donderdag 5 maart 2026

Safari in de achtertuin: De blauwe aristocraat van de Antwerpse Voorkempen

Safari in de achtertuin: De blauwe aristocraat van de Voorkempen

Laat de droom van een peperdure ontdekkingsreis naar de verste uithoeken van de wereld maar varen omdat de echte actie tegenwoordig gewoon om de hoek plaatsvindt.
Tussen de rietkragen van onze beekvalleien en langs de Antitankgracht in de Voorkempen ligt een natuurwereld die minstens zo boeiend is als een verre bestemming.
GroenRand-redacteur Frank Vermeiren neemt je mee op een safari door eigen streek en bewijst met een alfabetische ontdekkingstocht dat je geen verre vlucht nodig hebt om exotische schoonheid te vinden.
Deze reeks is echter veel meer dan een verzameling natuurverhalen aangezien het een vurig pleidooi is voor onze groene aders. Hiermee doelt GroenRand op de cruciale verbindingen in ons landschap zoals beken en houtkanten die als levenslijnen fungeren waarlangs dieren zich veilig kunnen verplaatsen en voortplanten. Door de lokale fauna in de schijnwerpers te zetten wordt natuurbehoud een gedeelde ervaring die de band met ons eigen landschap weer springlevend maakt.
Na de letter A vliegen we nu in één ruk door naar de B van een absolute superster en dat is de blauwe reiger.


Wie op een nevelige ochtend langs de Antitankgracht wandelt of door de statige dreven van Schilde, Brasschaat of Kapellen fietst, komt hem onvermijdelijk tegen: de blauwe reiger (Ardea cinerea). Hij staat daar, roerloos als een standbeeld in het riet, de belichaming van geduld.
In de Voorkempen, een regio waar weelderige kasteelparken en drassige beekvalleien elkaar afwisselen, voelt deze vogel zich al eeuwenlang de onbetwiste koning van het water.

De blauwe reiger is een wonder van biologisch vernuft en zijn verschijning is er een van ingetogen elegantie: een asgrijs verenpak op de rug en vleugels met zwarte slagpennen, een helderwitte borst en een kop die gesierd wordt door een witte kruin met een opvallende zwarte wenkbrauwstreep die uitmondt in de nethuif.

Dit paar zwarte sierveren wappert als een aristocratische kroon in de wind en versterkt zijn statige uitstraling.
Maar laat je niet misleiden door die koninklijke buitenkant.
De reiger is een hoogtechnologische jachtmachine.
Zijn dolkvormige snavel, die buiten het broedseizoen grijsgeel is maar in het voorjaar fel oranjegeel kleurt, is vlijmscherp.

Zijn felgele ogen met diepzwarte pupil staan zo op zijn kop dat hij met uiterste precisie diepte kan inschatten door de breking van het wateroppervlak heen, een essentieel hulpmiddel om de lichtbreking te corrigeren terwijl hij recht naar beneden tuurt naar een glibberige prooi.
Zijn jachttechniek is pure mindfulness met een dodelijke afloop.

De reiger kan minutenlang onbeweeglijk stilstaan, waarbij zijn hals in een strakke S-bocht gevouwen zit door een speciale wervelconstructie, verborgen onder lange witte halsveren die als een plastron over zijn borst hangen.
Zodra een prooi – of dat nu een vis, een kikker, een salamander, een mol of zelfs een ringslang of jong konijn is – binnen bereik komt, schiet die nek als een gespannen veer uit.
Hij spietst de prooi niet alleen, maar klemt hem vaak ook met kracht tussen zijn snavelhelften.

Per dag werkt hij zo’n 300 tot 500 gram voedsel naar binnen. In de vlucht is hij eveneens uit de duizend te herkennen aan de ingetrokken hals, in tegenstelling tot de gestrekte hals van een ooievaar, en de brede, gewelfde vleugels die hem met een trage slag van ongeveer twee slagen per seconde door de lucht dragen.

Zijn lange, groenachtige poten fungeren hierbij als een roer, terwijl de breed gespreide tenen als 'sneeuwschoenen' voorkomen dat hij wegzakt in de zachte Kempense modder.

In onze kasteelrijke regio leeft een prachtige sage die de reiger een bijna menselijke tragiek geeft: de legende van de hoogmoedige koningsdochter.

Men vertelt dat de vogel vroeger een beeldschone prinses was die zo ijdel was dat ze weigerde haar zijden schoentjes vuil te maken aan de modderige oevers.
Ze negeerde zelfs een bedelaar in nood uit angst voor spatten op haar witte kleed.
Als straf voor haar hoogmoed werd ze getransformeerd: haar zijden kousen werden de dunne, grijze poten die nu gedoemd zijn eeuwig in het koude slib te waden.

Haar witte gewaad werd de borstveren die ze obsessief moet schoonhouden met haar ingebouwde poederdons, en haar solitaire levensstijl is een eeuwige herinnering aan de tijd dat ze niemand goed genoeg vond voor haar gezelschap.
De rauwe, schorre kreet (een krachtig "awk") die ze slaakt als ze opvliegt, wordt gezien als haar laatste, mislukte poging om nog éénmaal een koninklijk bevel uit te delen.

De culinaire geschiedenis van de reiger is minstens zo fascinerend en nauw verbonden met de adel.
Ooit was hij een hoogstaand statussymbool op adellijke banketten en was de 'reigerjacht' met getrainde valken een exclusief privilege van de heren van stand.
Op tafel was de vogel het pronkstuk, vaak na het braden weer in zijn eigen veren gestoken.
Men at vooral de jonge 'reigerkrieken', geserveerd met pruimensaus om de sterke smaak te maskeren.
Koks kregen de strikte instructie de botten nooit te breken.
Men geloofde dat er een visachtige vloeistof in de botten zat die het vlees onmiddellijk bitter en oneetbaar zou maken. Tegenwoordig is de reiger getransformeerd tot een brutaal 'stadsschoffie'.
In de residentiële wijken van de Voorkempen is hij een gevreesde gast bij koivijvers.
Hij weet precies wanneer de bewoners binnen zitten te eten en landt dan geruisloos op de rand.
Hierdoor ontstaat vaak de anekdote van de 'metaalvogel': wandelaars die bij de lokale groendienst informeren naar het "nieuwe metalen standbeeld" in de vijver, tot het kunstwerk plotseling zijn vleugels uitslaat en luidruchtig vertrekt.
Sommige exemplaren zijn zelfs zo tam dat ze kattenbrokjes op terrassen stelen of geduldig bij de achterdeur wachten op een restje haring.
Ondanks zijn verblijf in modderig water ziet de reiger er altijd onberispelijk uit dankzij zijn ingebouwde schoonheidssalon.
De poederdonsveren op zijn borst groeien constant en verpulveren tot een fijn, talkachtig poeder dat visslijm en vuil absorbeert.

Met een speciale getande nagel aan zijn middelste teen – zijn persoonlijke kam – verspreidt hij dit poeder door zijn veren, waarna hij het vuil simpelweg uitschudt. In het vroege voorjaar, soms al in februari, zoeken reigers elkaar op om te broeden in kolonies hoog in de toppen van oude parkbossen, zoals in park de Mik in Brasschaat of bij de vele kasteeldomeinen.
Daar bouwen ze grote, slordige nesten van takken waarin drie tot vijf blauwgroene eieren in ongeveer 25 tot 28 dagen door beide ouders worden uitgebroed.
Na 8 tot 9 weken vliegen de jongen uit, herkenbaar aan hun meer effen grijze verenkleed zonder de volwassen nethuif.
Een volwassen reiger kan in de vrije natuur wel twintig tot dertig jaar oud worden.
Want vergis je niet: de blauwe reiger is in Vlaanderen streng beschermd.
Wie een reiger opzettelijk doodt of verstoort, riskeert boetes die kunnen oplopen tot boven de 1.500 euro.
Vanwege hun onverstoorbaarheid staan ze symbool voor rust, wijsheid en intuïtie. H
et is deze unieke mix van aristocratische geschiedenis, biologisch vernuft en een snuifje lokale folklore die de blauwe reiger tot de onbetwiste, mysterieuze bewaker van onze lokale groene aders maakt.

woensdag 4 maart 2026

Verborgen rijkdom: Frank Vermeiren onthult de majestueuze blauwe koning van onze beekvalleien

 Verborgen rijkdom: Frank Vermeiren onthult de blauwe koning van onze beekvalleien

Vergeet die peperdure vliegtickets naar de Serengeti of de verzengende hitte van de Afrikaanse savanne.
De echte actie?
Die vindt tegenwoordig gewoon in onze eigen achtertuin plaats, ergens tussen de rietkragen en de zompige beekvalleien van de Voorkempen.
Onze redacteur Frank Vermeiren nodigt je uit voor een verrassende safari door eigen streek.
Met een gloednieuwe, alfabetische ontdekkingstocht laat hij zien dat je geen gids in een jeep nodig hebt om de meest exotische rijkdommen te ontdekken.
Dit is echter meer dan zomaar een reeks natuurverhalen.
Het is een vurig pleidooi voor onze eigen 'groene aders'.
Want door de lokale fauna in de schijnwerpers te zetten, wordt natuurbehoud een gedeelde ervaring die de band tussen ons en ons eigen landschap weer springlevend maakt.
Na de letter A vliegen we nu in één ruk door naar de B van een absolute superster: de blauwborst.


De blauwborst (Luscinia svecica) is met zijn flitsende kleuren en bijna brutale, uitbundige zang een van de meest opvallende verschijningen in de Vlaamse vogelwereld.
Het is een vogel die symbool staat voor de veerkracht van onze natuur.
Waar de soort enkele decennia geleden nog op de rand van verdwijnen stond, voert hij nu een indrukwekkende triomftocht aan doorheen onze regio.

Dat de vogel het juist in de Voorkempen zo goed doet, is geen toevalstreffer.
Het is het directe resultaat van slim natuurbeleid waarbij moerasgebieden zijn hersteld en beekvalleien opnieuw hun gang mogen gaan.
Dit type habitat is in de Voorkempen flink toegenomen, en dat is exact de reden waarom de blauwborst zich hier weer de koning te rijk voelt.
De blauwborst is een vogel van de 'overgangen'.

Hij zoekt plekken op waar water en land elkaar ontmoeten, maar waar ook voldoende dekking is van struiken en bomen.
Hij heeft een uitgesproken voorkeur voor gevarieerde, natte en insectenrijke gebieden met open delen en een struweel- en loofboombegroeiing, waarbij de bodem niet geheel bedekt is door vegetatie.
Vooral de geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos – ook wel verruigd rietland genoemd – vormt een uitstekend leefgebied.
In de Voorkempen vertaalt zich dit naar specifieke hotspots waar je zelf op safari kunt.
Denk aan het Groot Schietveld in Brasschaat en Wuustwezel, waar de natte heide en vennen een perfect decor vormen.
Ook de Opstalvallei, de Kuifeend en de randen van de Kalmthoutse Heide bieden precies dat mozaïeklandschap waar de blauwborst op kickt.

Opvallend is dat de blauwborst ook in akkers wordt gezien, onder meer tussen het koolzaad, waar hij profiteert van de insectenrijkdom die deze gewassen bieden.
Wie een mannetje blauwborst ziet, vergeet dat nooit meer.
Hij draagt een diepblauwe kin en borst met in het midden een witte vlek, de zogenaamde ‘ster’.
In onze regio zien we de witgesterde blauwborst (cyanecula).

De blauwborst is een slanke verschijning van ongeveer 14 centimeter die qua postuur sterk doet denken aan de roodborst, maar zich onderscheidt door een opvallende, lichtbeige wenkbrauwstreep en een kenmerkende staart met een oranjerode basis.
Het meest spectaculaire kenmerk is de helderblauwe keel en borst van het mannetje, die aan de onderzijde wordt begrensd door een zwarte en een roodbruine band.
In het hart van dit blauwe schild bevindt zich meestal een vlek, de zogenaamde 'ster', die bij de in de Lage Landen broedende ondersoort wit is en bij de Scandinavische variant roestbruin.
Het vrouwtje is aanzienlijk gecamoufleerder met een lichte keel en een donkere band van vlekjes op de borst, terwijl jonge vogels een gevlekt verenpak dragen maar wel al de typische roestkleur in de staart vertonen.

De zang van de blauwborst is een hoofdstuk apart.

Hij is een meester-imitator.
In zijn lied hoor je flarden van de veldleeuwerik, de merel of zelfs mechanische geluiden uit de omgeving.
De zang is zeer gevarieerd, bevat diverse alarmroepen en bouwt langzaam op om vervolgens in een razendsnelle waterval van tonen te versnellen.
Je hoort hem vaak vanuit een hoge rietstengel, maar ook tijdens de baltsvlucht, waarbij hij melodieus zingend opvliegt uit het riet om elders met gespreide staart en vleugels weer neer te strijken. Hoewel de vogel luidruchtig van zich laat horen, leeft hij voor het overige een verborgen bestaan.
Op het menu staan vooral eiwitrijke insecten, larven, wormen en slakjes die hij behoedzaam tussen de vegetatie op de grond zoekt. In het najaar, wanneer de insecten schaarser worden, vult hij dit dieet aan met bessen en zaden om de nodige reserves op te bouwen voor de grote oversteek.

Het broedseizoen loopt van april tot juli.
Het nest is een staaltje van camouflagekunst: het wordt op de grond gemaakt, diep verstopt tussen de dichte begroeiing.
De binnenkant wordt zorgvuldig bekleed met zachte pluisjes en zelfs paardenhaar voor extra isolatie.
Per legsel worden er 3 tot 7 eieren gelegd. De broedduur is kort, slechts 12 tot 14 dagen, en ook de jongen blijven maar dertien tot veertien dagen op het nest voor ze zich in het struweel storten. Frank Vermeiren benadrukt dat rust cruciaal is in deze periode.
Blijf op de paden, want een nest op de grond is uiterst kwetsbaar voor verstoring.
Ondanks dat we de blauwborst als 'onze' vogel beschouwen, is hij hier slechts een tijdelijke gast.

Alle in Vlaanderen broedende blauwborsten zijn echte trekvogels. Tussen eind juli en september verlaten ze massaal onze beekvalleien.
Ze vliegen naar het Iberisch schiereiland of maken de hachelijke oversteek over de Sahara naar West-Afrika.
Deze trektocht is een wonder der natuur; een vogeltje van amper 15 gram dat duizenden kilometers aflegt om in de lente weer exact op dezelfde plek in de Voorkempen terug te keren.
Het is fascinerend om te bedenken dat een vogel die we hier in de Schotense of Brasschaatse rietkragen horen, enkele maanden later misschien wel in de mangroves van Senegal vertoeft.
Hun terugkeer in maart is het ultieme bewijs dat de 'groene aders' waar deze reeks voor pleit, ook echt werken.

Een landschap dat een vogel als de blauwborst kan herbergen, is een gezond landschap dat niet alleen de vogel, maar ook de mens rust en schoonheid biedt.
Natuurbehoud is hier geen abstract begrip, maar een tastbare, gedeelde ervaring.
Ga deze lente dus zeker eens op safari in eigen streek.
De beste kans heb je in de vroege ochtenduren, wanneer de mannetjes vanuit hun territorium de dag begroeten.
Zoek de overgang van riet naar bos op, luister naar de complexe zang en wacht op die ene blauwe flits.
De Voorkempen heeft meer te bieden dan u denkt, mits we bereid zijn de natuur de ruimte te geven die ze verdient.

B van Bijeneter: De flamboyante pionier in de Voorkempen

B van Bijeneter: Een kleurrijke pionier in de Voorkempen

Onze redacteur Frank Vermeiren nodigt u uit voor een verrassende safari door onze eigen streek.
Met een nieuwe, alfabetische ontdekkingstocht brengt hij de vaak onzichtbare rijkdom van onze regio tastbaar in beeld.
Dit initiatief is echter meer dan een reeks natuurverhalen alleen. Het is een vurig pleidooi om de groene aders en de ecologische infrastructuur die onze gemeenten verbindt te koesteren en te behouden.
Door de lokale fauna in de schijnwerpers te zetten wordt natuurbehoud een gedeelde ervaring die de band tussen de bewoners en hun landschap versterkt.
Na de letter A vliegen we nu direct door naar de B van de bijeneter.
Vergeet de Afrikaanse savanne want de echte actie vindt tegenwoordig gewoon in de Voorkempen plaats.

De bijeneter (Merops apiaster) is een vogel die met zijn tropische kleuren zo uit een vakantiebrochure lijkt te zijn gevlogen.
Hij heeft een gele keel en rug, helderblauwe onderdelen, roodbruine bovendelen en een strakke zwarte oogstreep.
De vleugelachterrand is eveneens diepzwart gekleurd.
Hoewel de vogel nog steeds als een zeldzaamheid in onze streken geldt, zorgt de klimaatopwarming ervoor dat deze zuiderse pionier geen toevallige passant meer is.
Het is een vogel die hier steeds vaker voet aan de grond krijgt en zelfs succesvolle broedgevallen laat zien.
Hij is een vliegende acrobaat die met zijn spitse vleugels en kenmerkende lange, uitstekende middelste staartpennen door de lucht snijdt om in volle vlucht dikke insecten te verschalken.


Zijn dieet is even fascinerend als zijn uiterlijk.
De bijeneter leeft van een breed scala aan insecten, maar angeldragende soorten hebben de absolute voorkeur.
Honingbijen, hommels en sociale wespen van het geslacht Vespa vormen het hoofdbestanddeel van het menu.
Hieronder vallen ook de algemene gewone wespen en de Duitse wespen.
Voordat hij de buit opeet, slaat hij deze behendig tegen een tak om de angel onschadelijk te maken.

Maar hij is niet kieskeurig aangezien ook libellen, kevers, vlinders en vliegen met precisie uit de lucht worden geplukt.
De vogel heeft hiervoor een tamelijk lange en licht omlaaggebogen snavel, terwijl zijn poten opvallend kort zijn. In de vlucht valt hij niet alleen op door zijn kleuren, maar ook door een typische zweefvlucht en zijn unieke, rollende geluid dat over grote afstand hoorbaar is.
Waar moet u in onze regio zijn voor deze vliegende edelsteen?
De vallei van de Groot Schijn tussen Deurne en Schilde is een absolute hotspot geworden.
Vooral de beemden rond de Ruggeveldlaan en de zone richting Schilde en Wijnegem zijn populair.

In de zomer van 2023 werden daar door Natuurpunt Schijnvallei nog paartjes gespot die officieel als paar in broedbiotoop en baltsend werden geregistreerd.
De vogels worden daar vaak gezien bij steile wanden of zanderige plekken die ideaal zijn voor hun nesttunnels.
Ook het vliegveld van Malle (Malle-Zoersel) is een strategisch rustpunt.
Hoewel ze daar vaak overvliegend worden gemeld, fungeert het terrein door de enorme onthardingsprojecten van het Agentschap voor Natuur en Bos steeds vaker als pleisterplaats.
Meer dan 80.000 vierkante meter beton werd hier verwijderd om plaats te maken voor natuur.
Dit creëert enorme open jachtgebieden en zandvlaktes waar doortrekkers in mei en juni graag even landen om op krachten te komen. De openheid van het vliegveld is ideaal om de vogels in hun kenmerkende snelle vlucht te observeren.
De safari voert ons verder langs de as Oelegem, Vrieselhof en de Schijnvallei. In de omgeving van de Antitankgracht en de omliggende open velden in Oelegem profiteren de vogels van de insectenrijkdom langs de waterloop.

Deze zone is historisch interessant want 2011 was een bekend topjaar voor waarnemingen langs deze as.
Ook in de zomer van 2023 werden er opnieuw meerdere vogels gezien in dit aaneengesloten natuurgebied.
Zelfs op de Wuustwezelse Heide laat hij zich horen. Op 15 juni 2023 registreerde Peter Symens daar nog een roepend exemplaar.
In de stille uithoeken van het Grenspark Kalmthoutse Heide bij de Vossenbergen en de Biezenkuilen verschijnt hij regelmatig als passant.
Ook de militaire domeinen van het Klein en Groot Schietveld trekken deze vogels aan.
De rust in deze verboden terreinen biedt de perfecte plek voor een tussenstop tijdens de trekperiode.
Bijeneters zijn bijzondere architecten die hun nesttunnel uitgraven in een steile wand.
Ze doen dit bij voorkeur in een los kolonieverband. Ze worden daarom vaak aangetroffen bij steilwanden aan water, rivieren, plassen en meren.
Toch zijn ze soms minder veeleisend en broeden ze op nagenoeg vlakke grond met een zeer flauwe helling, zoals in zandige wegbermen of afgravingen.
Opvallend is hun kieskeurigheid wat betreft de bodem.

Terwijl oeverzwaluwen kiezen voor grove partikels, prefereert de bijeneter fijn zand of leem.
Ze broeden dan ook vrijwel nooit op exact dezelfde plek als de zwaluwen.
De nesttunnel kan een aanzienlijke lengte bereiken en wordt met de snavel en poten uitgegraven.
In Vlaanderen is de bijeneter nog steeds een uiterst zeldzame broedvogel, al is er een duidelijke toename in het aantal waarnemingen en incidentele broedgevallen.
Waar de soort in Nederland sinds 1964 een bijna jaarlijkse gast is met tegenwoordig zelfs een record van minimaal 21 broedgevallen in 2024, staat de vogel op de Vlaamse Rode Lijst niet als vaste waarde.
Het aantal broedparen wordt hier momenteel geschat op slechts 0 tot 1 paar per jaar.
Hoewel de vogel in Nederland bijna jaarlijkse broedt, gebeurt dit in Vlaanderen veel onregelmatiger, vaak op tijdelijke locaties zoals bouwwerven.
Een sprekend voorbeeld vond plaats in de regio Antwerpen in 2023, waar een paar een nest had uitgegraven in een zandhoop op een werf in Wommelgem.

Hoewel dit paar eind juli nog volledig op schema leek te zitten, mislukte het broedgeval in augustus waarschijnlijk door extreem nat weer, waardoor de ouders stopten met het aanvoeren van voedsel.
Naast deze poging in Wommelgem waren er dat jaar ook waarnemingen van paren in de Schijnvallei bij Deurne en Schilde en een jagend paar in Oelegem, terwijl eerdere succesvolle gevallen bekend zijn uit onder meer Harelbeke in 2015.
Dat het in Nederland vaker lukt dan in Vlaanderen heeft te maken met een combinatie van habitat en gerichte bescherming.
In Nederland bestaat al sinds 2012 een actieve Werkgroep Bijeneters die nestwanden direct afzet en monitort.
Bovendien sluiten de Nederlandse populaties in Limburg beter aan op de opmars vanuit Duitsland.
In Vlaanderen vestigen de vogels zich vaker op kwetsbare, tijdelijke locaties die minder goed gebufferd zijn tegen verstoring of extreem weer.
Toch wordt verwacht dat de groei die in Nederland zichtbaar is op termijn ook in Vlaanderen vaker te zien zal zijn, aangezien de vogel steeds vaker als doortrekker wordt gezien.
Ze leggen hun eieren vanaf mei en hebben één legsel per jaar met doorgaans 4 tot 10 eieren, al zijn het er meestal 5.
Wie ze wil zien, moet letten op de details.
Juvenielen hebben een valere groene bovenzijde en in het winterkleed is de pracht van de volwassen vogels een stuk fletser. Hun aanwezigheid wordt echter bijna altijd verraden door hun roep die klinkt als een vrolijk en rollend pruut-pruut.
De beste tijd voor een eigen safari is tussen eind april en juni, liefst op een zonnige dag met een oostelijke bries.
Ook in augustus en september kunnen doortrekkers worden gezien op hun weg terug naar het zuiden.
Blijf bij uw zoektocht echter altijd op de officiële paden want bij hun nestlocaties zijn deze vogels extreem gevoelig voor verstoring. Voor de allernieuwste meldingen raadpleegt u best de actuele kaarten op waarnemingen.be zodat u bijdraagt aan het behoud van deze groene aders die onze regio zo uniek maken.
Door deze waarnemingen te delen, helpen we mee aan het in kaart brengen van de biodiversiteit in de Voorkempen en versterken we de bescherming van hun leefgebied.

dinsdag 3 maart 2026

Door de lens van Frank Vermeiren: het mysterie van de zwarte ree in de Voorkempen

Door de lens van Frank Vermeiren: Het mysterie van de zwarte ree in de Voorkempen

×

Het tienjarig bestaan van de natuurvereniging GroenRand markeert een historisch keerpunt in hun werking en houding.
Waar de focus een decennium lang lag op het sensibiliseren van politici en burgers via lezingen en wandelingen is dat bewustzijn inmiddels breed gedragen door de samenleving.
De visie van GroenRand is nu officieel verankerd in de plannen voor de Klimaatgordel binnen het project De Nieuwe Rand.
Met dit succes op zak is de vereniging gestopt met het loutere bewustmakingsproces en is de prioriteit nu verschoven naar de concrete realisatie van natuur op het terrein.
Om de nodige budgetten los te krijgen werkt GroenRand nauw samen met diverse volksvertegenwoordigers.
Deze politici fungeren als een cruciale schakel door de betrokken minister in het parlement gericht te bevragen over de voortgang en de financiering van de natuurprojecten.
Ondanks deze verschuiving naar de politieke coulissen blijft de voeling met de samenleving essentieel voor de vereniging.


De website van GroenRand is geoptimaliseerd om burgers nog beter te informeren over lokale natuurwaarden.
Dit proces wordt ondersteund door twaalf toegewijde reporters die bijzondere gebeurtenissen in de regio nauwgezet opvolgen en documenteren.
Dat deze inzet loont blijkt uit de opmerkelijke natuurwaarnemingen van de afgelopen jaren.

Zo is de boommarter bezig aan een sterke comeback in de omgeving van de Antitankgracht ondanks zijn status als ernstig bedreigde soort op de Vlaamse Rode Lijst.
Een absoluut hoogtepunt vond plaats in 2024 toen fotografe Anne Oostvogels in het Elsenbos te Stabroek maar liefst vijf exemplaren tegelijk op beeld wist vast te leggen.
Deze zeldzame marterachtige is te herkennen aan de kenmerkende gele keelvlek en geldt als een belangrijke indicator voor kwalitatieve en gezonde bossen.

De positieve trend in de lokale biodiversiteit zet zich onverminderd voort want in februari en maart 2026 slaagde reporter en fotograaf Frank Vermeiren er zelfs in om een uiterst zeldzame zwarte ree te fotograferen in de buurt van Viersel Gebroekt.
Hij maakt graag foto's van de natuur en zag het dier toevallig opduiken tijdens een natuurwandeling. Een zwarte ree op beeld vastleggen is niet voor iedereen weggelegd omdat het niet alledaags is om zo'n exemplaar tegen te komen in de vrije natuur. Volgens Dirk Weyler van GroenRand moet je wat geluk hebben om een zwarte ree te spotten.

Hoewel het goed gaat met de reeën in heel Vlaanderen en mensen hun waarnemingen steeds vaker melden op platformen zoals Waarnemingen.be blijft de zwarte variant uiterst ongebruikelijk.
Zelf heeft Weyler nog nooit een zwarte ree in het wild gezien.
Voor GroenRand zijn deze waarnemingen het ultieme bewijs dat hun pleidooi voor het aan elkaar schakelen van natuurgebieden essentieel is voor het voortbestaan van kwetsbare fauna.
Alleen door deze groene verbindingen te versterken kan de fauna in de regio zich duurzaam handhaven en verder uitbreiden.
De zwarte ree (Capreolus capreolus) vormt een van de meest fascinerende natuurverschijnselen binnen de Vlaamse fauna.
Deze specifieke kleurafwijking is geen gevolg van een aparte soortvorming maar vindt haar oorsprong in een genetische mutatie die bekendstaat als melanisme.
Bij melanisme zorgt een overmatige productie van het donkere pigment melanine ervoor dat de traditionele roodbruine zomervacht en de grijsbruine wintervacht plaatsmaken voor een diepzwart of koolkleurig uiterlijk.
In de erfelijkheidsleer wordt dit proces gestuurd door een dominant gen.
Dit betekent dat de zwarte kleur zich relatief makkelijk kan handhaven binnen een populatie mits de genetische basis aanwezig is.
In de regio rond Boechout, Lint en Hove bevindt zich een unieke populatie zwarte reeën die haar oorsprong vindt in de geschiedenis van lokale adellijke landgoederen.
In het begin van de 20e eeuw werden deze dieren met een genetische kleurafwijking bewust uitgezet voor de jacht op domeinen zoals het Hof van Boechout dat onderdeel is van het domein Moretus.


Omdat het gen voor deze zwarte kleur dominant is en de populatie in de versnipperde bosgebieden van de Grote Boshoek relatief geïsoleerd bleef kon de zwarte variant zich generaties lang handhaven en zelfs uitbreiden.
Terwijl zwarte reeën in de rest van Vlaanderen als uiterst zeldzaam worden beschouwd vormen ze in deze specifieke zwarte driehoek een stabiel en opvallend onderdeel van de lokale fauna.
Een witte ree of een albino ree is volgens kenners overigens nog veel uitzonderlijker dan een zwart exemplaar.
Een zwart ree verschijnt toch een paar keer per jaar op foto maar het blijft een unieke gebeurtenis voor iedere waarnemer.
De verspreiding naar de rest van de Voorkempen zoals in Viersel of Zoersel is echter geen algemene uitbreiding over het hele gebied aangezien de dieren relatief honkvast blijven in hun oorspronkelijke habitat.
Wanneer men de zwarte ree in het Vlaamse landschap observeert valt op hoe dit dier zich op een unieke wijze verhoudt tot de omgeving.
Waar de witte spiegel van een normale ree in het schemerlicht als een baken fungeert voor soortgenoten ontbreekt dit opvallende kenmerk bij de zwarte variant vrijwel volledig.
In schaduwrijke biotopen beschikken zij hierdoor over een superieure camouflage.
Ze versmelten met de donkere achtergrond van het struweel en blijven voor zowel predatoren als menselijke verstoorders nagenoeg onzichtbaar.
Toch is dit kleurvoordeel niet absoluut want op een frisgroene weide in het voorjaar vallen zij juist sterker op wat hun kwetsbaarheid voor ontdekking vergroot.
De dieren zijn vooral actief tijdens de schemering en recente gegevens uit februari en maart 2026 bevestigen dat de populatie zeer actief is want eind februari werden er nog groepen tot wel veertien individuen waargenomen in de regio Boechout.
Wat zeer uitzonderlijk is in Vlaanderen.
De populatie blijft grotendeels geconcentreerd rond de historische kerngebieden zoals het Hof van Boechout en het Uilenbos in Hove en de Gasthuisbossen in Lint.
Door de versnippering van het landschap en barrières zoals grote verkeersaders blijven de dieren in hun oorspronkelijke habitat. Hoewel er sporadisch zwarte reeën worden gezien buiten deze kern zoals in de Kalmthoutse Heide betreft dit vaak individuele zwervers en geen gevestigde groepen.
Voor een succesvolle waarneming zijn de bosranden van het Hof van Boechout en de overgangen tussen bos en veld in de Gasthuisbossen de beste locaties mits men tijdens de schemering de windrichting in de gaten houdt en de nodige stilte bewaart.

Men moet voorkomen dat de eigen geur naar de dieren toe waait aangezien hun reukzin zeer scherp is ontwikkeld.
In de context van het Vlaamse natuurbeheer en de jachtwetgeving neemt de zwarte ree een bijzondere positie in.
Hoewel er wettelijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende kleurvarianten van de ree bestaat er binnen de jachtwereld vaak een ongeschreven erecode om zwarte exemplaren te sparen.
De aanwezigheid van de zwarte ree wordt door veel natuurliefhebbers beschouwd als een verrijking van de lokale biodiversiteit en een levend bewijs van de genetische variabiliteit die in onze wilde populaties verborgen ligt.
Tegelijkertijd vormt de beperkte omvang van deze populaties een risico in een regio die gekenmerkt wordt door een extreem dicht wegennet.
Het verlies van een zwart individu door een aanrijding heeft een disproportioneel grote impact op de genetische poel.
Daarom is het behoud van natuurlijke verbindingen en ecoducten zoals die op de overgang tussen de Kempen en de Limburgse mijnstreek van cruciaal belang voor de toekomst van de zwarte ree.
De fascinatie voor de zwarte ree overstijgt het puur biologische aspect omdat in de Vlaamse folklore de zwarte ree vaak wordt omschreven als een spook of een geest van het bos.
Deze mystieke status zorgt ervoor dat elke waarneming breed wordt uitgemeten in de lokale media.
Het dier fungeert als een ambassadeur voor de mysterieuze kant van de natuur die ondanks de enorme menselijke druk op de open ruimte toch haar eigen weg gaat.
De zwarte ree herinnert ons eraan dat de natuur niet statisch is maar voortdurend in beweging door genetische mutaties en migratie.

Voor de onderzoeker biedt de zwarte variant een uniek venster op de complexiteit van evolutie in de praktijk.
Het is een dier dat zich heeft aangepast aan de diepste schaduwen van ons landschap en daarmee een onuitwisbare indruk achterlaat op iedereen die het geluk heeft het te mogen aanschouwen in de schemering van de Voorkempen.

Natuur verbinden: Van geïsoleerde eilandjes naar één krachtig netwerk

Verbind de Natuur: Van losse eilandjes naar één sterk netwerk

Natuurgebieden in Nederland en Vlaanderen zijn momenteel te vaak geïsoleerde eilandjes.
Hoewel we prachtige gebieden hebben liggen ze als gefragmenteerde postzegels in een landschap dat gedomineerd wordt door asfalt, beton en intensieve landbouw.
Juist onderlinge verbindingen maken de natuur sterker maar de operatie om dat voor elkaar te krijgen via het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) ligt fors achter op schema.
Midden op de Nederlandse Posbank is er als bij toverslag een grote, ronde, houten vergadertafel verrezen.
Deze is compleet met microfoons en een dwingende symboliek voor de omliggende heuvels van de Veluwezoom.
Initiatiefnemer Natuurmonumenten heeft er een duidelijke bedoeling mee.


Politici moeten de ivoren torens verruilen voor de modder en de natuur in trekken.
Met de komst van een nieuw kabinet moeten zij onmiddellijk in actie komen.
De natuurorganisatie stelt één oproep centraal en dat is het zo snel mogelijk afmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
Dit project van de lange adem werd in de vorige eeuw geboren als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Het idee erachter is dat de natuur momenteel uit te veel kleine en geïsoleerde gebieden bestaat.
Betere verbindingen zijn nodig om ervoor te zorgen dat de natuur tegen een stootje kan.
Landschapsecoloog Paul Opdam stond mede aan de basis van de EHS-plannen.
Hij legt uit dat deze verbindingen fungeren als een verzekeringspolis.
We hebben in de Lage Landen te maken met natte of strenge winters of juist extreem droge zomers.

Dan gaat het weleens even niet goed in een deel van de natuur waardoor een specifieke soort ter plaatse verdwijnt.
Als zo’n gebiedje in een netwerk verbonden is kan die soort vanuit een naburig gebied terugkeren.
Zonder verbindingen gebeurt dat niet en blijft de plek ecologisch dood.
De plannen voor het NNN waren een ietwat uitgeklede versie van de oude EHS. In 2013 spraken het Rijk en de provincies af om 80.000 hectare van die verbindingsnatuur aan te leggen.
De start van die operatie was relatief voortvarend maar de laatste jaren gaat het traag.
Eind 2024 was er nog ongeveer 30.000 hectare te gaan terwijl er in de afgelopen jaren slechts zo’n 2000 hectare per jaar bijkwam.
Die opgave ligt vooral bij de provincies. Natuur maken is zo makkelijk niet benadrukt de Brabantse provinciebestuurder Hagar Roijackers van GroenLinks.
Het gaat altijd over iemands land en er woedt een voortdurende strijd om de schaarse ruimte.
Brabant heeft van alle provincies de meeste natuur gerealiseerd maar kent ook nog de grootste resterende opgave omdat de provincie de lat hoog legde door wel aan de oorspronkelijke EHS-ambitie vast te houden.

De sleutel voor meer natuurverbindingen ligt vaak bij boeren merkt Jeroen de Koe van Natuurmonumenten op.
Natuur en landbouw worden vaak tegenover elkaar geplaatst maar juist boeren zijn bij zo’n netwerk van groot belang. Natuurmonumenten werkt al samen met 1900 boeren.
Soms kan dat grootschalig via grondruil met de provincie of een natuurorganisatie zodat er een aaneengesloten corridor kan worden aangelegd.
Maar ook op erven is er via doorlopende heggen en waterverbindingen met aandacht voor de natuur veel te winnen. Het Rijk kan daarbij veel meer helpen dan het kabinet-Schoof deed concludeert Roijackers. Landbouwminister Femke Wiersma van de BBB trok een half miljard euro per year uit voor agrarisch natuurbeheer zodat boeren een passende vergoeding krijgen.
De uitwerking daarvan ontbrak echter nog en bleef hangen in procesmatige afspraken terwijl de agrarische natuurcollectieven allang klaarstaan om het uit te voeren.
Ecoloog Opdam hoopt ondertussen dat meer soorten het voorbeeld volgen van de breedbandgroefbij.

Die wist zijn leefgebied fors uit te breiden van Zuid-Limburg tot bijna heel Nederland door gebruik te maken van bloemen op de dijken langs de Maas, Rijn en IJssel. Door klimaatverandering gaan er soorten verdwijnen waarvoor het te warm wordt.
Daar kunnen soorten uit het zuiden voor in de plaats komen maar dan moeten ze hun nieuwe leefgebied wel fysiek kunnen bereiken via groene linten door het landschap.
Rivierdijken hebben het in zich om uit te groeien tot een walhalla voor de bij.
Een paar bloemsoorten is al genoeg om het er flink te laten zoemen en met meer variatie groeit ook het aantal zeldzame bijensoorten.
Kijken we over de grens naar Vlaanderen dan zien we een nog nijpender beeld van versnippering.
Hier gijzelt politieke stilstand de broodnodige ecologische vooruitgang. In Vlaanderen spreekt men van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) dat streeft naar 125.000 hectare aan grote natuureenheden.
Omdat Vlaanderen een van de meest verstedelijkte regio's van Europa is liggen natuurgebieden er als een versnipperde puzzel tussen bebouwing en wegen.
De ernst van de situatie werd pijnlijk duidelijk tijdens een verhit debat in de Commissie voor Leefmilieu, Natuur en Ruimtelijke Ordening van woensdag 4 februari 2026.
De kern van de discussie in de commissie draaide om functioneel ecologische netwerken.
Dit gaat over de vraag of een dier zich daadwerkelijk over de grenzen van zijn leefgebied kan verplaatsen om te overleven of voedsel te vinden en zich voort te planten.
Een netwerk is pas functioneel als populaties niet genetisch verarmen door isolatie en dieren kunnen vluchten voor droogte of wateroverlast. Het bleek echter dat het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) momenteel volledig stil ligt door een gebrek aan budget.

Dit actieprogramma is de broodnodige samenwerking tussen het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) en het Departement Omgeving.
Dit zorgt voor een enorm gat dat door instanties zoals de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) nauwelijks gedicht kan worden.
Zonder middelen voor ecoducten en tunnels blijven onze natuurgebieden postzegels op een kaart die onherroepelijk worden verstikt door infrastructuur en bebouwing.
Ondanks deze blokkades blijven erkende natuurverenigingen en duizenden vrijwilligers onvermoeibaar aan de kar trekken. Natuurpunt beheert duizenden hectares kwetsbare natuur en voert voortdurend campagne voor verbinding. Zij worden hierbij gesteund door de Bond Beter Leefmilieu (BBL) en Vogelbescherming Vlaanderen die het beleid kritisch volgen.
Zij leggen de vinger op de zere plek tijdens parlementaire discussies over het ontbrekende VAPEO-budget. De natuurvereniging GroenRand heeft zich specifiek ontpopt tot een felle pleitbezorger voor ontsnippering in de Antwerpse rand en de grensregio waar de druk op de open ruimte maximaal is.
In Limburg waakt Limburgs Landschap over de heidecorridors terwijl BOSplus inzet op bosverbindingen.
De Regionale Landschappen herstellen lokaal kleine landschapselementen zoals heggen en poelen die als stapstenen fungeren.
Daarnaast strijden verenigingen als Milieufront Omer Wattez in Zuid-Vlaanderen en Durme vzw in het Waasland lokaal voor het behoud van open ruimte en ecologische corridors.
Ook organisaties als de Kempense Landschappen en talloze lokale afdelingen van natuurverenigingen vechten voor elke meter onversnipperd land.
Al deze groepen wezen tijdens het commissiedebat op de noodzaak van een functioneel netwerk dat verder gaat dan alleen het beschermen van een gebied maar focust op de bewegingsvrijheid van soorten.

Het besluit is helder want ook in Vlaanderen zijn zulke symbolische vergadertafels bittere noodzaak geworden om de politiek wakker te schudden.
Een typisch voorbeeld vinden we in de Voorkempen.
Daar waar de druk op de open ruimte gigantisch is fungeert de natuurvereniging GroenRand als de drijvende kracht achter het overleg.
Of het nu gaat om een eikenhouten tafel in een lokaal bos of een overlegmoment over ontsnippering in de regio dan zijn deze plekken cruciaal.
Zij confronteren beleidsmakers met de realiteit op het terrein en het feit dat een natuurgebied op zich niet genoeg is als het een gevangenis is voor de soorten die er leven.
Net als op de Posbank herinneren deze ontmoetingsplaatsen ons eraan dat praten niet volstaat zolang budgetten bevroren blijven. De plannen liggen klaar en de ecologische noodzaak is wetenschappelijk onomstotelijk bewezen en de partners staan aan de startstreep.
Het is nu aan de politiek om de budgetten voor ontsnippering te herstellen en de natuur uit haar isolement te verlossen. Het is tijd voor actie. Bron: eigen redactie - Trouw

Rode petjes in de elzenkant: waarom de grote barmsijs onze groene linten zo hard nodig heeft

Rode petjes in de elzenkant: Waarom de grote barmsijs onze groene aders nodig heeft

Onze redacteur Frank Vermeiren nodigt u uit voor een verrassende safari door onze eigen streek.
Met een nieuwe, alfabetische ontdekkingstocht brengt hij de vaak onzichtbare rijkdom van onze regio tastbaar in beeld.
Dit initiatief is echter meer dan een reeks natuurverhalen alleen. Het is een vurig pleidooi om de groene aders en de ecologische infrastructuur die onze gemeenten verbindt te koesteren en te behouden.
Door de lokale fauna in de schijnwerpers te zetten wordt natuurbehoud een gedeelde ervaring die de band tussen de bewoners en hun landschap versterkt.
Na de letter 'A' vliegen we nu direct door naar de 'B' van de (grote) barmsijs.
Deze vogel is een echte wereldburger die de arctische toendra en de taiga van Europa, Azië en Noord-Amerika bewoont.
De grote barmsijs (Acanthis flammea flammea) is een specialist van de noordelijke berkenbossen.
Hij is groter en krachtiger en oogt veel grijzer dan zijn kleine neefje dat hier sporadisch broedt.
In de wintermaanden overwintert de grote barmsijs jaarlijks in onze contreien vanuit Scandinavië.
Ze zijn dan vaak te vinden in berken en elzen waar ze in levendige groepjes aan de dunne twijgjes hangen om van de zaden te eten.
Door hun uiterst actieve gedrag valt het echter niet altijd mee om deze vogels goed in de kijker te krijgen. In sommige jaren kan de soort een invasieachtig voorkomen vertonen door een combinatie van een hoog broedsucces en voedselschaarste in hun reguliere overwinteringsgebied in het hoge noorden. Dergelijke invasies beginnen meestal in november en brengen soms honderden vogels naar onze streken. Kijkend naar de actuele situatie in maart 2026 bevinden we ons in een boeiende overgangsfase.

De grote barmsijs is een uitgesproken wintergast die doorgaans tot ver in maart of zelfs begin april in West-Europa verblijft.
Hoewel de winter van 2025-2026 geen massale invasie kende zoals in legendarische topjaren zijn er in de regio Voorkempen toch regelmatige waarnemingen genoteerd.
Op dit eigenste moment maken de groepjes die hier overwinterd hebben zich op voor de terugtrek naar het hoge noorden. Dit betekent dat ze nu extra actief foerageren om de nodige vetreserves op te bouwen voor de lange tocht naar Scandinavië en Rusland.

Wie nu de elzenkantjes afspeurt kan ze nog net treffen voordat ze definitief uit ons landschap verdwijnen om daar vanaf eind april aan het broedseizoen te beginnen.
Het is een herinnering aan de fragiele timing van de natuur want zodra de eerste echte voorjaarswarmte doorbreekt trekken deze arctische specialisten onherroepelijk weer weg.
In onze eigen achtertuin speelt de vereniging GroenRand een cruciale rol in het beschermen van de leefgebieden die deze gasten nodig hebben.
GroenRand zet zich onvermoeibaar in voor de versterking van de ecologische infrastructuur en de verbinding tussen versnipperde natuurgebieden.
Voor de grote barmsijs zijn deze groene aders van levensbelang.
De vereniging pleit voor het behoud van pioniersvegetatie en de typische berkenopslag die vaak als 'onordelijk' wordt beschouwd maar voor de barmsijs juist een gedekte tafel vormt.
Zonder de visie van GroenRand op een aaneengesloten groen netwerk zouden hotspots zoals het Groot Schietveld in Brecht en het Klein Schietveld bij Brasschaat geïsoleerde eilanden worden waar deze vogels niet veilig kunnen verblijven.


Het Groot Schietveld vormt, net als zijn kleinere tegenhanger, een uitgestrekt en onmisbaar mozaïek van heide en vennen met die broodnodige berkenopslag.
Dit uitgestrekte militaire domein fungeert als een enorme ecologische buffer waar de grote barmsijs in alle rust kan foerageren.
Samen met het Zoerselbos en de overgangszones naar open velden zoals bij het vliegveld van Malle zijn dit de uitmuntende locaties waar ze tijdens de winter regelmatig opduiken.
GroenRand benadrukt dat deze overgangen tussen bos en open veld essentieel zijn voor de biodiversiteit en ijvert voor structurele budgetten voor natuurherstel om deze gebieden veilig te stellen.

De grote barmsijs is overwegend grijsbruin met witte vleugelstrepen en een kleine zwarte kinvlek.
Hij is bleker en groter dan de kleine barmsijs en heeft een contrastrijke rug en een lichte buik met duidelijke, scherpe flankstrepen op een witte ondergrond.
Het kleed is variabel, want alleen de mannetjes krijgen in de broedperiode een roze-rode borst en stuit.
Vrouwtjes en jonge vogels behouden een lichte, gestreepte borst zonder roze tinten.
De vleugelstrepen zijn bij deze soort witter dan bij de kleine barmsijs en beide geslachten dragen een kenmerkende rode vlek op het voorhoofd.
Om barmsijzen te spotten kunt u het beste op zoek gaan naar elzen.
In groepjes van tientallen dieren foerageren ze door ondersteboven in de elzen te hangen.
Dit doen ze vaak samen met sijsjes en putters.
Als u in de winter een grote groep sijzen of putters ziet kan het zomaar zijn dat er een paar grote barmsijzen tussen zitten.
Het helpt zeker als u bekend bent met het geluid van sijzen of putters al hebben de barmsijzen zelf ook een roepje dat vrij gemakkelijk te herkennen is.
Ze zijn overigens niet altijd even schuw en als u een groepje gevonden heeft en op afstand even rustig wacht komen ze regelmatig dichterbij foerageren.
Hoewel de grote barmsijs geen Vlaamse broedvogel is blijft hun voortplantingsgedrag in het noorden fascinerend.
Ze broeden vanaf eind april tot augustus in de berken- en naaldbossen van Noord-Europa en Rusland.
In het noorden van hun broedgebied brengen ze vaak één legsel groot maar zuidelijker kunnen dat er soms twee zijn. De broedduur bedraagt slechts 11 tot 12 dagen.
Het nest wordt gebouwd door het vrouwtje waarbij het mannetje helpt met het verzamelen van materiaal zoals twijgjes en plantaardig materiaal maar ook veren en haar.
De nesten bevinden zich vaak in bomen en struiken tot op vijf meter hoogte en regelmatig dicht bij de stam.
Opmerkelijk is dat ze in Noord-Scandinavië vaak in de buurt van kramsvogels broeden voor extra bescherming tegen predatoren. De jongen zijn vliegvlug na 9 tot 14 dagen en verlaten soms het nest al voordat ze echt kunnen vliegen.
Na ongeveer 26 dagen zijn de jongen volledig zelfstandig waarbij het vrouwtje de jongen voert soms geholpen door het mannetje. Wat het geluid betreft produceert de grote barmsijs een knetterend "tret-tret-tret" wat het meest gehoord wordt.
Dit wordt afgewisseld met een nasaal en groenlingachtig "tjuuuhj" terwijl de zang bestaat uit droge rollers en metaalachtige roepjes. Om ze niet te verwarren met de kneu moet u letten op de rug want de kneu heeft een egale warmbruine rug en mist dat typische zwarte sikje volledig.
In de winter trekken ze ook naar onze tuinen in de Voorkempen waar u ze kunt helpen door fijne zaden aan te bieden zoals wildzangzaad of onkruidzaden en door berken simpelweg te laten staan.
Door de groene aders en de ecologische infrastructuur te koesteren versterken we de band tussen de bewoners en hun landschap.
De grote barmsijs blijft zo een tastbaar symbool van de natuurpracht in onze eigen regio waar we tijdens de koude maanden samen van kunnen genieten.