dinsdag 14 april 2026

De Vlaamse natuurherstelwet en de erfenis van een versnipperd ruimtelijk beleid

De Vlaamse natuurherstelwet en de nalatenschap van een versnipperd ruimtelijk beleid


De Europese Natuurherstelwet, die in april 2026 het politieke landschap in Vlaanderen domineert, wordt in het publieke debat vaak gepresenteerd als een spanningsveld tussen ecologische doelstellingen en de belangen van de landbouwsector.
Een analyse van de ruimtelijke voorgeschiedenis wijst uit dat deze situatie de uitkomst is van een langdurig proces, waarbij de inrichting van het landschap en de natuurlijke grenzen door verschillende beleidskeuzes zijn gevormd.
Vlaanderen ervaart vandaag de gevolgen van een decennialange cultuur in de ruimtelijke ordening, waarbij lokale en individuele woonwensen vaak prioriteit kregen boven een integrale landschapsvisie.
De wortels van deze ruimtelijke structuur liggen in een politieke visie die bijna een eeuw geleden vorm kreeg door toedoen van de christendemocratische ideologie.
De fundamenten hiervoor werden al vroeg gelegd door de Wet op de Tuinsteden uit 1923 en de Wet De Taeye uit 1948, die via goedkope leningen en premies het ideaal promootten van een eigen woning met tuin buiten de ongezonde stadscentra.
Hoewel deze wetgeving vlak na de wereldoorlogen ontstond uit de noodzaak om de woningnood aan te pakken en sociale stabiliteit te bevorderen, legde dit ook de basis voor de versnippering van het landschap door bebouwing te stimuleren in gebieden waar voorheen natuur en landbouw domineerden.


In de jaren 60 en 70 trachtte minister van Openbare Werken Jos De Saeger de groei te reguleren via de opmaak van 48 gewestplannen om de wildgroei te kanaliseren.
In de praktijk zorgden de druk van lokale besturen en onrealistische bevolkingsprognoses voor een ruime toewijzing van woonzones, waardoor er tot op vandaag nog steeds veel foute bouwgrond ligt op plekken die natuurlijke open ruimte en beekvalleien verstoren.
Na de regionalisering in 1981 werd dit beleid onder minister Paul Akkermans verdergezet door de laksheid in het systeem te institutionaliseren.
Met het Minidecreet van 1984 werd een beleid van grotere flexibiliteit gevoerd, onder meer via de introductie van de opvulregel.


Deze regel stond toe dat onbebouwde percelen tussen woningen in niet-woonzones, zoals landbouwgebied, werden bebouwd mits de afstand tussen de panden minder dan 70 meter bedroeg.
Wat bedoeld was als een tijdelijke overgangsmaatregel werd de motor achter de kilometerslange lintbebouwing, die het landschap definitief versnipperde en de verhardingsgraad in Vlaanderen tot de hoogste van Europa verhoogde.
Terwijl wetenschappelijke instanties al vanaf de jaren 70 wezen op de negatieve effecten van deze verharding op de waterhuishouding, bleef de politieke voorkeur aan de keukentafel uitgaan naar individuele bouwrechten en lokale autonomie.


De impact van deze keuzes wordt duidelijk bij een vergelijking met Nederland, dat een vergelijkbare bevolkingsdichtheid en geografische uitgangspositie heeft, maar koos voor een beleid van gebundelde deconcentratie en strikte centrale regie.
In Nederland werd de grens tussen bebouwing en open ruimte scherper bewaakt en is het Natuurnetwerk wettelijk verankerd als essentiële infrastructuur, vergelijkbaar met wegen of dijken.
In Vlaanderen is natuur vaker de restruimte die toevallig overbleef binnen de verspreide bebouwing, wat het herstel van grote ecosystemen complexer en kostbaarder maakt omdat de basisstructuur van het landschap is vernietigd.


De impact op de landbouw is destructief door de verregaande verweving van functies in agrarisch gebied, die leidde tot de vertuining en verpaarding van landbouwgrond waarbij naar schatting 22% van het areaal in zonevreemd gebruik is.
Deze verpaarding wordt vaak geassocieerd met een achteruitgang van de omgevingskwaliteit door een wildgroei aan opzichtige afsluitingen en kleine, overbegraasde weides die weinig biodiversiteit kennen, terwijl hobbyweides in de provincie Antwerpen 3,6% van de agrarische ruimte beslaan.
Dit beïnvloedde de grondprijzen voor professionele landbouwers tot een historisch niveau, waarbij in de eerste helft van 2024 een hectare landbouwgrond in Vlaanderen gemiddeld bijna €68.934 kostte, wat een stijging betekent van bijna 92% sinds 2013.


In de provincie Antwerpen steeg de koopprijs naar gemiddeld ruim €75.631, terwijl de jaarlijkse pachtprijs gemiddeld slechts rond de €446 per hectare ligt, wat het voor boeren onmogelijk maakt om aankoopinvesteringen terug te verdienen.
Deze hoge prijzen worden gedreven door schaarste en concurrentie met niet-landbouwers, die grond gebruiken als belegging of als uitbreiding van een residentiële tuin, terwijl boeren gevangen zitten in een financiële lock-in.
Professionele landbouwers bevinden zich hierdoor in een situatie waarbij hun bedrijfsvoering vaker botst met de nabijheid van woningen door strengere normen voor geluid, geur en stofemissie.
Het uitvoeren van normale agrarische taken zoals bemesten, oogsten tijdens de nacht of het bouwen van een nieuwe stal botst vaker op bezwaren van omwonenden die een residentiële rust verwachten.


De versnippering verhoogt dit probleem voor de boeren aanzienlijk, omdat door de verweving van functies bijna elk landbouwperceel wel grenst aan een woonhuis of een beschermd natuurgebied.
De bedrijfsvoering botst immers ook op de directe nabijheid van natuurgebieden, aangezien de Europese en Vlaamse regelgeving strenge beperkingen oplegt aan de uitstoot van ammoniak en stikstof in de buurt van kwetsbare habitats.
In een versnipperd landschap is de kans dat een stal in de buurt van een dergelijk gebied ligt veel groter dan in een geordend landschap, waardoor landbouwactiviteiten voortdurend onderworpen worden aan complexe vergunningsvoorwaarden of reductieplannen.
Daarnaast ondervinden zij de effecten van een versnipperd landschap dat minder goed water kan bufferen door de verregaande verharding en het dichtbouwen van natuurlijke overstromingszones, waardoor regenwater niet meer traag in de bodem kan sijpelen.
Het water wordt via riolen en rechte grachten versneld afgevoerd, wat stroomafwaarts tot plotse wateroverlast op akkers leidt, terwijl de grondwaterspiegel in droge periodes sneller daalt aangezien er minder natuurlijke sponswerking aanwezig is.


De landbouwer wordt zo geconfronteerd met een dubbele kwetsbaarheid, waarbij hij enerzijds directe financiële schade lijdt door opbrengstderving tijdens droge omstandigheden omdat de grondwatertafel door de verharding sneller daalt.
Anderzijds worden zijn mogelijkheden om hierop te reageren ingeperkt door de ruimtelijke verweving met zowel bewoning als beschermde natuur, wat leidt tot beperkingen op watercaptatie om de drinkwatervoorziening en kwetsbare habitats te beschermen.
Door de dichte nabijheid van woningen en natuurreservaten stuiten investeringen in klimaatbestendige infrastructuur, zoals waterbuffers of nieuwe putten, vaker op complexe vergunningsvoorwaarden of bezwaren van omwonenden.
In de Voorkempen vormen de Laarse Beek, de Kaartse Beek ook bekend als het Schoon Schijn, het Groot Schijn en het Klein Schijn een aaneengesloten hydrologisch systeem dat essentieel is voor deze regio.


Dit systeem functioneert als een geheel omdat de Antitankgracht als drager het verbindend element is dat deze verschillende waterlopen op een kunstmatige wijze transversaal met elkaar koppelt.
Om deze beekvalleien weer natuurlijk te maken is een integrale aanpak nodig waarbij waterbouwkundige en ecologische ingrepen hand in hand gaan, zoals het herstellen van de natuurlijke loop door meandering.
Deze kronkelende vorm vertraagt de waterafvoer, waardoor de vallei als een natuurlijke spons fungeert die water vasthoudt voor droge periodes en piekafvoeren dempt bij hevige regen.
Vernatting is cruciaal door de beekbedding te verondiepen of drainagegrachten te dichten, waardoor het grondwaterpeil stijgt en typische ecosystemen zoals moerasbossen weer een kans krijgen.


De ecologische verbinding moet worden hersteld door fysieke barrières zoals verouderde stuwen op de Wezelse Beek te verwijderen, zodat vissen weer vrij kunnen migreren langs brede natuurlijke buffers met houtkanten en hagen.
Door deze aanpak veranderen deze vier beken weer in een dynamisch landschap dat de biodiversiteit verhoogt en bijdraagt aan de bescherming tegen klimaatverandering.
Voor de Kaartse Beek zijn bijvoorbeeld oeverwallen verlaagd en oude grachtenstelsels hersteld om bij extreme regenval water te kunnen bufferen in de vallei in plaats van in woonwijken.
Bij de Laarse Beek ligt de focus op valleiherstel tussen Brecht en Brasschaat, waarbij natte natuurgebieden zoals het Peerdsbos en de Inslag opnieuw worden verbonden om habitats te creëren voor zeldzame soorten zoals de rivierdonderpad.
Het Groot en Klein Schijn fungeren als de hoofdaders, waarbij gewerkt wordt aan het opheffen van vismigratieknelpunten en het herstellen van de natuurlijke uiterwaarden zoals in het Vrieselhof.


Binnen dit proces speelt de vereniging GroenRand een rol als maatschappelijk pleitbezorger en deskundige partner die streeft naar een aaneengesloten landschapspark in de Voorkempen.
Een specifiek speerpunt van GroenRand is het ottervriendelijk ontsnipperen van de Antitankgracht, die werd aangelegd in de jaren 30 als militaire linie en loodrecht door de oost-westelijke waterlopen snijdt.


Een kritiek punt bevindt zich ter hoogte van de Turnhoutsebaan Oost, waar de huidige duiker van de Antitankgracht permanent onder water staat, waardoor de doorgang voor de otter ongeschikt is zonder aanpassingsmogelijkheden.
In het kader van het Soortenbeschermingsprogramma voor de otter werd in 2021 door Natuurpunt Brasschaat een projectfiche opgesteld voor een droge kleine faunatunnel naast de duiker, inclusief geleidingsraster en aangepaste verlichting.
Daarnaast kan over de weg een overspanning komen in de vorm van een boombrug, zodat klimmende soorten zoals de boommarter en de eekhoorn veilig kunnen oversteken.
Om verkeersslachtoffers bij laagvliegende vleermuizen te voorkomen worden hop-overs geadviseerd met hoog opgaande vegetatie aan beide zijden van de weg, zonder kunstmatige verlichting in de boomkruinen.


Er zijn concrete plannen om gedempte delen van de Antitankgracht weer open te leggen in zowel Schilde als Sint-Job-in-het-Goor om barrières weg te nemen.
In Schilde focust het Masterplan Schildestrand op de zone rond het Schildestrand, waar de gracht momenteel onderbroken is door bebouwing en wegen om de historische waarde te herstellen.
In Sint-Job-in-het-Goor in Brecht richt het Projectplan Antitankgracht 2026-2031 zich op het segment tussen het kanaal Dessel-Schoten en de Zandstraat dat over enkele honderden meters gedempt is.
Het herstel van deze gedempte delen is cruciaal om de ecologische verbinding te vervolledigen, waarbij de otter fungeert als paraplusoort voor de algemene biodiversiteit.


Voor de realisatie van deze ontsnipperingsprojecten wordt gekeken naar het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering oftewel VAPEO, dat zich richt op ingrepen ter hoogte van transportinfrastructuur.
Hoewel de plannen voor prioritaire knelpunten langs gewestwegen, zoals de Brechtsebaan in Schoten nabij de E10-plas en de Turnhoutsebaan Oost in Schilde, al in kaart zijn gebracht, is er een financieringskloof omdat er geen budget voor is voorzien.



GroenRand schat dat er circa €11,45 miljoen nodig is om de cruciale knelpunten in de regio grondig aan te pakken, maar de feitelijke budgetten dekken deze kosten vooralsnog niet volledig.
Het Projectplan 2026-2031 onder leiding van het Regionaal Landschap de Voorkempen stelt de ambities scherp, maar de uitvoering blijft afhankelijk van budgettaire toezeggingen vanuit het Vlaams Gewest.
Omdat de Vlaamse Milieumaatschappij de eigenaar en beheerder van de gracht is, ligt de financiële verantwoordelijkheid voor de infrastructuur en het onderhoud bij de Vlaamse overheid.
Onder de vorige minister Zuhal Demir was voor het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) een budget van circa €50 miljoen beschikbaar vanuit de visie dat natuurherstel een niet-onderhandelbare juridische plicht is.
Dit beleid vloeide voort uit de Europese Habitatrichtlijn en de Natuurherstelwet, die lidstaten verplichten om beschermde soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen.
In het versnipperde Vlaamse landschap is het fysiek verbinden van natuurgebieden via ecoducten en tunnels daarbij een noodzakelijke voorwaarde om aan deze wettelijke resultaatverbintenis te voldoen en toekomstige juridische blokkades bij vergunningverlening te vermijden.
Onder de huidige minister, Jo Brouns, is deze financiële koers gewijzigd en wordt er objectief minder geïnvesteerd in natuurherstel.


In de huidige meerjarenbegroting tot 2031 zijn er geen nieuwe middelen vastgelegd voor de opstart van grote ontsnipperingsprojecten, waarbij het jaarlijkse budget voor lopende zaken en studies is teruggebracht naar circa €1 miljoen.
Deze daling is het gevolg van een budgettaire krimp binnen het beleidsdomein Omgeving, mede door het wegvallen van de eenmalige Europese herstelgelden die in de vorige legislatuur beschikbaar waren.
Binnen de nu beperktere financiële middelen geeft de minister prioriteit aan de stikstofaanpak en de Blue Deal.
Hoewel voor de Blue Deal in de periode tot 2029 een bedrag van €430 miljoen is begroot, ligt dit totaalbedrag lager dan de investeringen uit de vorige regeerperiode.
Er is sprake van een beleidsmatige keuze waarbij de resterende middelen worden geconcentreerd op waterveiligheid en stikstof, waardoor de financiering voor ecologische ontsnippering nagenoeg volledig is weggevallen en de totale middelen voor natuurherstel zijn afgenomen.


In de huidige begrotingstabellen van het kabinet Omgeving zijn geen geoormerkte middelen uit de Blue Deal terug te vinden voor deze specifieke locaties rond de Antitankgracht, ondanks de aankondiging van €51 miljoen voor algemene waterweerbaarheid.
Bovendien loopt de Europese ondersteuning via het project Otter over de grens in maart 2027 af, zonder dat er momenteel in vervolgmiddelen is voorzien.
De budgettaire situatie is ook voor het basisbeheer nijpend, aangezien voor toekomstige slibruimingen geen specifiek budget gereserveerd is binnen de investeringsprogramma's van de VMM, wat de waterkwaliteit bedreigt.
Landbouwers kunnen via vrijwillige beheerovereenkomsten met de Vlaamse Landmaatschappij een actieve rol opnemen in dit herstel, door bijvoorbeeld randen langs waterlopen niet te bemesten of houtkanten aan te planten.


Deze overeenkomsten variëren in vergoeding, zoals ruim €700 per hectare voor het beheer van perceelsranden of specifieke vergoedingen voor het onderhoud van houtige kleine landschapselementen.
De juridische druk op het beleid neemt toe door de deadline van 1 september 2026 voor het indienen van het Belgische natuurherstelplan bij de Europese Commissie.
Het missen van deze deadline of een ontoereikend plan kan leiden tot juridische procedures, waarbij vergunningen voor woningbouw, infrastructuur en industrie onder druk komen te staan vergelijkbaar met de stikstofcrisis.


Landbouwers bevinden zich in de positie van gebruikers van een historisch gegroeid systeem en ondervinden als eersten schade door een inrichting die klimatologisch niet langer houdbaar is. 
De analyse stelt vast dat de huidige situatie mede het resultaat is van politieke keuzes waarbij korte termijn belangen al bijna een eeuw lang boven lange termijn planning zijn gesteld.
Een structurele oplossing vraagt om een verschuiving waarbij natuurherstel wordt erkend als kritieke infrastructuur met een nieuw sociaal contract waarbij de landbouwer eerlijk wordt vergoed.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten