardoor er minder ruimte is om veilig te broeden, te schuilen en voldoende voedsel te vinden.


Natuurvereniging GroenRand maakt zich hier al geruime tijd ernstige zorgen over, aangezien de resterende natuur in de Voorkempen steeds verder onder druk komt te staan door toenemende bebouwing en de verkaveling van groene zones.
GroenRand stimuleert daarom actief het vogelvriendelijk inrichten van privétuinen en openbare parken om het tij voor de kwetsbare staartmees en haar helpers definitief in de goede richting te keren.
Voor de staartmees betekent dit concreet het beschikbaar maken en juridisch beschermen van bomen en inheemse struiken waar zij hun broodnodige nestgelegenheid en dagelijkse voedsel vinden.
De vereniging GroenRand benadrukt in haar communicatie dat het nog niet te laat is en roept alle bewoners op om samen te werken aan het herstel van de ecologische verbindingen in de gehele Voorkempen.
Blijft een lid van de groep ergens hangen tijdens de foerageertocht, dan observeert François met zijn verrekijker hoe de andere groepsleden geduldig wachten tot de achterblijver weer volledig bij de groep is aangesloten.
Dit sociale gedrag is de absolute sleutel tot hun succes in de parkbossen van de Voorkempen, waar sociale samenwerking en groepsloyaliteit altijd boven de individuele prestatie worden gesteld.
Door de aanhoudende inzet van GroenRand en de passie van mensen als François Eennaes kunnen we garanderen dat dit pluizige bolletje wol een vaste en zichtbare waarde blijft in ons gewaardeerde groene landschap.
Het behoud van de staartmees is hiermee een directe graadmeter voor de lokale biodiversiteit en de algemene ecologische veerkracht van de gehele regio Voorkempen voor de nabije en verre toekomst.
De aanzet van de vleugels is roodbruin van kleur en vormt een fraai visueel contrast met de donkere rug en de opvallend lange, zwarte staartpennen die François zo graag in al hun detail portretteert.
GroenRand zet zich daarom onvermoeibaar in voor het behoud van structuurrijke bossen waar de staartmees haar favoriete habitat met veel ondergroei en dicht strueel kan vinden en behouden.
Samen kunnen we het tij voor onze lokale fauna keren door onze eigen tuinen vogelvriendelijker te maken met de juiste inheemse bomen en struiken die perfect passen bij de noden van de staartmees.
De staartmees is en blijft een krachtig symbool voor de sociale verbondenheid in de natuur, een waarde die François Eennaes en GroenRand ook binnen de lokale gemeenschappen van onze dorpen sterk promoten.
François besluit zijn relaas met de hoop dat toekomstige generaties natuurfotografen evenveel puur plezier mogen beleven aan deze acrobatische vogels als hijzelf in de prachtige bossen van de Voorkempen.
Het is volgens hem onze morele plicht om de 'lolly van het bos' te koesteren en de nodige ruimte te geven in een wereld die steeds verder verhardt en verstedelijkt.
Alleen door de visie van GroenRand te steunen en lokaal actie te ondernemen, kunnen we de tsirpende roep van de staartmees ook in de komende decennia blijven horen in onze achtertuinen en natuurgebieden.
François fotografeert vaak de staartmezen die de dichte begroeiing langs de Antitankgracht gebruiken als veilige trekroute tussen de verschillende boskernen van Schilde, Brasschaat en Zoersel


Deze verbindingszones zijn voor GroenRand een prioriteit omdat ze voorkomen dat populaties geïsoleerd raken, wat essentieel is voor de genetische gezondheid van de staartmeesfamilie op lange termijn.
De staartmees is uiterst loyaal aan zijn groep, een eigenschap die François dikwijls ontroert wanneer hij ziet hoe een vogel terugvliegt om een aarzelende jongeling te begeleiden over een open vlakte.
De nestbouw zelf is een wonder van fysica; François merkt op dat de elasticiteit van het spinrag ervoor zorgt dat het nest tot drie keer zijn oorspronkelijke omvang kan uitdijen zonder te scheuren.
Natuurvereniging GroenRand organiseert regelmatig wandelingen waarbij de expertise van leden zoals François wordt gebruikt om het publiek te wijzen op deze fragiele koepelnesten in de meidoornhagen.
Zij adviseren tuineigenaars om snoeiwerken uit te stellen tot na het broedseizoen, zodat de zorgvuldig geplaatste camouflagemantel van korstmos niet vroegtijdig wordt verstoord door menselijke activiteit.
Voor François is de staartmees meer dan een onderwerp; het is een ambassadeur voor een onversnipperde Voorkempen waar natuur en bewoning in een harmonieuze balans naast elkaar kunnen bestaan.
De vogel herinnert ons eraan dat zelfs de kleinste schepsels groots kunnen bouwen als ze maar de juiste materialen en de steun van een sterke gemeenschap om zich heen hebben.
Samen met GroenRand blijft François Eennaes strijden voor elke meter struweel, elke oude eik en elke houtkant, in de wetenschap dat de staartmees daar haar toekomst vindt.
Elke foto die hij deelt op de kanalen van GroenRand is een pleidooi voor een groenere Voorkempen en een oproep aan beleidsmakers om de natuurlijke corridors niet op te offeren aan grijze betonprojecten.
Om tuinen in de Voorkempen optimaal in te richten voor de staartmees, heeft François Eennaes een specifieke lijst met inheemse planten samengesteld die hij zelf met succes gebruikt.
Op de eerste plaats beveelt hij de eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) aan, een struik die niet alleen veilige nestgelegenheid biedt door de doorns, maar ook een enorme variëteit aan insecten aantrekt.


Ook de sleedoorn (Prunus spinosa) is volgens de fotograaf onmisbaar in een vogelvriendelijke tuin, aangezien deze vroeg in het jaar bloeit en zo de eerste insecten van het seizoen lokt voor de hongerige mezenfamilies.
François wijst tevens op het belang van de wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), waarvan de takken vaak kleine rupsen herbergen die een perfecte proteïnebron vormen voor de opgroeiende jongen in de nestkoepel.
Voor de broodnodige camouflage van het nest adviseert hij het planten van zomereik (Quercus robur), omdat de korstmossen die op de ruwe schors groeien het ideale bouwmateriaal leveren voor de buitenkant van het nest.
Daarnaast suggereert hij de aanplant van klimop (Hedera helix), een plant die door zijn dichte groenblijvende bladeren een perfecte schuilplaats biedt tijdens de koude winternachten waar staartmezen dicht tegen elkaar kruipen.


François benadrukt dat ook de hondsroos (Rosa canina) een waardevolle toevoeging is, omdat de dichte wirwar van takken een natuurlijke barrière vormt tegen katten en andere predatoren die het nest zouden kunnen bedreigen.
De vlier (Sambucus nigra) mag evenmin ontbreken in de Voorkempense tuin, aangezien de zachte twijgen en de vroege bladontwikkeling een ideale omgeving vormen voor bladluizen, een favoriet tussendoortje voor de staartmees.
Ten slotte raadt hij de hazelaar (Corylus avellana) aan, waarvan de katjes en de vroege sapstroom het lokale ecosysteem in het vroege voorjaar op gang trekken, precies wanneer de staartmezen aan hun nestbouw beginnen.
GroenRand ondersteunt deze plantenlijst volledig en moedigt bewoners aan om deze soorten in hun eigen groene ruimte te integreren om de biodiversiteit in de gehele regio te versterken.
Met deze gerichte aanplantingen creëren we een aaneengesloten netwerk van voedselbronnen en schuilplaatsen, waardoor de staartmees zich in de Voorkempen weer echt thuis kan voelen.
Het is deze combinatie van wetenschappelijke kennis, passie voor fotografie en lokale actie die de werking van GroenRand en François Eennaes zo krachtig maakt voor het behoud van onze natuurlijke schatten.

De ontluikende lente in de Voorkempen en de visie van GroenRand: met sfeervolle beelden van Wim Verschraegen

De ontwakende lente in de Voorkempen en de inspirerende visie van GroenRand, vergezeld van sfeervolle beelden van Wim Verschraegen


Wat een heerlijke dag was het gisteren, op die zonnige zaterdag 21 maart 2026.
Terwijl de krantenkoppen volstaan met politiek gepingpong en de wereld buiten de landsgrenzen helaas weer getekend wordt door het rauwe geweld van oorlogen, besloot ik de ruis even uit te zetten.
Het was de Internationale Dag van het Bos en dat mocht in onze regio niet ongemerkt voorbijgaan.
Ik trok mijn wandelschoenen aan voor een tocht door onze eigen achtertuin: de Voorkempen.
Onder een stralende zon zag ik de lente niet alleen beginnen, ik zag haar letterlijk uit de grond barsten.
De bodem lag nog bezaaid met de bruine, ritselende bladeren van vorig jaar, maar de lente is deze stilaan aan het verwerken tot vruchtbare humus.
Deze oude bladeren vormen een isolerende laag die de vorst uit de grond houdt en nu dienen ze als de voedzame bakermat voor een nieuwe generatie leven.
Het is makkelijk om bossen te zien als een leuk decor voor een uitstap op zaterdag of een bestemming voor een volgende familie-uitstap, maar als je hier wandelt, besef je dat ze de basisvoorwaarde zijn voor ons voortbestaan.
Bossen zijn voor miljoenen mensen geen louter recreatiegebied, maar een noodzaak voor het klimaat, de biodiversiteit en onze gezondheid.
Zonder deze groene longen zouden onze steden bezwijken onder de hitte en zouden onze beken bij de eerste de beste regenbui buiten hun oevers treden.


Tijdens mijn tocht viel mijn oog meteen op de dotterbloem, die daar bij een drassig beekje in de schaduw stond te blinken.
Die plant heeft echt geen bescheidenheid met haar vlezige, hartvormige bladeren en die knalgele, bijna laks-achtige bloemen die werken als een schijnwerper.
De dotterbloem, of Caltha palustris, behoort tot de ranonkelfamilie en haar naam is afgeleid van het Oudnederlandse dotter, wat eidooier betekent.
Ze vangt het eerste zonlicht en zet het via haar glanzende kroonbladen om in pure energie voor de vroege bestuivers die wanhopig op zoek zijn naar voedsel.
De glans op de bloembladen is zo intens dat het zonlicht er letterlijk vanaf spat, wat een slimme truc is om kevers en vroege bijen naar haar nectarrijke hart te lokken.
De kokervruchten van de dotterbloem hebben bovendien een uniek mechanisme waarbij regendruppels de zaden wegspatten voor een ideale verspreiding langs de natte waterkant.
Vroeger dachten de boeren hier in de Kempen dat de boter geler werd als de koeien bij dotterbloemen graasden, een volksverhaal dat de vitale kracht van deze plant onderstreept.
Iets verderop, op de plekken waar de bosbodem nog dik bedekt is met die ritselende bladeren, liep ik tegen een wit tapijt van bosanemonen aan.


De bosanemoon, Anemone nemorosa, is een echte voorjaarsgeofyt die al haar energie opslaat in ondergrondse, vlezige wortelstokken die horizontaal door de bodem kruipen.
Wat zijn dat toch fascinerende wezentjes die dapper door het bruine bladerdek heen prikken met hun fragiele witte sterretjes en diepgroene, diep ingesneden bladeren.
Ze zijn zo breekbaar dat ze hun hoofdjes laten hangen bij de minste spat regen of zodra de zon achter een wolk verdwijnt om hun kostbare stuifmeel droog te houden.


Soms kleuren deze witte bloemen zachtroze tot lichtpaars aan de onderkant, wat ze een bijna sprookjesachtige uitstraling geeft in het gefilterde licht van de nog kale kruinen.
Wist je dat een groot veld bosanemonen een onmiskenbaar teken is van écht oud bos dat al eeuwenlang ongemoeid is gelaten door de menselijke hand?
Ze breiden zich tergend langzaam uit via hun horizontale wortelstokken, vaak met niet meer dan enkele centimeters per jaar, waardoor ze levende tijdscapsules zijn.
Zo’n wit tapijt is dus eigenlijk een levend archief van de Voorkempen dat ons vertelt over de continuïteit van de natuur in een wereld die vaak veel te snel verandert.


En dan, bijna verstopt in het groen en half verscholen onder een rottende tak, vond ik het uiterst bescheiden muskuskruid.
Het muskuskruid, Adoxa moschatellina, is de enige soort in haar geslacht en staat botanisch gezien bekend als een ware minimalist die perfect is aangepast aan de schaduw.
Je moet echt even door je knieën om dit lantaarnplantje te bewonderen met haar unieke, kubusvormige bloemgestel van vijf kleine, geelgroene bloempjes.
De bloempjes vormen een kleine dobbelsteen met vier bloempjes opzij en eentje bovenop, allemaal in een schutkleur groen die volledig versmelt met de omgeving.
Het ruikt subtiel naar muskus, vooral in de avondschemering of als de lucht vochtig is na een malse regenbui, om specifieke kleine vliegen en zelfs slakken te lokken voor de bestuiving.
In de volksgeneeskunde werd dit kruid vroeger ingezet voor wondgenezing, een stille kracht van de bosbodem waar we tegenwoordig in onze haast vaak aan voorbijlopen.
Het is de bescheiden diplomaat van het bos die ons herinnert aan de details en de complexiteit van de machine die ons kostbare ecosysteem heet.
Overal waar de zon de bodem raakte en de oude bladeren al tot voedsel waren verwerkt, spatte het geel van het speenkruis er vanaf. 


Het speenkruis, Ficaria verna, is een van de eerste planten die na de winter het zonlicht opzoekt op open plekken in het bos en in de bermen.
Die blaadjes glanzen zo hard dat het wel spiegeltjes lijken die het zonlicht diep het bos in weerkaatsen naar de ontwakende insectenwereld.
Voor de eerste solitaire bijen en de koninginnen van de hommels is dit speenkruis een absolute levenslijn na hun lange en uitputtende winterslaap.
De naam komt van de typerende, speenvormige knolletjes aan de wortels die vroeger werden geassocieerd met geneeskracht tegen aambeien vanwege hun uiterlijk.


In schrale tijden werden deze knolletjes vroeger zelfs gegeten omdat ze barsten van de vitamine C, een echte natuurlijke oppepper na een lange en vitaminearme winter.
Men noemde het plantje vroeger ook wel scheurbuikkruid, omdat het zeelieden en boeren redde van de gevreesde gebreksziektes aan het einde van het koude seizoen.
Mijn absolute favoriet van de dag was echter de slanke sleutelbloem, de aristocraat van de Voorkempen die statig aan de bosrand stond te pronken.


De slanke sleutelbloem, Primula elatior, verschilt van de gulden sleutelbloem door haar bleekgele kleur en het ontbreken van felle oranje vlekken in de bloemkroon.
Haar zachtgele bloemkronen knikken allemaal sierlijk naar één kant van de behaarde steel, wat haar een melancholische maar trotse elegantie geeft in de voorjaarswind.
Volgens de legende zijn dit de sleutels van de hemel die de heilige Petrus op aarde liet vallen, vandaar de liefkozende bijnaam hemelsleutel die in vele dialecten voortleeft.
Ze zijn letterlijk de sleutel die de poort naar de volle zomer ontsluit en medicinaal worden de wortels gewaardeerd bij de behandeling van diepe luchtwegklachten.
Zelfs de bloemen zijn eetbaar en hebben een licht anijsachtige smaak, al laten we ze in de kwetsbare gebieden van de Voorkempen natuurlijk liever ongemoeid.
De slanke sleutelbloem is een kritisch teken van hoop, want ze gedijt enkel op kalkrijke, gezonde en onverstoorde grond waar de natuur nog op volle kracht ademt.
Dat brengt me bij de mensen van GroenRand, die zich hier in onze regio met een bewonderenswaardige passie, kennis en doorzettingsvermogen inzetten.
Tijdens mijn wandeling dacht ik aan hun jarenlange strijd voor natuurverbindingen via hun ambitieuze en inspirerende projecten zoals Greenconnect.
GroenRand wil namelijk niet alleen die laatste kleine snippers bos beschermen, maar ze ook weer aan elkaar smeden tot een robuust, veerkrachtig en aaneengesloten geheel.


Hun doelstellingen zijn helder en broodnodig in een versnipperd Vlaams landschap waar de Antitankgracht als een cruciale groene ruggengraat moet fungeren.
De vereniging streeft naar een ontsnipperd landschap waar fauna en flora zich weer veilig en ongehinderd kunnen verplaatsen tussen de verschillende grote boskernen.
Ze strijden tegen de isolatie van natuurgebieden, want een bosanemoon of een slanke sleutelbloem kan nu eenmaal geen drukke gewestweg of verkaveling oversteken.

GroenRand hamert op een visie waarbij natuurlijke corridors ervoor zorgen dat genetische uitwisseling tussen verschillende populaties weer echt mogelijk wordt.
Hierdoor worden onze bossen in de Voorkempen veel weerbaarder tegen de dreigende klimaatverandering en de steeds extremere weersomstandigheden die ons te wachten staan.
Deze corridors fungeren als ecologische snelwegen voor alles wat leeft, van de kleinste loopkever tot de reeën die door de schaduwen dwalen.
Voor hen zijn deze bossen de groene longen van de Antwerpse rand, onmisbaar om water in de bodem vast te houden tijdens droogte en de zomerhitte in de dorpen te temperen.
Met acties zoals Bijtandje Houtkantje proberen ze de versnippering van het landschap definitief een halt toe te roepen en de lokale biodiversiteit op grote schaal te herstellen.

Het bos herinnert ons eraan dat de natuur haar eigen, onstuitbare tempo heeft, wars van politieke grillen, kortetermijndenken en menselijke conflicten.
Terwijl de lente de ritselende bladeren van gisteren langzaam maar zeker verwerkt tot de vruchtbare grond van morgen, geeft het ons een noodzakelijke les in nederigheid.
De Internationale Dag van het Bos is een dringende oproep om die traagheid en die diepe, eeuwenoude wijsheid van de natuur weer te gaan waarderen en met hand en tand te beschermen.
We moeten deze biotopen in de Voorkempen niet alleen bewonderen tijdens een tocht op zaterdag, we moeten ze koesteren en verdedigen als ons aller kostbaarste en meest vitale bezit.
Want uiteindelijk is het de stille, koppige en hoopvolle bloei van een bosanemoon die ons de weg wijst naar een leefbare en duurzame toekomst voor ons allemaal.

zaterdag 21 maart 2026

De werkelijkheid is beter dan de droom: Waarom de Hoge Kempen bloeit en de Kalmthoutse Heide volgens GroenRand niet langer mag wachten

De werkelijkheid overtreft de droom: waarom de Hoge Kempen floreert en de Kalmthoutse Heide volgens GroenRand niet langer kan wachten


Glenn is de drijvende kracht achter de natuurvereniging GroenRand in de Antwerpse Voorkempen.
Met een diepgewortelde passie voor het landschap rondom de Antitankgracht geeft hij in zijn vaste rubriek "De pen van Glenn" een stem aan de kwetsbare natuur.
Hij schrijft met veel toewijding over het belang van een gezonde leefomgeving en probeert complexe milieuthema's tastbaar te maken voor iedereen die de regio een warm hart toedraagt.
Zijn missie is geworteld in de hoop op een groene toekomst, waarbij hij zich sinds begin 2026 extra inzet om geen enkele kans op natuurherstel onbenut te laten.
Glenn droomt hardop van de Greenconnect, een visie waarbij hij versnipperde natuurgebieden in de Voorkempen opnieuw wil connecteren tot één grote, gezonde klimaatgordel.
Voor hem draait natuurbehoud om het koesteren van wat we hebben en het zorgvuldig bewaken van de open ruimte, zodat ook toekomstige generaties nog kunnen genieten van de rust en de schoonheid van de regio.

Het Nationaal Park Hoge Kempen (NPHK) viert momenteel zijn twintigste verjaardag als het absolute paradepaardje van de Vlaamse natuur en een internationaal baken van hoop voor natuurbeheerders overal in de Lage Landen.
De belangrijkste verwezenlijking van twintig jaar Nationaal Park Hoge Kempen is volgens de initiatiefnemers het simpele feit dat het er effectief gekomen is na jaren van politiek getouwtrek en dromen.
Op 23 maart 2006 opende toenmalig Europees commissaris voor Leefmilieu Stavros Dimas officieel dit eerste Nationaal Park van Vlaanderen in het oosten van de provincie Limburg.
Sinds het officiële ontstaan van dit park is zowel het aantal wandelaars als het aantal toeristische overnachtingen in de regio spectaculair verviervoudigd naar recordhoogtes.


Het aantal wandelaars steeg tot bijna 600.000 per jaar terwijl het aantal toeristische overnachtingen in de regio toenam van 774.300 naar meer dan 3,2 miljoen.
Vandaag de dag beslaat het park een indrukwekkende oppervlakte van 12.742 hectare die verspreid ligt over de grondgebieden van tien verschillende gemeenten.
Deze gemeenten zijn As en Dilsen-Stokkem en Genk en Maasmechelen en Lanaken en Zutendaal en Oudsbergen en Maaseik en Bree en Bilzen-Hoeselt.
Terwijl de Limburgse pioniers terugblikken op dit enorme succes, werpt de situatie een scherp licht op de asymmetrische toestand van de Kalmthoutse Heide aan de andere kant van Vlaanderen.


De vereniging GroenRand voert al jaren een vurig pleidooi om de onnatuurlijke grens in het natuurbeleid weg te werken en de Kalmthoutse Heide eindelijk de volledige erkenning als nationaal park te geven.
De houding van GroenRand is hierin onverzettelijk omdat zij stellen dat de huidige versnippering van statuten een rem zet op de ecologische ambities en de broodnodige investeringen in de Noorderkempen.
Hoewel de natuur in het Grenspark grenzeloos in elkaar overvloeit, is het gebied bestuurlijk gespleten aangezien het aan de Nederlandse zijde al sinds 2001 een officieel nationaal park is onder de naam De Zoom-Kalmthoutse Heide.
Aan de Vlaamse zijde ontbreekt deze status tot op de dag van vandaag wat volgens GroenRand een historische misslag is die de regio economisch en ecologisch benadeelt ten opzichte van de buren.


De eerste aanduiding over de uitzonderlijke natuurwaarde van de Hoge Kempen dateert zelfs al van 1912 toen professor Massart in zijn werk Pour la protection de la Nature en Belgique pleitte voor een groot natuurpark.
Ook in de jaren zestig en zeventig was er herhaaldelijk sprake van de oprichting van natuurparken waarbij de naam Park van de Hoge Kempen al expliciet werd genoemd in diverse visieteksten.
Pas in de jaren negentig kreeg de oprichting echt vorm door de komst van het Regionaal Landschap Kempen en Maasland en de inzet van vier mannen:  Ignace Schops, Johan Van Den Bosch, Lambert Schoenmakers en Marc Decoster.
Deze vier initiatiefnemers kregen vanuit de politiek de vraag of zij naast hun kritiek op grote ruimteverslindende projecten in Limburg ook een positief project konden presenteren aan de bevolking.
Johan Van Den Bosch herinnert zich dat zij toen zijn gaan dromen en nadenken over een project dat de internationale standaard van de IUCN zou kunnen evenaren.
De grootste zorg van de projectleider was destijds dat men internationaal zou afgaan als een gieter omdat het gebied door verstoring en versnippering nog niet de vereiste kwaliteit bezat.
In 1998 vroegen de vier pioniers officieel aan de Vlaamse overheid om het initiatief te mogen nemen en twee jaar later mochten zij het integrale masterplan voor het park opmaken.


In 2006 vond de Vlaamse overheid dat er aan voldoende voorwaarden voldaan was omdat de eerste fysieke verbindingen zoals het ecoduct van de Kikbeek over de E314 waren gerealiseerd.
Het succes van de Hoge Kempen stoelt op het model van de toegangspoorten waarbij bezoekers buiten de kwetsbare kern worden opgevangen in thematische centra die elk iets unieks te bieden hebben.
Deze poorten zijn de Lieteberg in Zutendaal met zijn bijen- en vlindercentrum en Kattevennen in Genk met het planetarium en Pietersheim in Lanaken met de kinderboerderij en waterburcht.
Station As biedt oude treinstellen aan terwijl Maasmechelen de enige gemeente is met twee poorten namelijk de Mechelse Heide en de hoofdtoegangspoort Terhills aan de oude mijnsite van Eisden.
Door de uitbreiding in 2020 kwamen daar nog drie poorten bij zoals 't Eilandje in Neeroeteren en de commanderij van Gruitrode en Thorpark in Waterschei naast de instapplaats Edelhof in Munsterbilzen.
Momenteel wordt er zelfs een gloednieuw bezoekerscentrum gebouwd in een authentieke schachtbok van de mijn van Eisden op de Terhillssite om de beleving nog verder te versterken.


Terwijl dit model in Limburg voor enorme economische groei zorgt, kijkt GroenRand met lede ogen naar de gemiste kansen voor de Kalmthoutse Heide in de provincie Antwerpen.
De kandidatuur van de Kalmthoutse Heide voor de status van nationaal park werd in mei 2023 ingetrokken na hevige weerstand vanuit de landbouwsector en vrees voor strengere stikstofregels en extra regeldruk.
GroenRand betreurt deze beslissing ten zeerste en wijst erop dat de juridische twijfels die de tegenstanders aanvoerden inmiddels volledig zijn weerlegd door het hoogste rechtsorgaan van het land.
In het arrest nummer 39 van 2025 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat er absoluut geen juridische obstakels zijn om het parkendecreet in Vlaanderen volledig uit te voeren.


Het Hof verwierp de klachten van de Boerenbond en stelde dat het decreet een solide rechtsgrond biedt die de autonomie van eigenaars en de rechtszekerheid van ondernemers niet ongrondwettelijk schendt.
Volgens de rechters zijn de instrumenten uit het decreet zoals de masterplannen proportioneel en vormen zij geen verbod op economische activiteiten in de omliggende zones van de parken.
GroenRand benadrukt dat na deze uitspraak van het Hof elk politiek argument om de procedure voor de Kalmthoutse Heide niet onmiddellijk te heropstarten volledig van tafel is geveegd.


Zonder de officiële titel loopt de Vlaamse zijde van de heide structurele financiering mis die nodig is voor ontsnippering en het noodzakelijke herstel van de vennen en de zeldzame landduinen.
De vereniging stelt dat een nationaal park statuut juist een internationaal kwaliteitslabel is dat kwalitatieve investeringen en subsidies aantrekt in plaats van lokale ondernemers te beknotten.


De asymmetrie met Nederland is pijnlijk zichtbaar voor elke bezoeker die ziet dat de infrastructuur en de natuurlijke verbindingen aan de noordkant van de grens vaak krachtiger en professioneler georganiseerd zijn.
GroenRand stelt dat de uitbreiding van de Kalmthoutse Heide naar een robuust gebied van 14.000 hectare door de toevoeging van de Schietvelden, de bosgebieden langs de Antitankgracht, h
et Markiezaat en de Brabantse Wal essentieel is voor de klimaatadaptatie.


De ervaring van de Hoge Kempen leert dat wanneer men durft te kiezen voor natuur op grote schaal de economische voordelen voor de lokale horeca en handel in de dorpskernen vanzelf volgen.
Johan Van Den Bosch stelt dat de werkelijkheid nu beter is dan de droom van twintig jaar geleden en GroenRand wil dat deze zelfde positieve spiraal eindelijk in de Noorderkempen wordt ingezet.
Het is nu aan de Vlaamse regering en de gemeenten Kalmthout, Essen, Kapellen, Stabroek, Brasschaat en Schoten om de juridische zekerheid van het Grondwettelijk Hof te gebruiken voor een doorstart.


De natuur houdt immers geen rekening met landsgrenzen of politieke drempels en verdient daarom een eenduidig statuut over de gehele oppervlakte van dit internationaal waardevolle en kwetsbare gebied.
Alleen door de visie van de Limburgse pioniers te vertalen naar de context van de Noorderkempen kan Vlaanderen bewijzen dat het de bescherming van zijn mooiste landschappen echt serieus neemt voor de toekomst.
De houding van GroenRand blijft onverkort dat elke dag uitstel een gemiste kans is voor de biodiversiteit en voor de sociaal-economische heropleving van de regio rond de heide.
Het succesverhaal van de Hoge Kempen laat zien dat een nationaal park geen gevangenis is voor de omgeving maar juist een motor voor een nieuwe en duurzame vorm van recreatieve welvaart.


De Kalmthoutse Heide heeft werkelijk alles in zich om het vijfde succesverhaal van de Vlaamse natuurgeschiedenis te worden, mits de politiek de moed toont om de droom van GroenRand te realiseren.
In 2023 zijn er elders in Vlaanderen nog drie andere nationale parken bij gekomen wat bewijst dat het model van de Hoge Kempen nu eindelijk navolging krijgt op andere plekken in de regio.
Op de twintigste verjaardag van het NPHK verschuift de aandacht naar kwaliteit in plaats van verdere groei, nu de solide basisstructuur van bijna 13.000 hectare stevig en robuust verankerd is.
GroenRand benadrukt steeds dat de situatie in Limburg het beste bewijs is voor critici in de Antwerpse Kempen dat natuurontwikkeling zorgt voor een win-winsituatie voor mens en milieu.
De asymmetrie moet verdwijnen zodat de Kalmthoutse Heide over de grenzen heen kan schitteren als één ondeelbaar Nationaal Park dat klaar is voor de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw.