Van prehistorische mammoet tot modern houtsnipper: hoe de mens het Europese landschap vormgeeft
© gettyHet uitsterven van de prehistorische megafauna aan het einde van de laatste ijstijd vormde een grote bedreiging voor de open Europese flora, omdat het landschap zonder deze grote grazers in sneltempo dreigde te verbossen.
Gelukkig namen vroege menselijke gemeenschappen tijdens de neolithische revolutie onbewust de rol van deze landschapsarchitecten over.
Door bossen te kappen voor kleinschalige akkerbouw en hun gedomesticeerde vee te laten grazen, creëerden deze vroege boeren opnieuw de open ruimtes die voorheen door mammoeten en bosolifanten werden onderhouden.
Een analyse van maar liefst 7.500 jaar aan pollengegevens toont aan dat deze menselijke dynamiek millennia lang de bepalende factor was voor het ontstaan van een ongekend rijke plantendiversiteit, die we in onze huidige landschappen niet meer kennen.
Jarne Wilms beschreef in De Standaard hoe dit historische onderzoek bewijst dat menselijke activiteit de natuur gedurende het overgrote deel van onze geschiedenis juist heeft gestimuleerd en verrijkt in plaats van beschadigd.
Landgebruik door de mens leidde tot meer plantensoorten en dus tot meer biodiversiteit, toch tot ongeveer tachtig jaar geleden.
Dat hebben Zwitserse onderzoekers vastgesteld op basis van een analyse van pollen over een periode van meer dan zeven millennia: van de steentijd tot in 2014.
Ze publiceerden hun resultaten in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications.
Duizenden jaren lang zorgde de mens namelijk voor een enorme bloei van de natuur.
De overgang van jager-verzamelaars naar permanente nederzettingen zette een proces in gang waarbij menselijk landgebruik de plantendiversiteit eeuwenlang stimuleerde.
Deze positieve invloed hield stand tot ongeveer tachtig jaar geleden, toen moderne industriële technieken de trend abrupt keerden.
Deze historische patronen in biodiversiteit zijn nauwkeurig in kaart gebracht via de analyse van eeuwenoude pollen.
Door cilindervormige boorkernen te nemen uit de sedimentlagen van diepe meren, kan de vegetatie tot wel 7.600 jaar geleden worden gereconstrueerd.
De opgestapelde lagen modder fungeren als een natuurlijk archief, waarin ecologische veranderingen door de hoge resolutie van de data zelfs per decennium zichtbaar worden.
Dit legt een directe link bloot tussen grote historische verschuivingen en de lokale flora.
Om de impact van de mens te begrijpen, moeten we terug naar de warme periode tussen de laatste twee ijstijden, zo'n 120.000 jaar geleden.
Noordwest-Europa was toen geen dicht oerwoud, maar een halfopen parklandschap.
Dit kwam door natuurlijke dynamiek zoals bosbranden, overstromingen in rivierdalen en de aanwezigheid van grote grazers zoals de wolharige neushoorn, mammoeten en bosolifanten.
Deze megafauna hield de vegetatie open door jonge bomen om te trappen en op te eten, waardoor lichtminnende planten alle ruimte kregen.
Aan het einde van de laatste ijstijd veranderde dit drastisch.
Door een combinatie van klimaatverandering en de jacht door de vroege mens stierf deze megafauna uit.
Tegelijkertijd begon de mens later rivieren in te dammen, waardoor natuurlijke overstromingen wegvielen.
Zonder deze verstoorders sloeg de verbossing toe en omdat de inheemse flora juist was aangepast aan open ruimtes, daalde de plantendiversiteit aanzienlijk.
De ommekeer kwam met de introductie van de landbouw in de jonge steentijd, tussen 10.000 en 2.000 voor Christus.
Vroege boeren kapten kleinschalig bossen voor akkerbouw en lieten hun gedomesticeerde vee grazen in de omliggende natuur.
Hiermee namen zij onbewust de ecologische rol van de uitgestorven megafauna over.
De introductie van dit mozaïeklandschap deed de plantendiversiteit herleven, waardoor menselijke activiteit vanaf dat moment een grotere factor voor de natuur begon te worden dan het klimaat.
De geschiedenis laat echter zien dat de plantendiversiteit ook direct reageerde op geopolitieke en demografische crises.
Na de val van het Romeinse Rijk stortte de agrarische economie in, werden akkers verlaten en keerde het bos terug.
Een noch grotere ecologische breuk vond plaats in de veertiende eeuw, toen een grote pestepidemie een enorme klap toediende aan de Europese bevolking.
Hele dorpen raakten verlaten, waardoor er zonder menselijke begrazing en houtkap op grote schaal herbebossing plaatsvond.
Omdat het open landschap verdween, nam de plantendiversiteit in die eeuwen een duik.
Pas toen de bevolking in de vroegmoderne tijd herstelde en de landbouwgronden opnieuw werden ontgonnen, bloeide de flora weer op.
Vanaf de late middeleeuwen tot in de negentiende eeuw ontwikkelde zich zo het traditionele Europese cultuurlandschap.
Dit was een lappendeken van kleinschalige akkers, hooilanden en gemeenschappelijke gronden die intensief maar extensief werden beheerd.
Omdat er geen kunstmest bestond, bleven grote delen van het landschap extreem voedselarm, terwijl houtkanten en vlechtheggen dienden als natuurlijke afscheidingen.
Dit gevarieerde, nutriëntenarme landschap bood duizenden jaren lang een perfecte habitat voor een enorme rijkdom aan specifieke plantensoorten.
Dit eeuwenoude ecologische evenwicht stortte na de Tweede Wereldoorlog volledig in.
Gedreven door de modernisering en mechanisering van de landbouw maakte de tractor een enorme schaalvergroting mogelijk, waarbij houtkanten en historische perceelsgrenzen massaal werden vlakgetrokken voor grote, efficiënte kavels.
De grootste klap voor de biodiversiteit kwam door de chemische revolutie en het grootschalige gebruik van synthetische kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen.
Waar de mens vroeger zorgde voor schaarste en variatie, zorgde hij nu voor extreme vermesting en homogenisering.
Het landschap bleef weliswaar open, maar de ecologische niches verdwenen.
Wat millennia lang een motor voor biodiversiteit was, veranderde in een industriële monocultuur waarin nog maar een fractie van de historische plantensoorten kan overleven.
Vandaag de dag proberen regionale landschappen en verschillende natuurverenigingen dit tij echter te keren met gerichte, lokale projecten.
Het grootschalige natuurherstelprogramma voor de Brechtse Heide is hier een sprekend voorbeeld van.
Dit initiatief heeft als doel om het 1.700 hectare grote beschermde landschap, dat zich uitstrekt over de gemeenten Brecht, Malle, Zoersel en Schilde, volledig klimaatrobuust te maken.
Onder impuls van Regionaal Landschap de Voorkempen krijgt de ecologische herinrichting van het gebied een flinke impuls, een evolutie die door een lokale natuur- en milieuvereniging zeer positief wordt onthaald.
Dit herstelprogramma sluit immers rechtstreeks aan bij hun jarenlange strijd voor de bescherming van amfibieën zoals de kamsalamander en het herstel van verdwenen kleine landschapselementen.
Tijdens een specifiek infomoment op 25 juni in het gemeentehuis gaven landschapsspecialisten van Regionaal Landschap de Voorkempen, in nauwe samenwerking met het lokale bestuur, een uitgebreide toelichting over de nieuwe financiële steunmaatregelen om dit doel te bereiken.
Omdat de actieve medewerking van particuliere grondeigenaars en lokale landbouwers een absolute sleutelrol speelt in het succes van dit project, kunnen zij dankzij Europese subsidies aanspraak maken op uitzonderlijk hoge vergoedingen.
So is er een subsidie van 65% beschikbaar voor de aanplant van nieuwe hagen, heggen, houtkanten en bomenrijen.
Deze elementen fungeren niet alleen als natuurlijke veekering en buffer tegen bodemerosie, maar vormen ook cruciale ecologische verbindingswegen voor de lokale fauna.
Daarnaast wordt het achterstallige onderhoud van bestaande houtkanten en het ecologische herstel van historische vennen en poelen volledig kosteloos uitgevoerd.
Dit herstel is essentieel om verspreide waterpartijen en groene buffers weer te verbinden tot één samenhangend leefgebied voor zeldzame amfibieën, libellen en weidevogels.
Tegelijkertijd wapent deze ingreep het landschap veel beter tegen de gevolgen van extreme droogte en wateroverlast.
Tijdens de bijeenkomst lag de focus in het bijzonder op het deelgebied Kooldries waar concrete plannen toegelicht werden om historische heide-elementen te herstellen.
Deze plannen moeten ertoe leiden dat natuur en actieve lokale landbouw via een breed gedragen landschapsbeheerplan harmonieus worden verweven.
Ter gelegenheid van een tiende verjaardag lanceerde de betrokken milieuvereniging bovendien de opvallende campagne ‘Bijtandje Houtkantje’.
Met een guitige mascotte met een opvallend "struikgebit" wil de vereniging houtkanten symbolisch in de kijker zetten als de onmisbare snijtanden van ons open landschap.
Met deze ludieke actie roept de vereniging elf gemeenten in de regio schriftelijk op om actief werk te maken van het Vlaamse Houtkantenplan.
Dat plan streeft naar 100 kilometer nieuwe houtkanten voor grootschalige koolstofdioxide-opslag en de creatie van veilige migratieroutes voor dieren.
Dat burgerparticipatie en lokaal engagement hierin uiterst succesvol kunnen zijn, bewijst een recent groenproject in de regio.
Daar werd de initiële doelstelling van één kilometer haag dankzij het enthousiasme van de buurtbewoners spectaculair overtroffen met maar liefst 1,6 kilometer aan extra aanplantingen.
Dit toont aan dat het herstel van het historische mozaïeklandschap vandaag de dag weer springlevend is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten