De Keer: Een onmogelijk kruispunt tussen economie en leefbaarheid
De geschiedenis van het omvangrijke dossier rond de ontsluiting van de economische zone De Keer in Ranst voert ons terug naar het fundamentele besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 over het Economisch Netwerk Albertkanaal (ENA).
Dit grootschalige project had als primair doel om de economische slagkracht van de regio Antwerpen en de as naar het hinterland te vergroten door industriële activiteiten maximaal te koppelen aan de transportmogelijkheden van het Albertkanaal.
In 2006 werd besloten om een uitgebreid en grootschalig onderzoek te doen in een zogenaamde zoekzone van maar liefst 330 hectare in de regio Ranst en Wommelgem, om de meest geschikte plekken voor logistieke uitbreiding te bepalen.
Van de oorspronkelijke enorme zoekzone bleef uiteindelijk één concreet en vanaf het begin zeer omstreden plan over: 200 hectare nieuwe industrie en grootschalige overslagbedrijven op de locatie De Keer.
Ter vergelijking beslaat de huidige en reeds zeer drukke industriecluster Ter Straten in Ranst een oppervlakte van ongeveer 158 hectare.
Dit betekent in de praktijk dat de plannen inhielden dat er bovenop de bestaande industriële druk nog eens een volledig nieuw gebied zou worden toegevoegd dat in omvang groter is dan de volledige huidige zone van Ranst.
Toen waarschuwde Dirk Weyler, destijds boegbeeld van de vereniging Red de Voorkempen, al met grote stelligheid dat dit ambitieuze project in de praktijk volledig onhaalbaar zou blijken.
Hij was de kritische stem die, met zijn uitzonderlijke kennis van de dossiers, feilloos de scenario’s voorspelde die twintig jaar later het project technisch de das om zouden doen.
Hij haalde toen al de argumenten aan die nu in 2026 centraal staan in het debat zoals de technische onmogelijkheid van een volledig gesloten circuit en de onvermijdelijke dreiging van een totaal verkeersinfarct op die specifieke plaats.
Hij wees er tevens met klem op dat volgens de bindende regels van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) een directe nieuwe oprit ter hoogte van Ranst op de E313 technisch simpelweg niet is toegestaan.
Dit verbod komt voort uit de strikte planologische bepalingen over minimale afstanden tussen verschillende op- en afritten die essentieel zijn om de doorstroming en de algemene veiligheid op het hoofdwegennet te garanderen.
Zelfs wijlen Steve Stevaert verzette zich destijds, in zijn rol als minister, krachtig tegen het riskante idee van een extra oprit bij de bestaande Q8-parking, omdat hij vreesde dat dit de verkeersveiligheid en de doorstroming op de E313 ernstig zou schaden.
Hoewel de overheid dit project gedurende jaren steevast profileerde als een noodzakelijke ontwikkeling voor watergebonden industrie bleek uit gedetailleerde voorstudies een heel andere realiteit.
Uit deze onderzoeken bleek dat slechts een fractie van 12,5 procent van de bedrijven op het terrein effectief gebruik zou maken van het naastgelegen Albertkanaal voor hun goederenstromen.
De overheid plande hiermee in werkelijkheid de vestiging van reguliere logistiek en enorme magazijnen die voor maar liefst 87,5 procent volledig afhankelijk zouden zijn van wegtransport via vrachtwagens.
Dit zou volgens de officiële en destijds reeds berekende kengetallen leiden tot een gigantische extra stroom van maar liefst 11.539 vrachtwagenbewegingen per etmaal bovenop het reeds aanwezige verzadigde verkeer.
Een dergelijke hoeveelheid komt visueel overeen met een ononderbroken rij van 115,39 kilometer aan vrachtwagens die dagelijks door de nu al volledig verzadigde regio rond Ranst zou moeten rijden.
De administratieve diensten beseften al snel dat dit terrein veel te dicht bij de stad Antwerpen ligt en dat de extra belasting de omliggende wegenstructuur volledig zou blokkeren.
In het referentiejaar 2004 verwerkte de E313 ter hoogte van Ranst reeds dagelijks circa 100.000 voertuigen wat op dat moment al door experts als de absolute fysieke limiet van de weg werd beschouwd.
Vandaag in het jaar 2026 is de verkeersdrukte op diezelfde as echter verder geëscaleerd naar een gemiddelde van 150.000 voertuigen per dag wat een stijging van maar liefst 50 procent betekent ten opzichte van de reeds kritieke situatie van weleer.
De feitelijke verzadigingsgraad van de snelweg schommelt nu constant op een gevaarlijk niveau tussen de 102 en 104 procent waardoor de weg technisch gezien permanent overbelast is.
Sinds het jaar 2015 is de algemene filezwaarte in deze regio met maar liefst 88 procent toegenomen wat de leefbaarheid voor de omwonenden drastisch heeft aangetast.
De fundamentele onhoudbaarheid van deze plannen werd reeds in 2009 onomstotelijk bevestigd door een vernietigend auditrapport dat de vorm aannam van de uitgebreide Tactische Studie E313.
Dit rapport concludeerde na grondige analyse dat extra verkeersstromen er op deze locatie simpelweg niet meer bij konden zonder een regionaal infarct te veroorzaken.
Deze harde conclusies leidden in 2010 tot een eerste officiële opschorting van het project Lage Keer door de Vlaamse Regering wegens het ontbreken van realistische ontsluitingsmogelijkheden.
Elke toekomstige toevoeging van voertuigen zou onvermijdelijk leiden tot nog meer vertragingen en stilstaand verkeer wat de hele ontwikkeling bestempelde als een project dat absoluut niet duurzaam is.
Om deze dreigende verkeersinfarcten alsnog het hoofd te bieden stelde de Vlaamse Overheid later de aanleg voor van een extra vijfde rijstrook in combinatie met een zogenaamd Hollands complex bij de Q8-parkings.
Voor een lezer zonder specifieke technische of verkeerskundige achtergrond klinkt de aanleg van extra asfalt vaak als een logische oplossing voor congestie.
In de technische praktijk creëert een dergelijke ingreep echter juist een zone van extreme turbulentie doordat er veel meer weefbewegingen op een beperkte afstand moeten plaatsvinden.
Er ontstaat hierdoor een direct en gevaarlijk conflict tussen zware vrachtwagens die traag optrekkend uit de industriezone komen en het snelle doorgaande verkeer dat op de E313 rijdt.
Omdat de aanleg van directe nieuwe opritten technisch onmogelijk blijft binnen de internationaal geldende veiligheidsafstanden is de overheid gedwongen naar peperdure en complexe alternatieven te zoeken.
Zo werd het voorstel gedaan om parallelwegen of collectorwegen aan te leggen, zodat het lokale verkeer wordt gescheiden van het doorgaande verkeer op de snelweg.
Uit wetenschappelijke studies blijkt echter dat zulke parallelwegen in een drukke omgeving vaak niet het beoogde resultaat opleveren.
Ze zorgen op de cruciale knooppunten waar de verschillende stromen weer bij elkaar komen voor extra turbulentie en vertragingen terwijl ze tegelijkertijd juist extra verkeer aanzuigen.
De algemene haalbaarheid van deze ingreep wordt bovendien zwaar betwist vanwege de enorme infrastructurele kosten die ermee gepaard gaan.
De ontsluiting van de zone is namelijk onlosmakelijk verbonden geraakt met de miljardeninvestering voor het Haventracé of de A102.
Om de beoogde 200 hectare aan industrie technisch überhaupt te laten functioneren schoof de overheid een concept van een gesloten circuit naar voren.
Dit systeem bestond uit de Nieuwe Maasweg als interne ontsluitingsarm voor de bedrijven en de Q8-ontsluiting als de noodzakelijke externe arm naar het snelwegennet.
Deze twee wegen zijn in de planning als een Siamese tweeling aan elkaar gekoppeld want zonder de Maasweg kunnen de vrachtwagens de nieuwe oprit bij de Q8 simpelweg nooit bereiken.
De locatie bij de Q8-parking is historisch gezien zeer beladen omdat daar al in 2007 de illegale sluiproute via de parkeerterreinen met fysieke barrières moest worden afgesloten.
Dit was destijds noodzakelijk om de gevaarlijke shortcuts van vrachtwagens door de zones voor tankstations en rustende automobilisten definitief te stoppen.
Een theoretisch 100 procent gesloten systeem is bovendien juridisch onmogelijk te handhaven door dwingende Europese regelgeving over het vrije verkeer.
Dit leidt in de omliggende regio tot een zogenaamd waterbedeffect op de bestaande sluipwegen in de dorpskernen.
Dit waterbedeffect houdt in dat wanneer verkeer op één specifiek punt fysiek wordt geblokkeerd of ontmoedigd het volume aan voertuigen niet verdwijnt.
Het verkeer wordt simpelweg weggedrukt naar omliggende secundaire wegen die absoluut niet zijn uitgerust voor dergelijke intensiteiten zoals de Uilenbaan en de Keerbaan en de Vaartstraat.
De hinder en de onveiligheid verdwijnen hierdoor niet uit de streek maar verplaatst zich enkel van de ene kwetsbare woonzone naar de andere.
Planologisch gezien bevindt het hele project zich bovendien in een onmogelijke spagaat met het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV).
Waar de voorgestelde parallelwegen een technische oplossing proberen te bieden voor de verouderde RSV-regels botsen ze frontaal op de moderne principes van de bouwshift.
De enorme en onomkeerbare ruimte-inname voor deze massale parallelstructuur staat haaks op het Vlaamse streven naar het maximaal vrijwaren van de resterende open ruimte.
Wat dit specifieke gebied geografisch zo bijzonder en waardevol maakt is de vorming van de ecologische structuur die bekendstaat als de Groene L.
Natuurvereniging GroenRand heeft herhaaldelijk gewezen op het unieke karakter van deze structuur waarbij de verticale as wordt gevormd door de 33 kilometer lange Antitankgracht die uit het noorden afdaalt richting Ranst.
De horizontale as van de Groene L bestaat uit de waardevolle vallei van het Groot Schijn die vanuit de Voorkempen westwaarts richting de stad stroomt.
De zone De Keer vormt in dit landschap exact het scharnierpunt waar deze twee belangrijke natuurlijke assen elkaar ontmoeten.
Dit knooppunt is van levensbelang voor de otter die tot de meest zeldzame en bedreigde dieren in heel Vlaanderen behoort.
Volgens ramingen van GroenRand wordt de huidige populatie van de otter geschat op slechts een vijftiental individuen wat de kwetsbaarheid van de soort onderstreept.
De otter fungeert hierbij als een zogenaamde paraplusoort omdat hij extreem hoge eisen stelt aan de waterkwaliteit en de rust en de verbondenheid van zijn leefgebied.
Als paraplusoort zorgt de otter voor het behoud van het hele ecosysteem en de bijbehorende biodiversiteit.
Het belang om dit cruciale keerpunt te beschermen is geen theoretisch vraagstuk, maar werd op 23 oktober 2018 op tragische wijze bevestigd.
Op die dag werd een doodgereden otter aangetroffen op de rijbaan van de E313 ter hoogte van de Q8-parking in Ranst.
Dit incident bewees onomstotelijk dat otters dit gebied proberen te doorkruisen maar dat de huidige infrastructuur reeds een dodelijke barrière vormt.
De komst van massale industrie op De Keer zou deze laatste ecologische flessenhals definitief en onherroepelijk afsluiten voor migratie.
Bioloog Dirk Draulans waarschuwde bovendien herhaaldelijk en fel tegen de vernietiging van de eeuwenoude valleibossen in de Molenbeekvallei voor de aanleg van de Maasweg.
Hij berekende dat de stikstofdepositie op de kwetsbare natuur de kritische waarden met meer dan 200 procent zou overschrijden door de enorme toename van zware vrachtwagens.
Ook de volksgezondheid van de inwoners staat hierbij direct op het spel door de uitstoot van schadelijke stoffen.
Het fijnstof in de kern van Oelegem zou door de extra trafiek met 12 procent stijgen bovenop de reeds hoge waarden.
Het ultrafijnstof bij de ontsluiting aan de Q8 zou pieken tot een ongezonde waarde van 30.000 deeltjes per kubieke centimeter lucht.
Deze aanhoudende zorgen en de massale burgerprotesten tegen de overlast vormden de directe aanleiding voor de juridische procedures van de afgelopen jaren.
Dit leidde uiteindelijk op 12 januari 2026 tot de vernietiging van het rooilijnplan voor de Nieuwe Maasweg door de Raad van State via het arrest nr. 265.386.
De hoogste bestuursrechter oordeelde formeel dat de geldende bestemming van natuur en landbouw in dit gebied niet mag wijken voor de aanleg van deze weg.
Omdat de Maasweg de essentiële en onvervangbare toevoerlijn naar de nieuwe oprit bij de Q8 was, heeft dit arrest het hele industriële concept zowel juridisch als fysiek onmogelijk gemaakt.
In de definitieve conclusie van dit complexe dossier blijkt Dirk Weyler de drijvende figuur te zijn die vanuit het burgerlijk middenveld de juiste koers heeft bepaald.
Zijn vroege waarschuwingen in de pers en zijn onvermoeibare inzet om de planologische fouten aan te tonen blijken twintig jaar later geen pessimisme maar de bittere waarheid te zijn.
De recente Tussennota van het project De Nieuwe Rand uit 2025 probeert deze diepe tegenstellingen nog te overbruggen door de ontsluiting als een integrale oplossing te presenteren aan het publiek.
De drempels voor realisatie blijven echter onverminderd hoog en de fundamentele onhaalbaarheid van het project is door jaren van onafhankelijk onderzoek en harde rechtspraak inmiddels onomstotelijk bewezen.
Referentielijst
Geen opmerkingen:
Een reactie posten