De Vlaamse Milieuspagaat: Over hamsters, maïs en de illusie van de versoepeling
Vlaanderen is een zakdoek groot, maar de ruzies die we erover maken zijn monumentaal. Vandaag staan we voor een nieuw en riskant hoofdstuk in ons nationale epos: de Grote Versoepeling. Verschillende Vlaamse politici hebben de aanval geopend op de Europese milieuregels. Het narratief is even simpel als verleidelijk: de industrie en de landbouw verstikken onder een deken van Brusselse regelzucht. "We moeten pragmatischer zijn," klinkt het in de wandelgangen. Maar wie de feiten achter de retoriek legt, ziet een heel ander beeld. We strijden niet tegen Brussel; we strijden tegen de grenzen van onze eigen leefbaarheid.
Premier Bart De Wever wond er onlangs in De Standaard geen doekjes om.
Hij hekelde de "mooie ambities" rond waterkwaliteit en nitraat die volgens hem simpelweg betekenen dat je niet meer kunt ondernemen.
"Al die mooie regeltjes waarmee wij onze landbouw of de industrie de meest ethische van de wereld willen maken – daar moeten we echt eens mee stoppen," aldus de premier.
Het is een klassiek discours: de economie versus de natuur.
Ook bij regeringspartner CD&V leeft dat gevoel sterk. Op het kabinet van Vlaams minister Jo Brouns klinkt het dat het dertig jaar na datum tijd is om de richtlijnen onder de loep te nemen: "We moeten de absurditeiten die ze veroorzaken, vermijden."
Maar laten we eerlijk zijn: wat politici "absurd" noemen, is vaak niets anders dan de ongemakkelijke confrontatie met de fysieke limieten van een regio die we volledig hebben dichtgebouwd.
Om te begrijpen waar de pijn zit, moeten we kijken naar de 'Heilige Drievuldigheid' van het milieubeleid: de Kaderrichtlijn Water (2000), de Nitraatrichtlijn (1991) en de Habitatrichtlijn (1992).
Deze richtlijnen zijn geen vrijblijvende suggesties; het zijn Europese doelstellingen die we zelf in wetten hebben omgezet.
De Kaderrichtlijn bepaalt dat al onze wateren tegen 2027 gezond moeten zijn.
De Nitraatrichtlijn dwingt ons om de vervuiling door meststoffen aan te pakken – de grootste bron van gif voor ons grondwater.
En dan is er de Habitatrichtlijn, die de waardevolle Natura 2000-gebieden moet beschermen.
Deze wetten dwongen Vlaanderen tot het zevende Mestactieplan en het beruchte stikstofdecreet.
Zonder deze regels zou geen enkel nieuw bedrijf of bouwproject nog een vergunning krijgen, een scenario dat in Nederland al werkelijkheid werd.
Toch herinnert Hans Bruyninckx, die tien jaar lang aan de top stond van het Europees Milieuagentschap, ons eraan dat deze regels niet zomaar uit de lucht zijn komen vallen.
Ze zijn het resultaat van een tijd waarin onze rivieren open riolen waren.
"De waterkwaliteit, de luchtkwaliteit en de bodemkwaliteit lieten toen allemaal te wensen over," stelt hij nuchter vast.
Vandaag, ruim dertig jaar later, is de situatie verre van opgelost. Jeroen Vanden Borre van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) bracht onlangs een ontnuchterend rapport uit: van de 46 verschillende natuurtypes in Vlaanderen doen er welgeteld twee het goed.
De rest kreunt onder versnippering en een stikstofdeken die maar niet verdwijnt.
Ook het water vertelt een triest verhaal: van de 195 Vlaamse waterlichamen is er slechts één in goede staat.
"In 1992 al merkte men dat er iets gedaan moest worden," vult Vanden Borre aan. "Toen al ging de biodiversiteit achteruit."
Nergens wordt de 'Vlaamse ziekte' – de totale verwevenheid van alles met alles – zo pijnlijk duidelijk als op de Kalmthoutse Heide.
Dit is een kroonjuweel van onze natuur, waar verenigingen zoals GroenRand vechten voor elke meter.
Maar wie door het gebied wandelt, botst op de paradox.
Midden in dat beschermde Natura 2000-gebied, tussen de kern en de Steertse Heide, ligt nog steeds een maïsakker.
Een akker waar bemest wordt en pesticiden worden gespoten, midden in een zone die Europa geacht wordt te beschermen.
"Zo absurd is het soms," zegt Vanden Borre hoofdschuddend.
Het illustreert perfect waarom de Habitatrichtlijn zo wringt.
Hoe kun je een 'verslechteringsverbod' handhaven als de bronnen van verslechtering letterlijk in de huiskamer van de natuur liggen?
De roep om versoepeling wordt verkocht als een reddingsboei voor onze industrie, maar milieu-economen waarschuwen voor een boemerangeffect.
Elke euro die we in de natuur steken, krijgen we achtvoudig terug in de vorm van zuiver water en gezonde lucht.
"Als je water en lucht niet zuiver zijn, de bodem verschraalt en de biodiversiteit verdwijnt, dan kost dat de economie ook geld," waarschuwt Bruyninckx.
Zelfs de terugkeer van de otter, een prachtig symbool van hoop, verdoezelt niet dat de chemische vervuiling door PFAS en pesticiden onze doelen bijna onhaalbaar maakt.
Moeten we de normen overboord gooien, of moeten we zorgen dat sectoren op een andere manier competitief blijven? Bruyninckx kiest resoluut voor het tweede.
Bestaat er een uitweg?
Het INBO suggereert een pragmatisme dat wél steunt op wetenschap: creëer grote, robuuste natuurkernen door versnipperde natuur te verbinden.
"Als dat lukt, creëert dat misschien ruimte om iets soepeler om te springen met de regels in de gebiedjes die nu her en der verspreid liggen," merkt Vanden Borre op. Maar die ruil kan pas plaatsvinden als de natuurkernen eerst in topconditie zijn.
De politieke roep om minder regels is een vlucht vooruit.
Het is makkelijker om op Brussel te foeteren dan om de eigen ruimtelijke ordening fundamenteel te herdenken.
Maar de natuur laat zich niet bedriegen door een decreet.
Als we de industrie willen redden door de natuur op te offeren, eindigen we met geen van beide.
Het is tijd voor een echt pragmatisme: eentje dat erkent dat een gezonde economie alleen kan bloeien op een gezonde bodem.
Of zoals de experts zeggen: zonder biodiversiteit is er geen businessmodel.
Foto' : Wim Verschraegen
Geen opmerkingen:
Een reactie posten