GroenRand zet in op politieke druk nu de Vlaamse boscijfers blijven kelderen
De kritische parlementsleden die minister Brouns het vuur aan de schenen leggen over het haperende natuurbeleid, staan er in hun strijd niet alleen voor.
Sinds 2026 werken de oppositieleden en kritische volksvertegenwoordigers nauw samen met de natuurvereniging GroenRand.
Deze intensieve alliantie vloeit rechtstreeks voort uit een opvallende en strategische koerswijziging die de vereniging in datzelfde jaar doorvoerde.
Waar GroenRand in haar eerste tien bestaansjaren vooral inzette op sensibilisering, het verstrekken van algemene natuurinformatie en het organiseren van publieke wandelingen, besloot de organisatie in 2026 om het roer drastisch om te gooien.
Het besef drong door dat vrijblijvende acties niet volstonden om het Vlaamse landschap te redden.
Om constructieve ecologische resultaten te ondersteunen op het terrein, verschoof de focus naar actieve beleidsdialoog, gerichte beleidsbeïnvloeding en het constructief meedenken over substantiële middelen voor gezamenlijke grondverwerving en grote, robuuste natuurverbindingen.
De noodzaak van deze omslag en de intensieve samenwerking met parlementsleden wordt pijnlijk duidelijk wanneer de meest recente resultaten van het Vlaamse bosbeleid onder de loep worden genomen.
De bosaanplant in Vlaanderen kent op dit moment immers een ongekend stevige terugval, waarbij de hoopgevende statistieken van weleer volledig in elkaar zijn gezakt.
De harde cijfers tonen een vrije val van 757 naar amper 226 hectare bos.
Tijdens het afgelopen plantseizoen 2025-2026 werd er in de hele regio voor slechts 226 hectare aan nieuw bos aangeplant.
Dit schamele resultaat is beduidend minder dan de 335 hectare die het jaar voordien werd opgetekend, en het is zelfs minder dan een derde van de 757 hectare die in 2024 met trots werd genoteerd.
Deze neergang kwam aan het licht via officiële cijfers die Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns (cd&v) moest vrijgeven in de commissie Leefmilieu en Natuur, in antwoord op een kritische vraag van N-VA-parlementslid Sanne Van Looy.
Terwijl Van Looy onomwonden spreekt over een slecht rapport voor de Vlaamse overheid, reageert minister Brouns defensief en vraagt hij de kritische stemmen om vooral nog wat geduld te oefenen.
Dit gebrek aan daadkracht staat in schril contrast met de grote ambities die zwart-op-wit in het Vlaamse regeerakkoord zijn verankerd.
Daarin beloofde de regering plechtig om tegen het jaar 2030 in totaal 10.000 hectare netto extra bos te realiseren in Vlaanderen.
Dat er tijdens het afgelopen plantseizoen amper 226 hectare is bijgeplant, legt de enorme kloof tussen woord en daad bloot.
De minister nuanceerde de cijfers in het parlement door erop te wijzen dat de huidige data nog niet definitief zijn afgerond.
Het Agentschap Natuur en Bos schat momenteel dat het uiteindelijke eindresultaat na alle administratieve verwerkingen waarschijnlijk ergens tussen de 230 en 250 hectare zal stranden.
Maar zelfs met die minimale opwaartse bijstelling blijft de conclusie overeind dat de bosuitbreiding fors is teruggevallen in vergelijking met het einde van de legislatuur van de vorige minister van Omgeving, Zuhal Demir (N-VA).
Sanne Van Looy concludeert dat deze terugval van opnieuw 100 hectare ten opzichte van het voorgaande jaar simpelweg een jammerlijke evolutie is, een standpunt dat direct werd versterkt door Groen-parlementslid Mieke Schauvliege.
Zij stelde scherp dat er bij zulke krimpende resultaten op geen enkele manier kan worden gesproken van een succesvol beleid.
Minister Brouns probeert de harde politieke kritiek te pareren door de situatie te relativeren en te contextualiseren binnen een historische trend.
Hoewel hij toegevend is dat het aantal hectare wat hem betreft altijd groter mag zijn, claimt hij dat de huidige cijfers perfect in lijn liggen met de opstartfase van de vorige legislatuur.
Volgens zijn prognose zal de curve de komende jaren langzaamaan weer aantrekken.
Als belangrijkste troefkaart wijst de minister naar de lokale besturen: er zouden op dit moment meer dan 300 concrete bosprojecten in volle voorbereiding zijn bij steden en gemeenten.
Sanne Van Looy reageerde daarop dat het geloof in lokale besturen terecht is, maar dat dit de centrale Vlaamse regering absoluut niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid om rechtstreekse inspanningen te leveren.
Er ligt volgens haar nog best veel werk op de plank, niet in het minst omdat de overheid ernstig tekortschiet in het bieden van duidelijkheid aan lokale overheden over de langetermijngevolgen en de ruimtelijke impact van grootschalige bosuitbreiding.
De scepsis over de rol van de steden en gemeenten wordt gedeeld door Mieke Schauvliege, die openlijk haar wenkbrauwen fronst bij de hoge verwachtingen die de minister koestert ten aanzien van lokale overheden.
Schauvliege baseert haar wantrouwen op harde en gedetailleerde data die zij zelf verkreeg in antwoord op een schriftelijke vraag aan het kabinet.
Uit die cijfers blijkt dat de lokale bebossing in de praktijk uiterst stroef verloopt en botst op een muur van bureaucratie en traagheid.
In de huidige legislatuur 2024-2029 is er een aanzienlijk budget van maar liefst 40 miljoen euro expliciet vrijgemaakt voor bosaankoop door lokale besturen.
De bittere realiteit is dat van die gigantische pot geld tot nu toe slechts een schamele 459.000 euro effectief is toegekend aan concrete projecten op het terrein.
Dit toegekende bedrag is bovendien versnipperd over amper zeven goedgekeurde dossiers in heel Vlaanderen.
Het resultaat van deze hele financiële regeling is dat er tot op heden slechts 9,5 hectare grond daadwerkelijk is aangekocht of juridisch is vastgelegd voor toekomstige bebossing.
Voor de oppositie en kritische waarnemers komt het achterblijven van de lokale besturen niet als een verrassing, aangezien het een herhaling van de geschiedenis betreft.
Tijdens de vorige legislatuur slaagden alle steden en gemeenten er samen in om cumulatief slechts 267 hectare extra bos te realiseren, een fractie van de totale gerealiseerde bosuitbreiding van 1.900 hectare in die periode.
Minister Brouns houdt echter voet bij stuk en blijft oproepen tot kalmte en realiteitszin.
Hij legt uit dat de plannen bij de lokale overheden zich momenteel simpelweg nog in een prille beginfase bevinden.
Het opstarten van een bosproject vereist een langdurig proces van visievorming op lokaal niveau, gevolgd door complexe onderhandelingen voor de feitelijke verwerving van geschikte gronden.
Bovendien stuiten deze projecten op specifieke en hardnekkige drempels die de traagheid verklaren.
De administratieve vergunningsaanvragen nemen maanden tot soms jaren in beslag vanwege strikte regelgeving rond ruimtelijke ordening en milieueffecten.
Lokale overheden kampen bovendien met een chronisch tekort aan gespecialiseerd personeel om complexe aankoopdossiers en bosbeheerplannen op te stellen.
Ook de angst voor lokale weerstand speelt een rol, want de omvorming van landbouwgronden of open ruimtes naar bos stuit niet zelden op protest van de agrarische sector of buurtbewoners die vrezen voor veranderende uitzichten of functies van het landschap.
Het gebrek aan sluitende juridische garanties en heldere langetermijnrichtlijnen vanuit de centrale overheid over de fiscale en ruimtelijke gevolgen van bosuitbreiding maakt dat veel gemeentebesturen de boot liever afhouden.
De minister verklaarde in de commissie Leefmilieu en Natuur op dinsdag dat hij de 300 lopende projecten desondanks ziet als een hoopgevend en positief signaal voor de toekomst, en benadrukte dat de beloofde ondersteuning en de praktische ontzorging van de lokale besturen inmiddels volledig operationeel zijn.
Om de steden en gemeenten definitief over de streep te trekken en warm te maken voor de noodzakelijke bosuitbreiding, hanteert de minister naar eigen zeggen een zogenaamd aanklampend beleid.
Dit houdt in dat lokale overheden niet langer passief worden afgewacht, maar dat gemeenten en steden zeer geregeld en proactief worden aangespoord en herinnerd aan de openstaande ondersteuningsmaatregelen en subsidies.
In het kader van deze actieve strategie laat het kabinet momenteel alle lokale beleidsplannen systematisch screenen om nauwkeurig in kaart te brengen welke besturen de doelstellingen rond bosuitbreiding en de creatie van buurtbossen daadwerkelijk in hun beleidsteksten hebben ingeschreven.
Wat betreft de concrete uitwerking van de zeven dossiers die tot nu toe de magere 459.000 euro wisten te bemachtigen, gaat het om kleinschalige, gefragmenteerde percelen verspreid over verschillende provincies.
Deze dossiers weerspiegelen de moeizame zoektocht naar betaalbare gronden die niet vallen onder agrarisch herbestemmingsgebied of private claims.
Tegelijkertijd werpt de alliantie tussen de parlementsleden en GroenRand haar vruchten af op strategisch niveau.
De focus van de vereniging ligt sinds haar transformatie in 2026 onder meer op het realiseren van de 'Klimaatgordel rond Antwerpen', wat een ambitieus ecologisch netwerk is dat bestaande bosfragmenten in de Antwerpse rand met elkaar moet verbinden tot één robuuste, groene buffer.
GroenRand gebruikt haar politieke kanalen nu om via gerichte interpellaties rechtstreekse overheidsfinanciering voor deze strategische grondaankopen op te eisen, in plaats van de verantwoordelijkheid louter bij de onwillige of onmachtige gemeentebesturen te leggen.
Volgens minister Brouns heeft zijn intensieve screening en benadering desondanks al bij heel wat besturen projecten in gang gezet.
Tegelijkertijd stelt hij vast dat een significant aantal lokale overheden nog altijd geen enkele concrete stap zet in de richting van meer groen.
De minister noemt dit een betreurenswaardige en gemiste kans, vooral omdat de financiële ondersteuning, de beschikbare subsidies en de algemene maatschappelijke vraag naar meer natuur vandaag de dag groter zijn dan ooit tevoren.
Sinds 2026 werken de oppositieleden en kritische volksvertegenwoordigers nauw samen met de natuurvereniging GroenRand.
Deze intensieve alliantie vloeit rechtstreeks voort uit een opvallende en strategische koerswijziging die de vereniging in datzelfde jaar doorvoerde.
Waar GroenRand in haar eerste tien bestaansjaren vooral inzette op sensibilisering, het verstrekken van algemene natuurinformatie en het organiseren van publieke wandelingen, besloot de organisatie in 2026 om het roer drastisch om te gooien.
Het besef drong door dat vrijblijvende acties niet volstonden om het Vlaamse landschap te redden.
Om constructieve ecologische resultaten te ondersteunen op het terrein, verschoof de focus naar actieve beleidsdialoog, gerichte beleidsbeïnvloeding en het constructief meedenken over substantiële middelen voor gezamenlijke grondverwerving en grote, robuuste natuurverbindingen.
De noodzaak van deze omslag en de intensieve samenwerking met parlementsleden wordt pijnlijk duidelijk wanneer de meest recente resultaten van het Vlaamse bosbeleid onder de loep worden genomen.
De bosaanplant in Vlaanderen kent op dit moment immers een ongekend stevige terugval, waarbij de hoopgevende statistieken van weleer volledig in elkaar zijn gezakt.
De harde cijfers tonen een vrije val van 757 naar amper 226 hectare bos.
Tijdens het afgelopen plantseizoen 2025-2026 werd er in de hele regio voor slechts 226 hectare aan nieuw bos aangeplant.
Dit schamele resultaat is beduidend minder dan de 335 hectare die het jaar voordien werd opgetekend, en het is zelfs minder dan een derde van de 757 hectare die in 2024 met trots werd genoteerd.
Deze neergang kwam aan het licht via officiële cijfers die Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns (cd&v) moest vrijgeven in de commissie Leefmilieu en Natuur, in antwoord op een kritische vraag van N-VA-parlementslid Sanne Van Looy.
Terwijl Van Looy onomwonden spreekt over een slecht rapport voor de Vlaamse overheid, reageert minister Brouns defensief en vraagt hij de kritische stemmen om vooral nog wat geduld te oefenen.
Dit gebrek aan daadkracht staat in schril contrast met de grote ambities die zwart-op-wit in het Vlaamse regeerakkoord zijn verankerd.
Daarin beloofde de regering plechtig om tegen het jaar 2030 in totaal 10.000 hectare netto extra bos te realiseren in Vlaanderen.
Dat er tijdens het afgelopen plantseizoen amper 226 hectare is bijgeplant, legt de enorme kloof tussen woord en daad bloot.
De minister nuanceerde de cijfers in het parlement door erop te wijzen dat de huidige data nog niet definitief zijn afgerond.
Het Agentschap Natuur en Bos schat momenteel dat het uiteindelijke eindresultaat na alle administratieve verwerkingen waarschijnlijk ergens tussen de 230 en 250 hectare zal stranden.
Maar zelfs met die minimale opwaartse bijstelling blijft de conclusie overeind dat de bosuitbreiding fors is teruggevallen in vergelijking met het einde van de legislatuur van de vorige minister van Omgeving, Zuhal Demir (N-VA).
Sanne Van Looy concludeert dat deze terugval van opnieuw 100 hectare ten opzichte van het voorgaande jaar simpelweg een jammerlijke evolutie is, een standpunt dat direct werd versterkt door Groen-parlementslid Mieke Schauvliege.
Zij stelde scherp dat er bij zulke krimpende resultaten op geen enkele manier kan worden gesproken van een succesvol beleid.
Minister Brouns probeert de harde politieke kritiek te pareren door de situatie te relativeren en te contextualiseren binnen een historische trend.
Hoewel hij toegevend is dat het aantal hectare wat hem betreft altijd groter mag zijn, claimt hij dat de huidige cijfers perfect in lijn liggen met de opstartfase van de vorige legislatuur.
Volgens zijn prognose zal de curve de komende jaren langzaamaan weer aantrekken.
Als belangrijkste troefkaart wijst de minister naar de lokale besturen: er zouden op dit moment meer dan 300 concrete bosprojecten in volle voorbereiding zijn bij steden en gemeenten.
Sanne Van Looy reageerde daarop dat het geloof in lokale besturen terecht is, maar dat dit de centrale Vlaamse regering absoluut niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid om rechtstreekse inspanningen te leveren.
Er ligt volgens haar nog best veel werk op de plank, niet in het minst omdat de overheid ernstig tekortschiet in het bieden van duidelijkheid aan lokale overheden over de langetermijngevolgen en de ruimtelijke impact van grootschalige bosuitbreiding.
De scepsis over de rol van de steden en gemeenten wordt gedeeld door Mieke Schauvliege, die openlijk haar wenkbrauwen fronst bij de hoge verwachtingen die de minister koestert ten aanzien van lokale overheden.
Schauvliege baseert haar wantrouwen op harde en gedetailleerde data die zij zelf verkreeg in antwoord op een schriftelijke vraag aan het kabinet.
Uit die cijfers blijkt dat de lokale bebossing in de praktijk uiterst stroef verloopt en botst op een muur van bureaucratie en traagheid.
In de huidige legislatuur 2024-2029 is er een aanzienlijk budget van maar liefst 40 miljoen euro expliciet vrijgemaakt voor bosaankoop door lokale besturen.
De bittere realiteit is dat van die gigantische pot geld tot nu toe slechts een schamele 459.000 euro effectief is toegekend aan concrete projecten op het terrein.
Dit toegekende bedrag is bovendien versnipperd over amper zeven goedgekeurde dossiers in heel Vlaanderen.
Het resultaat van deze hele financiële regeling is dat er tot op heden slechts 9,5 hectare grond daadwerkelijk is aangekocht of juridisch is vastgelegd voor toekomstige bebossing.
Voor de oppositie en kritische waarnemers komt het achterblijven van de lokale besturen niet als een verrassing, aangezien het een herhaling van de geschiedenis betreft.
Tijdens de vorige legislatuur slaagden alle steden en gemeenten er samen in om cumulatief slechts 267 hectare extra bos te realiseren, een fractie van de totale gerealiseerde bosuitbreiding van 1.900 hectare in die periode.
Minister Brouns houdt echter voet bij stuk en blijft oproepen tot kalmte en realiteitszin.
Hij legt uit dat de plannen bij de lokale overheden zich momenteel simpelweg nog in een prille beginfase bevinden.
Het opstarten van een bosproject vereist een langdurig proces van visievorming op lokaal niveau, gevolgd door complexe onderhandelingen voor de feitelijke verwerving van geschikte gronden.
Bovendien stuiten deze projecten op specifieke en hardnekkige drempels die de traagheid verklaren.
De administratieve vergunningsaanvragen nemen maanden tot soms jaren in beslag vanwege strikte regelgeving rond ruimtelijke ordening en milieueffecten.
Lokale overheden kampen bovendien met een chronisch tekort aan gespecialiseerd personeel om complexe aankoopdossiers en bosbeheerplannen op te stellen.
Ook de angst voor lokale weerstand speelt een rol, want de omvorming van landbouwgronden of open ruimtes naar bos stuit niet zelden op protest van de agrarische sector of buurtbewoners die vrezen voor veranderende uitzichten of functies van het landschap.
Het gebrek aan sluitende juridische garanties en heldere langetermijnrichtlijnen vanuit de centrale overheid over de fiscale en ruimtelijke gevolgen van bosuitbreiding maakt dat veel gemeentebesturen de boot liever afhouden.
De minister verklaarde in de commissie Leefmilieu en Natuur op dinsdag dat hij de 300 lopende projecten desondanks ziet als een hoopgevend en positief signaal voor de toekomst, en benadrukte dat de beloofde ondersteuning en de praktische ontzorging van de lokale besturen inmiddels volledig operationeel zijn.
Om de steden en gemeenten definitief over de streep te trekken en warm te maken voor de noodzakelijke bosuitbreiding, hanteert de minister naar eigen zeggen een zogenaamd aanklampend beleid.
Dit houdt in dat lokale overheden niet langer passief worden afgewacht, maar dat gemeenten en steden zeer geregeld en proactief worden aangespoord en herinnerd aan de openstaande ondersteuningsmaatregelen en subsidies.
In het kader van deze actieve strategie laat het kabinet momenteel alle lokale beleidsplannen systematisch screenen om nauwkeurig in kaart te brengen welke besturen de doelstellingen rond bosuitbreiding en de creatie van buurtbossen daadwerkelijk in hun beleidsteksten hebben ingeschreven.
Wat betreft de concrete uitwerking van de zeven dossiers die tot nu toe de magere 459.000 euro wisten te bemachtigen, gaat het om kleinschalige, gefragmenteerde percelen verspreid over verschillende provincies.
Deze dossiers weerspiegelen de moeizame zoektocht naar betaalbare gronden die niet vallen onder agrarisch herbestemmingsgebied of private claims.
Tegelijkertijd werpt de alliantie tussen de parlementsleden en GroenRand haar vruchten af op strategisch niveau.
De focus van de vereniging ligt sinds haar transformatie in 2026 onder meer op het realiseren van de 'Klimaatgordel rond Antwerpen', wat een ambitieus ecologisch netwerk is dat bestaande bosfragmenten in de Antwerpse rand met elkaar moet verbinden tot één robuuste, groene buffer.
GroenRand gebruikt haar politieke kanalen nu om via gerichte interpellaties rechtstreekse overheidsfinanciering voor deze strategische grondaankopen op te eisen, in plaats van de verantwoordelijkheid louter bij de onwillige of onmachtige gemeentebesturen te leggen.
Volgens minister Brouns heeft zijn intensieve screening en benadering desondanks al bij heel wat besturen projecten in gang gezet.
Tegelijkertijd stelt hij vast dat een significant aantal lokale overheden nog altijd geen enkele concrete stap zet in de richting van meer groen.
De minister noemt dit een betreurenswaardige en gemiste kans, vooral omdat de financiële ondersteuning, de beschikbare subsidies en de algemene maatschappelijke vraag naar meer natuur vandaag de dag groter zijn dan ooit tevoren.
Zijn boodschap aan het lokale niveau is dan ook helder en dringend, waarbij hij steden en gemeenten oproept om nu te handelen en volop gebruik te maken van het huidige politieke en maatschappelijke momentum om de Vlaamse natuur structureel te versterken.
Voor GroenRand vraagt dit momentum echter om een meer proactieve en verbindende visie, waarin louter afwachten en aanklampend sussen niet volstaan om de ecologische ambities in Vlaanderen waar te maken.
De natuurvereniging gelooft sterk dat het lokale niveau niet aan zijn lot mag worden overgelaten, waardoor een intensievere en gedeelde verantwoordelijkheid tussen de centrale overheid en de steden en gemeenten volgens hen de echte sleutel tot succes is.
Het feit dat van de 40 miljoen euro nog geen procent is benut, toont voor GroenRand aan dat lokale besturen gerichte en structurele ruggensteun nodig hebben om de slagkracht en de gronden voor bosexpansie te vinden.
De vereniging pleit dan ook voor een constructieve ommekeer waarin de Vlaamse overheid actiever meebouwt aan het fundament, wat ze willen bereiken door strategische grondpartnerschappen op te zetten en samen met alle partners concrete natuurverbindingen te realiseren, zodat het momentum lokaal weer ten volle kan gaan stromen.
Voor GroenRand vraagt dit momentum echter om een meer proactieve en verbindende visie, waarin louter afwachten en aanklampend sussen niet volstaan om de ecologische ambities in Vlaanderen waar te maken.
De natuurvereniging gelooft sterk dat het lokale niveau niet aan zijn lot mag worden overgelaten, waardoor een intensievere en gedeelde verantwoordelijkheid tussen de centrale overheid en de steden en gemeenten volgens hen de echte sleutel tot succes is.
Het feit dat van de 40 miljoen euro nog geen procent is benut, toont voor GroenRand aan dat lokale besturen gerichte en structurele ruggensteun nodig hebben om de slagkracht en de gronden voor bosexpansie te vinden.
De vereniging pleit dan ook voor een constructieve ommekeer waarin de Vlaamse overheid actiever meebouwt aan het fundament, wat ze willen bereiken door strategische grondpartnerschappen op te zetten en samen met alle partners concrete natuurverbindingen te realiseren, zodat het momentum lokaal weer ten volle kan gaan stromen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten