maandag 16 februari 2026

De mees: van gevederde acrobaat tot Wijnegems volkssymbool

 De mees: van gevederde acrobaat tot Wijnegems volkssymbool

Het is gisteren, zondag vijftien februari, en de wereld om je heen is veranderd in een gigantische, krakende suikertaart. Terwijl je door een dik pak sneeuw wandelt, besef je dat dit voor de vogels geen idyllisch plaatje is maar een bittere overlevingstocht.


In de struiken zie je plotseling een flits van geel en zwart tegen de witte achtergrond.
Daar zit hij dan: de koolmees.
Hij is de onbetwiste 'directeur' van de wintertuin en de kloekste van al onze mezen.


Met zijn lengte van 12 tot 15 centimeter is hij een flink maatje groter dan de pimpelmees.
Je kan je simpelweg niet vergissen!
Je ziet hoe hij zijn veren maximaal heeft opgebold tot een rond bolletje dons om de kostbare lichaamswarmte vast te houden.
Je herkent hem meteen aan zijn glanzend zwarte kopje en die iconische zwarte stropdas die parmantig over zijn gele buik loopt. Bij de vrouwtjes is dit dasje iets smaller en fijner afgetekend.
De juvenielen zijn wat saaier van kleur dan de volwassenen en hun stropdas is nog nagenoeg onbestaande.

Verder zie je zijn olijfgroene rug en de grijsblauwe staart en vleugels.
Zijn rechte, korte snavel is zwart en zijn poten zijn grijs.
Omdat de sneeuw de grond volledig bedekt, kan de koolmees niet scharrelen tussen de bladeren voor insecten, spinnen, larven of rupsen.
Hij kijkt je bijna vragend aan terwijl hij met zijn sterke grijze poten op een bevroren tak landt.
Ineens hoor je een helder ti-du, ti-du. Het is zijn bekende fietspomp-gezang, dat ook wel aan de sirene van een brandweerwagen doet denken.
Ondanks de vrieskou voelt hij de lengende dagen van midden februari en oefent hij alvast zijn indrukwekkende repertoire van maar liefst 40 verschillende noten voor de lente.

De manier van foerageren van de koolmees is fascinerend om te zien.
Normaal gesproken zoekt hij zijn eten op de grond door afgevallen bladeren opzij te duwen om diertjes op te pikken.
Daarna vliegt hij ermee naar een hoog plekje om zijn maaltje in alle rust op te peuzelen.
Vandaag moet hij zich echter met zijn stevige pootjes vastklampen aan de vetbollen van de Vogelbescherming om de kou te overleven. Wat verderop bij een bevroren beekje met rietstengels ontmoet je het kleine neefje: de pimpelmees.
Dit vinnige acrobaatje van amper 10 tot 12 centimeter draagt een prachtig helderblauw petje en een lichtgele borst.
Hij heeft geen zwarte stropdas maar een minder uitgesproken grijsblauwe streep die niet aansluit op zijn blauwige halsbandje. Heel opvallend zijn de witte wangen en het voorhoofd, onderbroken door een elegante, zwarte oogstreep.

Je ziet hem moeiteloos ondersteboven aan de dunste twijgjes hangen terwijl hij zoekt naar een verdwaalde larve in het riet, een waar buffet voor deze vogels.
Wanneer de koolmees te dichtbij komt, zet de pimpelmees de veertjes op zijn kruin dreigend overeind om groter te lijken tegenover zijn rivaal.
Zijn lied klinkt als een zilveren belletje dat vrolijk over de toonladder naar beneden tuimelt.

Terwijl je verder wandelt door de sneeuw, dwalen je gedachten af naar een merkwaardig schouwspel dat hier in andere tijden plaatsvindt.
Je denkt aan de Wijnegemse Mezevangers, een mannenvereniging die de herinnering aan een oude volkstraditie levend houdt.
In de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw was het mezenvangen een ware traditie in en rond Antwerpen en het Waasland.
Elk jaar in oktober trokken groepen in stoet en begeleid door muziek naar 'den buiten' om mezen te vangen die van Oost-Europa naar Noord-Afrika trokken.
De mezenvangers waren gekleed in een blauwe boerenkiel met een rood-witte bollekeszakdoek en gebruikten een uil als lokvogel en lijmstokken.

De vetste exemplaren werden opgegeten en de andere werden gekooid als zangvogel.
Hoewel het vangen al lang verleden tijd is, trekken de Mezevangers nog steeds elk jaar op de eerste zondag van oktober op pad in hun traditionele kledij met wandelstok.
Vrouwen vervoegen de groep enkel als muzikant. Het is een dag vol verbroedering die gepaard gaat met een traditioneel middagmaal van tomatensoep met balletjes, gekookte aardappelen met stoofvlees en savooi. In de avond volgen de boterhammen met kaas en kop of hoofdvlees.
In 2014 bestonden zij 150 jaar en voorzitter Vik Werrebroeck bundelde deze rijke historie in het boek '150 jaar Wijnegemse Mezevangers'.


Tijdens je wandeling in het diepere bos ontmoet je ook de rest van de familie die deze vijftien februari probeert te overleven.
De kuifmees heeft zijn naam niet gestolen en showt zijn spitse, driehoekige punkkuif vanuit een besneeuwde den.
Hij heeft een zwarte bef, een zwart halsbandje, een grijsbruine rug en een vuilwitte buik.

De bescheiden zwarte mees met zijn witte nekvlekje en witte wangvlek blijft hoog bovenin de boomtoppen.
Hij valt minder op door zijn grauwe kleuren en de twee fijne witte streepjes op zijn vleugels.
Dan scheert een groepje witte pluizenbolletjes voorbij: de staartmezen.
Met hun extreem lange, smalle, zwarte staart, wit kopje en piepklein snaveltje verplaatsen deze zenuwachtige vogeltjes zich graag in groep.
De zon zakt en de kou trekt aan op deze zondagavond.
Je ziet hoe de mezen zich voorbereiden op een zware nacht waarin ze wel 10% van hun gewicht kunnen verliezen.
Ze vliegen richting de nestkastjes van de Vogelbescherming of dichte hagen voor beschutting.
Thuisgekomen vul je de voederbakjes aan, want je weet nu dat deze kleine overlevers elk beetje hulp kunnen gebruiken om deze winter te verslaan. Foto's: Frank Vermeiren

Geen opmerkingen:

Een reactie posten