Frank Vermeiren zet de 'Water-Dandy' in de schijnwerpers: de fuut van A tot Z
Frank Vermeiren: van A tot Z
Als natuurfotograaf bij GroenRand brengt Frank Vermeiren de lokale biodiversiteit dagelijks in beeld met zijn vogelreportages van A tot Z.
Hij legt hierbij telkens de focus op de fragiele schoonheid van onze directe omgeving in de regio Voorkempen.
We zijn vandaag aanbeland bij de letter F van de Fuut (Podiceps cristatus), de meest algemeen voorkomende futensoort in heel Vlaanderen.
De fuut is een van de meest gracieuze verschijningen op onze wateren en een vogel die in onze regio een ideaal leefgebied vindt.
Deze vogel voelt zich werkelijk overal thuis waar water is, van chique stadsparken en grachten tot afgelegen duinmeren en moerasgebieden.
Ook langs de randen van grote meren en in nieuwe riviernatuur is deze statige vogel een vaste en welkome gast.
In zijn zomerkleed is deze water-dandy onmiddellijk herkenbaar aan zijn witgemaskerde kop met een bruinrode krans die prachtig overloopt in zwart.
Zijn verlengde zwarte kopveren geven hem een koninklijke uitstraling, terwijl zijn felrode ogen als robijnen schitteren in het zonlicht.
De bovenzijde van zijn lichaam is diepbruin, terwijl de onderzijde glanst als wit satijn, een pracht die mannetjes en vrouwtjes identiek delen.
Buiten het broedseizoen ondergaat de vogel een ware gedaanteverwisseling naar een veel soberder winterkleed.
In de winter oogt hij vaalbruin en wit en verliest hij bijna volledig zijn kenmerkende en sierlijke koptooi.
Kenmerkend voor de winterse fuut is de witte kleur boven de zwarte teugel, het gebiedje tussen het oog en de snavel.
Dit specifieke kenmerk onderscheidt hem van zijn zeldzamere neven die Frank soms ook in de regio weet te spotten.
De fuut is een vogel van uitersten, een meesterlijke duiker die onder water sneller is dan menig vis, maar op het land hulpeloos oogt.
Zijn volledige anatomie is gedicteerd door een leven onder de waterspiegel, met poten die extreem ver naar achteren op het lichaam staan.
Deze positie stelt hem in staat om met krachtige stoten enorme snelheden te bereiken en vlijmscherpe bochten te maken tijdens de jacht.
Het is diezelfde achterwaartse plaatsing van de poten die hem vroeger de volksnaam aarsvoet opleverde bij de lokale bevolking.
Omdat hij op het land nauwelijks rechtop kan staan of lopen, kost zelfs het opvliegen de fuut een enorme fysieke inspanning.
Hij moet een lange klappende aanloop over het wateroppervlak nemen om genoeg snelheid te genereren voordat hij het luchtruim kiest.
Het broedgebied van de fuut bestaat uit allerlei typen zoete tot brakke wateren van 0,5 tot ongeveer 5 meter diepte met voldoende vis.
Hij heeft een duidelijke voorkeur voor aflopende oevers met vegetatie en water met een niet al te dichte onderwaterbegroeiing.
Specifiek in de Voorkempen zijn er hotspots zoals het Park van Brasschaat, waar koppels op de grote kasteelvijver jaarlijks broeden.
Ook de slotgrachten van het Kasteel van Schoten en Domein de Renesse in Malle bieden de nodige beschutting voor hun nesten.
Voor wie de vogel in een natuurlijke setting wil zien, vormen de vennen in De Welvaart in Zoersel een prachtig en rustig decor.
Zelfs langs de Kempische Vaart, in de rustige inhammen en verbredingen, is de fuut een regelmatige gast die profiteert van de visrijkdom.
Een onmisbare locatie in het werk van Frank Vermeiren en de visie van GroenRand is de dertig kilometer lange Antitankgracht.
GroenRand beschouwt deze gracht als de ecologische ruggengraat van de Voorkempen en een vitale migratiecorridor voor vele soorten.
De gracht verbindt versnipperde natuurgebieden tussen Stabroek en Oelegem en fungeert als een robuust groen parelsnoer door de regio.
Omdat de Antitankgracht rijk is aan vis en beschutte begroeiing biedt, vormt het een ideaal territorium voor de fuut.
Langs de kanaaloevers en de zone rond de Bonte Klepper profiteren futen van de combinatie van diep viswater en luwe rietkragen.
Deze locaties maken deel uit van de doelstelling van GroenRand, het realiseren van een klimaatbestendige Voorkempen via Greenconnect.
De vereniging streeft naar het tegengaan van landschapsversnippering door het creëren van een klimaatgordel rond de regio Antwerpen.
De aanwezigheid van broedende futen is een compliment voor de waterkwaliteit, aangezien deze vogel helder water nodig heeft om te jagen.
Futen paren soms al heel vroeg in het jaar en voeren dan een spectaculair en complex gesynchroniseerd baltsritueel uit.
Dit ritueel begint met het opzetten van de verenkraag en het ritmisch spiegelend kopschudden om de onderlinge band te versterken.
Het absolute hoogtepunt is de pinguïndans, waarbij de partners borst tegen borst verticaal uit het water rijzen met planten in de snavel.
Het nest is een technisch vernuftig drijvend bouwwerk van rottende plantenresten, vaak verankerd aan rietstengels of treurwilgen.
Dit drijvende karakter beschermt de eieren tegen schommelingen in het waterpeil, wat essentieel is in wateren met een beheerd peil.
Het broedseizoen loopt van april tot juli, waarbij het vrouwtje meestal 3 tot 5 eieren legt die door beide ouders worden bebroed.
Zodra de kuikens na 25 dagen uit het ei kruipen, kunnen ze meteen zwemmen, maar ze klimmen direct op de rug van hun ouders.
De kuikens worden vanwege hun zwart-wit gestreepte donsveertjes vaak pyjamaatjes genoemd door de wandelaars en fotografen.
Daar op de rug zitten ze veilig voor de kou en voor hongerige snoeken of reigers die in de Voorkempen rijkelijk aanwezig zijn.
Frank Vermeiren merkte op hoe de ouders hun pyjamaatjes beschermen tegen de golfslag van pleziervaart op de Kempische Vaart.
Zodra er een boot nadert, maken de ouders een rollend geluid waarna de jongen zich reflexmatig dieper tussen de rugveren begraven.
De ouderfuut zet zijn vleugels dan iets hoger op als een natuurlijke golfbreker zodat de kuikens droog en veilig blijven.
Een uniek aspect van de opvoeding is het voeren van kleine veertjes aan de jongen om een viltachtige prop in de maag te vormen.
Deze prop voorkomt dat scherpe visgraten de kwetsbare darmen van de jonge vogels beschadigen tijdens het verteringsproces.
Het is een grappig gezicht wanneer een ouderfuut een veer uittrekt en deze als een klein hapje aanbiedt aan de wachtende jongen.
Frank herinnert zich een anekdote waarbij een jonge fuut zo ijverig op de rug wilde klimmen dat hij er aan de andere kant weer af rolde.
Jonge futen proberen de onhandige aanloop van hun ouders na te bootsen, wat eindigt in een komisch getrappel over het wateroppervlak.
De fuut is een uitstekende visser die zich voedt met visjes zoals voorn, alver, serpeling, brasem, stekelbaars en baars.
Hij jaagt door geruisloos onder water te duiken, waar hij soms wel een volle minuut kan verblijven om zijn prooi te grijpen.
Frank zag ooit hoe een ouder een visje herkauwde door het meermaals door de snavel te halen omdat het te groot was voor het kuiken.
Naast vis eet hij ook ongewervelden, waterinsecten, kreeftachtigen en af en toe wat waterplanten als noodzakelijke aanvulling.
Tijdens het broedseizoen laat de fuut een karakteristiek rollend kèrrr-kèrrr geluid horen dat over de Vlaamse vijvers galmt.
De hongerige jongen bedelen onophoudelijk om voedsel met een hoog doordringend en piepend pi-pi-pi geluid dat kilometers ver draagt.
Het is ook niet ongewoon om te zien hoe de ouders de jongen letterlijk onder de wol stoppen wanneer ze plotseling moeten duiken.
Frank komt ook de schuwe dodaars tegen, het kleinste familielid dat opvalt door zijn ronde achterste en hinnikende triller.
In afgelegen vennen spot hij soms de geoorde fuut met gouden oorpluimen, die graag in de buurt van kokmeeuwen broedt.
De aanwezigheid van meeuwen biedt de geoorde fuut een vroegtijdig waarschuwingssysteem tegen naderende roofvogels in de natuur.
Een echt geluksmoment is de waarneming van een doortrekkende roodhalsfuut, herkenbaar aan de kastanjebruine hals in de zon.
In de negentiende eeuw was de fuut bijna uitgestorven door de jacht op zijn borstveren die gewild waren voor de hoedenmode.
De vogel werd op grote schaal geslacht voor de futenbont handel, waarbij veren werden gebruikt in moffen, kragen en luxe hoeden.
Dankzij vroege natuurbescherming en herstel van waterkwaliteit is de populatie in de 20ste eeuw spectaculair toegenomen.
Factoren zoals eutrofiëring, milieuregels en gewenning aan de mens hebben bijgedragen aan de terugkeer van deze prachtige vogel.
Gebieden zoals de Vallei van de Delfte Beek en de Vorse Beemden in Zoersel worden door Natuurpunt Voorkempen beheerd.
Het is cruciaal dat wandelaars op de paden blijven om de drijvende nesten niet te verstoren tijdens het kritieke broedseizoen.
Futen smeren hun verenpak regelmatig in met vet uit de stuitklier om het volledig waterdicht te houden tijdens het zwemmen.
Door deze olieachtige laag blijft hun drijfvermogen optimaal en kunnen ze de koudste winterdagen op open water overleven.
Buiten de broedtijd verliezen ze hun schuwheid en kunnen ze zelfs in zoutwatermilieus langs de kust worden aangetroffen.
De overgang naar zout water is een indrukwekkende prestatie voor een vogel die normaal gesproken in zoet water vertoeft.
Voor Frank Vermeiren blijft de aanblik van een duikende fuut langs de Antitankgracht een symbool van de wilde natuur.
Elke foto die Frank maakt vertelt het verhaal van een vogel die ooit bijna verloren was voor onze Vlaamse regio.
Het observeren van de fuut leert ons geduld, want soms moet je lang wachten op dat ene perfecte moment voor een foto.
De kasteelvijver van Brasschaat en de rietkragen van de Bonte Klepper blijven de absolute place to be voor elke natuurliefhebber.
Frank besluit dat de fuut ons leert dat schoonheid en overlevingskracht hand in hand gaan als wij hen rust en ruimte gunnen.
Hij legt hierbij telkens de focus op de fragiele schoonheid van onze directe omgeving in de regio Voorkempen.
We zijn vandaag aanbeland bij de letter F van de Fuut (Podiceps cristatus), de meest algemeen voorkomende futensoort in heel Vlaanderen.
De fuut is een van de meest gracieuze verschijningen op onze wateren en een vogel die in onze regio een ideaal leefgebied vindt.
Deze vogel voelt zich werkelijk overal thuis waar water is, van chique stadsparken en grachten tot afgelegen duinmeren en moerasgebieden.
Ook langs de randen van grote meren en in nieuwe riviernatuur is deze statige vogel een vaste en welkome gast.
In zijn zomerkleed is deze water-dandy onmiddellijk herkenbaar aan zijn witgemaskerde kop met een bruinrode krans die prachtig overloopt in zwart.
Zijn verlengde zwarte kopveren geven hem een koninklijke uitstraling, terwijl zijn felrode ogen als robijnen schitteren in het zonlicht.
De bovenzijde van zijn lichaam is diepbruin, terwijl de onderzijde glanst als wit satijn, een pracht die mannetjes en vrouwtjes identiek delen.
Buiten het broedseizoen ondergaat de vogel een ware gedaanteverwisseling naar een veel soberder winterkleed.
In de winter oogt hij vaalbruin en wit en verliest hij bijna volledig zijn kenmerkende en sierlijke koptooi.
Kenmerkend voor de winterse fuut is de witte kleur boven de zwarte teugel, het gebiedje tussen het oog en de snavel.
Dit specifieke kenmerk onderscheidt hem van zijn zeldzamere neven die Frank soms ook in de regio weet te spotten.
De fuut is een vogel van uitersten, een meesterlijke duiker die onder water sneller is dan menig vis, maar op het land hulpeloos oogt.
Zijn volledige anatomie is gedicteerd door een leven onder de waterspiegel, met poten die extreem ver naar achteren op het lichaam staan.
Deze positie stelt hem in staat om met krachtige stoten enorme snelheden te bereiken en vlijmscherpe bochten te maken tijdens de jacht.
Het is diezelfde achterwaartse plaatsing van de poten die hem vroeger de volksnaam aarsvoet opleverde bij de lokale bevolking.
Omdat hij op het land nauwelijks rechtop kan staan of lopen, kost zelfs het opvliegen de fuut een enorme fysieke inspanning.
Hij moet een lange klappende aanloop over het wateroppervlak nemen om genoeg snelheid te genereren voordat hij het luchtruim kiest.
Het broedgebied van de fuut bestaat uit allerlei typen zoete tot brakke wateren van 0,5 tot ongeveer 5 meter diepte met voldoende vis.
Hij heeft een duidelijke voorkeur voor aflopende oevers met vegetatie en water met een niet al te dichte onderwaterbegroeiing.
Specifiek in de Voorkempen zijn er hotspots zoals het Park van Brasschaat, waar koppels op de grote kasteelvijver jaarlijks broeden.
Ook de slotgrachten van het Kasteel van Schoten en Domein de Renesse in Malle bieden de nodige beschutting voor hun nesten.
Voor wie de vogel in een natuurlijke setting wil zien, vormen de vennen in De Welvaart in Zoersel een prachtig en rustig decor.
Zelfs langs de Kempische Vaart, in de rustige inhammen en verbredingen, is de fuut een regelmatige gast die profiteert van de visrijkdom.
Een onmisbare locatie in het werk van Frank Vermeiren en de visie van GroenRand is de dertig kilometer lange Antitankgracht.
GroenRand beschouwt deze gracht als de ecologische ruggengraat van de Voorkempen en een vitale migratiecorridor voor vele soorten.
De gracht verbindt versnipperde natuurgebieden tussen Stabroek en Oelegem en fungeert als een robuust groen parelsnoer door de regio.
Omdat de Antitankgracht rijk is aan vis en beschutte begroeiing biedt, vormt het een ideaal territorium voor de fuut.
Langs de kanaaloevers en de zone rond de Bonte Klepper profiteren futen van de combinatie van diep viswater en luwe rietkragen.
Deze locaties maken deel uit van de doelstelling van GroenRand, het realiseren van een klimaatbestendige Voorkempen via Greenconnect.
De vereniging streeft naar het tegengaan van landschapsversnippering door het creëren van een klimaatgordel rond de regio Antwerpen.
De aanwezigheid van broedende futen is een compliment voor de waterkwaliteit, aangezien deze vogel helder water nodig heeft om te jagen.
Futen paren soms al heel vroeg in het jaar en voeren dan een spectaculair en complex gesynchroniseerd baltsritueel uit.
Dit ritueel begint met het opzetten van de verenkraag en het ritmisch spiegelend kopschudden om de onderlinge band te versterken.
Het absolute hoogtepunt is de pinguïndans, waarbij de partners borst tegen borst verticaal uit het water rijzen met planten in de snavel.
Het nest is een technisch vernuftig drijvend bouwwerk van rottende plantenresten, vaak verankerd aan rietstengels of treurwilgen.
Dit drijvende karakter beschermt de eieren tegen schommelingen in het waterpeil, wat essentieel is in wateren met een beheerd peil.
Het broedseizoen loopt van april tot juli, waarbij het vrouwtje meestal 3 tot 5 eieren legt die door beide ouders worden bebroed.
Zodra de kuikens na 25 dagen uit het ei kruipen, kunnen ze meteen zwemmen, maar ze klimmen direct op de rug van hun ouders.
De kuikens worden vanwege hun zwart-wit gestreepte donsveertjes vaak pyjamaatjes genoemd door de wandelaars en fotografen.
Daar op de rug zitten ze veilig voor de kou en voor hongerige snoeken of reigers die in de Voorkempen rijkelijk aanwezig zijn.
Frank Vermeiren merkte op hoe de ouders hun pyjamaatjes beschermen tegen de golfslag van pleziervaart op de Kempische Vaart.
Zodra er een boot nadert, maken de ouders een rollend geluid waarna de jongen zich reflexmatig dieper tussen de rugveren begraven.
De ouderfuut zet zijn vleugels dan iets hoger op als een natuurlijke golfbreker zodat de kuikens droog en veilig blijven.
Een uniek aspect van de opvoeding is het voeren van kleine veertjes aan de jongen om een viltachtige prop in de maag te vormen.
Deze prop voorkomt dat scherpe visgraten de kwetsbare darmen van de jonge vogels beschadigen tijdens het verteringsproces.
Het is een grappig gezicht wanneer een ouderfuut een veer uittrekt en deze als een klein hapje aanbiedt aan de wachtende jongen.
Frank herinnert zich een anekdote waarbij een jonge fuut zo ijverig op de rug wilde klimmen dat hij er aan de andere kant weer af rolde.
Jonge futen proberen de onhandige aanloop van hun ouders na te bootsen, wat eindigt in een komisch getrappel over het wateroppervlak.
De fuut is een uitstekende visser die zich voedt met visjes zoals voorn, alver, serpeling, brasem, stekelbaars en baars.
Hij jaagt door geruisloos onder water te duiken, waar hij soms wel een volle minuut kan verblijven om zijn prooi te grijpen.
Frank zag ooit hoe een ouder een visje herkauwde door het meermaals door de snavel te halen omdat het te groot was voor het kuiken.
Naast vis eet hij ook ongewervelden, waterinsecten, kreeftachtigen en af en toe wat waterplanten als noodzakelijke aanvulling.
Tijdens het broedseizoen laat de fuut een karakteristiek rollend kèrrr-kèrrr geluid horen dat over de Vlaamse vijvers galmt.
De hongerige jongen bedelen onophoudelijk om voedsel met een hoog doordringend en piepend pi-pi-pi geluid dat kilometers ver draagt.
Het is ook niet ongewoon om te zien hoe de ouders de jongen letterlijk onder de wol stoppen wanneer ze plotseling moeten duiken.
Frank komt ook de schuwe dodaars tegen, het kleinste familielid dat opvalt door zijn ronde achterste en hinnikende triller.
In afgelegen vennen spot hij soms de geoorde fuut met gouden oorpluimen, die graag in de buurt van kokmeeuwen broedt.
De aanwezigheid van meeuwen biedt de geoorde fuut een vroegtijdig waarschuwingssysteem tegen naderende roofvogels in de natuur.
Een echt geluksmoment is de waarneming van een doortrekkende roodhalsfuut, herkenbaar aan de kastanjebruine hals in de zon.
In de negentiende eeuw was de fuut bijna uitgestorven door de jacht op zijn borstveren die gewild waren voor de hoedenmode.
De vogel werd op grote schaal geslacht voor de futenbont handel, waarbij veren werden gebruikt in moffen, kragen en luxe hoeden.
Dankzij vroege natuurbescherming en herstel van waterkwaliteit is de populatie in de 20ste eeuw spectaculair toegenomen.
Factoren zoals eutrofiëring, milieuregels en gewenning aan de mens hebben bijgedragen aan de terugkeer van deze prachtige vogel.
Gebieden zoals de Vallei van de Delfte Beek en de Vorse Beemden in Zoersel worden door Natuurpunt Voorkempen beheerd.
Het is cruciaal dat wandelaars op de paden blijven om de drijvende nesten niet te verstoren tijdens het kritieke broedseizoen.
Futen smeren hun verenpak regelmatig in met vet uit de stuitklier om het volledig waterdicht te houden tijdens het zwemmen.
Door deze olieachtige laag blijft hun drijfvermogen optimaal en kunnen ze de koudste winterdagen op open water overleven.
Buiten de broedtijd verliezen ze hun schuwheid en kunnen ze zelfs in zoutwatermilieus langs de kust worden aangetroffen.
De overgang naar zout water is een indrukwekkende prestatie voor een vogel die normaal gesproken in zoet water vertoeft.
Voor Frank Vermeiren blijft de aanblik van een duikende fuut langs de Antitankgracht een symbool van de wilde natuur.
Elke foto die Frank maakt vertelt het verhaal van een vogel die ooit bijna verloren was voor onze Vlaamse regio.
Het observeren van de fuut leert ons geduld, want soms moet je lang wachten op dat ene perfecte moment voor een foto.
De kasteelvijver van Brasschaat en de rietkragen van de Bonte Klepper blijven de absolute place to be voor elke natuurliefhebber.
Frank besluit dat de fuut ons leert dat schoonheid en overlevingskracht hand in hand gaan als wij hen rust en ruimte gunnen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten