dinsdag 17 februari 2026

De Vlaamse Milieuspagaat: Over hamsters, maïs en de illusie van de versoepeling

De Vlaamse Milieuspagaat: Over hamsters, maïs en de illusie van de versoepeling

Vlaanderen is een zakdoek groot, maar de ruzies die we erover maken zijn monumentaal. Vandaag staan we voor een nieuw en riskant hoofdstuk in ons nationale epos: de Grote Versoepeling. Verschillende Vlaamse politici hebben de aanval geopend op de Europese milieuregels. Het narratief is even simpel als verleidelijk: de industrie en de landbouw verstikken onder een deken van Brusselse regelzucht. "We moeten pragmatischer zijn," klinkt het in de wandelgangen. Maar wie de feiten achter de retoriek legt, ziet een heel ander beeld. We strijden niet tegen Brussel; we strijden tegen de grenzen van onze eigen leefbaarheid.

Premier Bart De Wever wond er onlangs in De Standaard geen doekjes om. Hij hekelde de "mooie ambities" rond waterkwaliteit en nitraat die volgens hem simpelweg betekenen dat je niet meer kunt ondernemen. "Al die mooie regeltjes waarmee wij onze landbouw of de industrie de meest ethische van de wereld willen maken – daar moeten we echt eens mee stoppen," aldus de premier. Het is een klassiek discours: de economie versus de natuur. Ook bij regeringspartner CD&V leeft dat gevoel sterk. Op het kabinet van Vlaams minister Jo Brouns klinkt het dat het dertig jaar na datum tijd is om de richtlijnen onder de loep te nemen: "We moeten de absurditeiten die ze veroorzaken, vermijden." Maar laten we eerlijk zijn: wat politici "absurd" noemen, is vaak niets anders dan de ongemakkelijke confrontatie met de fysieke limieten van een regio die we volledig hebben dichtgebouwd.
Om te begrijpen waar de pijn zit, moeten we kijken naar de 'Heilige Drievuldigheid' van het milieubeleid: de Kaderrichtlijn Water (2000), de Nitraatrichtlijn (1991) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen zijn geen vrijblijvende suggesties; het zijn Europese doelstellingen die we zelf in wetten hebben omgezet. De Kaderrichtlijn bepaalt dat al onze wateren tegen 2027 gezond moeten zijn. De Nitraatrichtlijn dwingt ons om de vervuiling door meststoffen aan te pakken – de grootste bron van gif voor ons grondwater. En dan is er de Habitatrichtlijn, die de waardevolle Natura 2000-gebieden moet beschermen. Deze wetten dwongen Vlaanderen tot het zevende Mestactieplan en het beruchte stikstofdecreet. Zonder deze regels zou geen enkel nieuw bedrijf of bouwproject nog een vergunning krijgen, een scenario dat in Nederland al werkelijkheid werd. Toch herinnert Hans Bruyninckx, die tien jaar lang aan de top stond van het Europees Milieuagentschap, ons eraan dat deze regels niet zomaar uit de lucht zijn komen vallen. Ze zijn het resultaat van een tijd waarin onze rivieren open riolen waren. "De waterkwaliteit, de luchtkwaliteit en de bodemkwaliteit lieten toen allemaal te wensen over," stelt hij nuchter vast. Vandaag, ruim dertig jaar later, is de situatie verre van opgelost. Jeroen Vanden Borre van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) bracht onlangs een ontnuchterend rapport uit: van de 46 verschillende natuurtypes in Vlaanderen doen er welgeteld twee het goed. De rest kreunt onder versnippering en een stikstofdeken die maar niet verdwijnt. Ook het water vertelt een triest verhaal: van de 195 Vlaamse waterlichamen is er slechts één in goede staat. "In 1992 al merkte men dat er iets gedaan moest worden," vult Vanden Borre aan. "Toen al ging de biodiversiteit achteruit." Nergens wordt de 'Vlaamse ziekte' – de totale verwevenheid van alles met alles – zo pijnlijk duidelijk als op de Kalmthoutse Heide. Dit is een kroonjuweel van onze natuur, waar verenigingen zoals GroenRand vechten voor elke meter. Maar wie door het gebied wandelt, botst op de paradox. Midden in dat beschermde Natura 2000-gebied, tussen de kern en de Steertse Heide, ligt nog steeds een maïsakker. Een akker waar bemest wordt en pesticiden worden gespoten, midden in een zone die Europa geacht wordt te beschermen. "Zo absurd is het soms," zegt Vanden Borre hoofdschuddend. Het illustreert perfect waarom de Habitatrichtlijn zo wringt. Hoe kun je een 'verslechteringsverbod' handhaven als de bronnen van verslechtering letterlijk in de huiskamer van de natuur liggen? De roep om versoepeling wordt verkocht als een reddingsboei voor onze industrie, maar milieu-economen waarschuwen voor een boemerangeffect. Elke euro die we in de natuur steken, krijgen we achtvoudig terug in de vorm van zuiver water en gezonde lucht. "Als je water en lucht niet zuiver zijn, de bodem verschraalt en de biodiversiteit verdwijnt, dan kost dat de economie ook geld," waarschuwt Bruyninckx. Zelfs de terugkeer van de otter, een prachtig symbool van hoop, verdoezelt niet dat de chemische vervuiling door PFAS en pesticiden onze doelen bijna onhaalbaar maakt. Moeten we de normen overboord gooien, of moeten we zorgen dat sectoren op een andere manier competitief blijven? Bruyninckx kiest resoluut voor het tweede. Bestaat er een uitweg? Het INBO suggereert een pragmatisme dat wél steunt op wetenschap: creëer grote, robuuste natuurkernen door versnipperde natuur te verbinden. "Als dat lukt, creëert dat misschien ruimte om iets soepeler om te springen met de regels in de gebiedjes die nu her en der verspreid liggen," merkt Vanden Borre op. Maar die ruil kan pas plaatsvinden als de natuurkernen eerst in topconditie zijn. De politieke roep om minder regels is een vlucht vooruit. Het is makkelijker om op Brussel te foeteren dan om de eigen ruimtelijke ordening fundamenteel te herdenken. Maar de natuur laat zich niet bedriegen door een decreet. Als we de industrie willen redden door de natuur op te offeren, eindigen we met geen van beide. Het is tijd voor een echt pragmatisme: eentje dat erkent dat een gezonde economie alleen kan bloeien op een gezonde bodem. Of zoals de experts zeggen: zonder biodiversiteit is er geen businessmodel. Foto' : Wim Verschraegen

‘Nergens in Europa is het slechter gesteld dan bij ons’: natuur in Vlaanderen krijgt slecht rapport

 ‘Nergens in Europa is het slechter gesteld dan bij ons’: natuur in Vlaanderen krijgt slecht rapport

Bron BBC/Silverback Films/Richard ShucksmithBBC/Silverback Films/Richard Shucksmith

Ondanks enkele succesverhalen is het met de Vlaamse natuur bedroevend gesteld.
Dat blijkt uit een nieuwe, zesjaarlijkse evaluatie door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).
Wat gaat goed, wat slecht, en hoe kan het beter?
‘We hebben vooral het laaghangend fruit geplukt.’

Wat goed gaat: de comeback van de boomkikker en zeearenden langs de Schelde




De boomkikker dankt zijn naam aan het feit dat hij de enige inheemse kikker is die in bomen en struiken klimt.
Dankzij grootschalig herstel van poelen waarin de beestjes zich voortplanten, en de heraanleg van hagen en houtkanten, klimt de soort ook terug uit het dal.
“De boomkikker heeft dankzij gerichte herstelmaatregelen een spectaculaire comeback gemaakt”, zegt Jeroen Vanden Borre (INBO).


Om de zes jaar moeten lidstaten aan de Europese Commissie rapporteren hoe het met hun natuur is gesteld.
Daarvoor wordt gekeken naar de staat van Europees beschermde dier- en plantensoorten en typische habitats, zoals natte heidegebieden of bos.


Uit de jongste evaluatie door het INBO blijkt dat ook typische bossoorten zoals spechten, de boommarter en verschillende vleermuizensoorten erop vooruitgaan.
Ze profiteren van een natuurlijker bosbeheer, waardoor meer bomen oud worden en er meer dood hout blijft liggen. “Bosbeleid van de voorbije decennia werpt zijn vruchten af”, zegt Vanden Borre.


Ook soorten zoals de lepelaar, de roerdomp en de woudaap − wel degelijk een vogel − zijn in opmars.
De fint, een vissoort die uit onze rivieren was verdwenen, zwemt opnieuw in groten getale in de Schelde rond.


Dat is te danken aan een verbeterde waterkwaliteit en natuurherstel in het kader van Sigmaplan, dat inzet op de aanleg van natuurlijke overstromingsgebieden in de Scheldevallei.
“We zien een enorme respons van de natuur”, zegt Lieven Nachtergale (Agentschap voor Natuur en Bos), die al ruim twintig jaar bij het project betrokken is.
“Er vliegen nu ook zeearenden langs de Schelde, en zelfs de otter is op een aantal plaatsen terug. Toen we dat in het begin als doel stelden, werden we gewoon uitgelachen.”


Om het overstromingsrisico te beperken, zet het Sigmaplan in op natuur om water bij hevige regenval langer op te houden, en het tijdelijk op te vangen bij te hoge waterstanden.
Aan de basis van het succes liggen volgens Nachtergale een aantal factoren. “Er was voor dit project een duidelijke langetermijnvisie waar consequent aan is gewerkt. Tijd en continuïteit zijn heel belangrijk.”


Om draagvlak te creëren is sterk ingezet op betrokkenheid van gemeentebesturen en landbouwers, van wie de gronden in overstromingsgebied zouden komen te liggen.
“Ik herinner mij hoe een schepen op een gemeenteraad een zak vuilnis voor onze neus leeggoot”, vertelt Nachtergale.
“Mensen vreesden dat meer ruimte geven aan de Schelde, toen nog een open riool, afval tot aan hun achterdeur zou brengen. Maar gaandeweg zagen ze in dat die nieuwe natuur kansen biedt.
Enkele van de heftigste tegenstanders van weleer baten nu een b&b uit of zijn natuurgids.”


Net als de otter profiteren de wolf en de bever ook van hun Europese beschermingsstatus. Soms kan natuurherstel vrij simpel zijn. “De wolf en de bever zijn niet erg veeleisende soorten”, zegt Diemer Vercayie (Natuurpunt). “Om die te laten terugkeren volstaat het al dat we ze niet langer massaal doden.”

Wat slecht gaat: de zwanenzang van de kwartelkoning en ‘crisis’ op het platteland

Ondanks enkele succesverhalen oogt het globale plaatje weinig rooskleurig. Van de 70 Europees beschermde dier- en plantensoorten zijn er 18 in een zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’.
Nog eens 18 soorten bevinden zich een ‘matig ongunstige’ staat, met 29 gaat het ronduit slecht.

Met de beschermde habitattypes is het niet veel beter gesteld. Van de 46 ecosystemen zijn er slechts 2 in gunstige staat, met 2 is het ‘matig ongunstig’ gesteld, met 40 ‘zeer ongunstig’.
“Nergens in Europa is het met de natuur slechter gesteld dan bij ons”, zegt Vercayie.


Tegenover de successen in beschermde gebieden en enkele succesvolle natuurherstelprojecten staat volgens de onderzoekers van INBO “een crisis in het cultuurlandschap”.
In het moderne landbouwlandschap, met nog weinig soortenrijke graslanden en houtkanten, vinden dieren te weinig schuilplaatsen en voedsel.
Waardevolle restjes natuur zijn te klein en te versnipperd, met een “zorgwekkende achteruitgang” van heel wat soorten tot gevolg.


Vogelsoorten als de kwartelkoning en het paapje zitten op een dieptepunt, net als veel andere typische akkervogelsoorten zoals de veldleeuwerik en de kievit.
De bunzing boert achteruit en de hamster − ooit zo alomtegenwoordig dat de beestjes werden bestreden − hapt naar zijn laatste adem.


Doordat we in Vlaanderen massaal rivieren hebben rechtgetrokken en tussen dijken opgesloten, en natte gronden hebben gedraineerd voor landbouw, is verdroging volgens de INBO-analyse een “sluipende crisis” voor de natuur, die nog in de hand wordt gewerkt door klimaatverandering.

Sinds 1960 is zo’n driekwart van onze natte natuur verdwenen.
Van typische habitats zoals veen, vochtige heide en graslanden blijft nauwelijks nog iets over.
Soorten zoals de heikikker en de groenknolorchis, een zeldzame orchideeënsoort, zijn in vrije val.


De dieren en planten die erop vooruitgaan zijn vaak soorten die in beschermde gebieden leven en waar je specifieke maatregelen voor kunt nemen, stelt bioloog Olivier Honnay (KU Leuven) vast.
“We hebben vooral het laaghangend fruit geplukt. Wat overblijft zijn de soorten en habitats die te lijden hebben onder stikstofdepositie, verdroging, versnippering en intensieve landbouw. Die problemen zijn veel moeilijker aan te pakken.”


Hoe het beter kan: nood aan robuuste natuur en scherpere keuzes

Om te vermijden dat soorten uit Vlaanderen verdwijnen, zijn volgens de INBO-experts dringend bijkomende maatregelen nodig.
Een deel van het probleem is dat veel natuurgebieden simpelweg te klein zijn om er gezonde populaties planten en dieren in stand te kunnen houden.
“Een gunstige staat van instandhouding zullen we voor veel soorten pas kunnen halen als we met grotere, robuustere stukken natuur kunnen werken”, zegt Vanden Borre. “In de huidige snippers zal dat niet lukken. Maar dat vraagt scherpere beleidskeuzes.”


Daarnaast moet ook buiten de beschermde gebieden de milieu- en natuurkwaliteit omhoog, onder meer door bemesting en het gebruik van pesticiden terug te dringen, en meer ruimte voor natuur te voorzien in het landbouwlandschap.

Al vreest Honnay dat dat voor heel wat soorten niet zal volstaan.
Een soort als de wilde hamster krijg je er niet bovenop met een houtkantje hier en ‘hamstervriendelijk’ perceeltje daar. “De eisen die sommige soorten stellen zijn simpelweg niet compatibel met onze moderne, hoogproductieve landbouw”, zegt de bioloog.
“Ook dat vraagt om duidelijke keuzes, waarbij we in bepaalde zones echt voorrang geven aan natuur, in andere aan landbouw.”


Het roept bij critici de vraag op of we in het dichtbevolkte Vlaanderen per se de groenknolorchis of de hamster in stand moeten houden. “Ik begrijp die reactie, maar het gaat niet alleen om die groenknolorchis of hamster”, zegt Vanden Borre. “Het zijn kanaries in de koolmijn, die aangeven hoe het met onze natuur gaat.”

De INBO-onderzoekers wijzen erop dat de natuur ons essentiële ecosysteemdiensten levert, zoals bescherming tegen weersextremen en de rol die bestuivers spelen in onze voedselvoorziening.
Dat argument gaat volgens Honnay echter slechts tot op zekere hoogte op. “Dat kan ook prima zonder die zeldzame en erg gespecialiseerde soorten.
Daar speelt vooral dat we als mens een ethische plicht hebben om die te behouden.”


Daarnaast is er natuurlijk ook een juridisch argument.
“De richtlijnen die ons verplichten die soorten te beschermen zijn democratisch aanvaard”, zegt Vanden Borre.
“We kunnen ook democratisch beslissen daarvan af te wijken. Al is dat niet wat ik als wetenchapper graag zou zien gebeuren.”


Sinds de goedkeuring van de Europese Natuurherstelwet tikt de klok nog iets harder: tegen 2030 moeten in 30 procent van de natuur in slechte staat de nodige maatregelen zijn genomen om die erbovenop te helpen.
Tegen 2040 is dat 60 procent, tegen 2050 90 procent. “Dat lijkt nog veraf, maar als je weet hoeveel tijd natuurherstel vergt, is dat morgen”, zegt Vanden Borre.


De mogelijkheden om aan natuurherstel te doen, zijn er zeker. Uit eerder onderzoek door het INBO bleek dat een kleine 150.000 hectare aan vernietigde natte natuur nog te herstellen valt.


Projecten vergelijkbaar met het Sigmaplan zijn aan de gang rond de Demer en de Dijle.
Wat in de Scheldevallei is gelukt, zou volgens Vercayie op veel meer plaatsen moeten worden uitgerold.
“We weten wat ons te doen staat”, zegt hij. “In grote delen van Vlaanderen moeten we weer ruimte geven aan rivieren en werken aan vernatting.
Dat is niet alleen goed voor de natuur, we wapenen onszelf er ook mee tegen droogte en wateroverlast. ”


Vercayie wijst erop dat heel wat maatregelen voor natuurherstel al jaren op de plank liggen, bijvoorbeeld om de Europese natuurkernen te versterken.
“Als het rapport één ding aantoont, dan wel dat het huidige beleid niet volstaat om ons uit de staart van het Europese peloton te halen.
 In plaats van de kop in het zand te steken, of te pleiten voor een afzwakking van de Europese regels, zouden we beter een stevige tand bijsteken.”

Foto's: De Morgen

Greenconnect: GroenRand bouwt aan een aaneengesloten natuur en een nieuwe strategische koers

Greenconnect: GroenRand bouwt aan een aaneengesloten natuur en een nieuwe strategische koers

Dit werkjaar staat bij GroenRand volledig in het teken van ons jaarthema Greenconnect. Hiermee leggen we de focus op het creëren van een aaneengesloten natuurnetwerk in de Voorkempen.
Natuurgebieden fungeren momenteel helaas nog te vaak als geïsoleerde eilanden.
Dit bemoeilijkt de overlevingskansen van lokale fauna en flora ernstig.
Zonder de mogelijkheid om zich te verplaatsen ligt genetische verarming en lokale uitsterving op de loer.
Door deze gebieden bewust te connecteren via ecotunnels, ecoducten en het herstel van houtkanten in landbouwgebied geven we de natuur de broodnodige ruimte om zich veilig te verplaatsen. Zo voorkomen we genetische isolatie.


Een dergelijke passage werkt echter pas echt wanneer dieren de weg ernaartoe vinden via een goede geleiding.
Denk hierbij aan schermen of strategisch geplante struiken of houtkanten die hen als een natuurlijke gids wegvangen van het gevaarlijke verkeer naar de veilige oversteekplaats.
Deze visie sluit naadloos aan bij de jarenlange inzet van GroenRand voor de Antitankgracht.
Wij beschouwen deze historische waterloop als de blauw-groene ruggengraat van onze regio.
Het is een cruciaal snoer dat dient als dierenautostrade om versnipperde gebieden zoals de Kalmthoutse Heide, het Groot Schietveld en het Klein Schietveld met elkaar te verbinden.
Deze ruggengraat koppelt watergebonden natuur aan omliggende bosgebieden en belangrijke beekvalleien zoals die van de Kaartse Beek, de Tappelbeek en de Zwanenbeek.
Bovendien vormt het een vitale link met de stroomgebieden van het Groot Schijn en het Klein Schijn.
Door deze blauwe waterwegen en groene bosstroken slim te combineren ontstaat een veerkrachtig netwerk dat de basis vormt voor de bredere klimaatgordel.
Dit systeem zorgt voor een natuurlijke migratie van soorten tussen de beekvalleien en de hoger gelegen heide- en bosgebieden.
Uit recent wetenschappelijk onderzoek naar de biodiversiteit op het Groot en Klein Schietveld blijkt echter hoe precair de situatie momenteel is.

Hoewel deze militaire domeinen een schatkamer zijn voor zeldzame soorten zoals de adder, de boomleeuwerik en diverse amfibieën tonen de data aan dat deze populaties gevangen zitten in een spreekwoordelijke groene gevangenis.
De omliggende wegenstructuur vormt een bijna onoverkomelijke barrière.
Zonder fysieke verbindingen met andere natuurkernen verzwakt de genetische basis van deze soorten met de dag.
GroenRand stelt hierbij vast dat de huidige inspanningen van de overheid nog niet volstaan. Hoewel het VAPEO (Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering) op papier mooie ambities formuleert blijft de realisatie op het terrein achter door een gebrek aan de nodige middelen. De noodzakelijke investeringen voor ecoducten en tunnels die het Schietveld moeten ontsluiten worden momenteel te vaak vooruitgeschoven. Het is voor de toekomst van onze biodiversiteit essentieel dat deze projecten de nodige prioriteit en harde budgettaire garanties krijgen zodat ontsnippering geen theoretisch concept blijft maar een praktijkgerichte oplossing wordt.
Wie zich dit jaar extra heeft ingezet voor dit netwerk wordt beloond met De Groene Duim tijdens een bijeenkomst op 1 april om 19.30 u in Malle.
Deze avond staat volledig in het teken van een boeiende infosessie over het belang van houtkanten.
Er wordt dieper ingegaan op de rijke historiek in onze regio en de onschatbare erfgoedwaarde van deze eeuwenoude landschapselementen.
Deze zijn essentieel voor de biodiversiteit en klimaatadaptatie. Noteer 1 april — en dat is geen grap — dus alvast in de agenda want meer details volgen snel op deze website.
Met deze sessie en nog twee komende wandelingen sluiten we de werking rond ons tienjarig bestaan feestelijk af.
Je ontvangt binnenkort alle verdere informatie over dit mooie slotstuk van onze feestelijke publiekswerking op deze website.

Dit einde markeert tevens een bewuste verschuiving in onze prioriteiten.
Eind mei ronden we onze huidige publieksactiviteiten zoals de klassieke wandelingen en lezingen af om onze volledige focus te kunnen richten op een cruciaal politiek dossier binnen het strategische project De Nieuwe Rand.
Op dat moment start namelijk de laatste inspraakronde over de klimaatgordel. Deze fase is allesbepalend voor het uiteindelijke voorkeursbesluit waarin de toekomst van onze natuurverbindingen definitief wordt bezegeld voor de komende decennia.
Juist omdat dit proces nu zijn finale fase ingaat verschuift onze rol naar die van een actieve ecologische kwaliteitsbewaker.
We gaan hierbij gericht gebruikmaken van de expertise en het netwerk van volksvertegenwoordigers om onze ecologische visie rechtstreeks op de politieke agenda te plaatsen.

Via gerichte parlementaire vragen aan de betrokken ministers bij de Vlaamse Overheid zullen we er nauwgezet op toezien dat het voorkeursbesluit niet alleen op papier bestaat maar ook daadwerkelijk op het terrein wordt uitgevoerd.
Daarbij bewaken we scherp dat er voldoende budgetten worden vrijgemaakt.
Zonder die financiële middelen blijven deze plannen immers een intentie en wij willen garanderen dat de beloofde klimaatgordel en de broodnodige ontsnippering ook echt worden gerealiseerd.
Dit is essentieel voor de weerbaarheid van de Voorkempen tegen hitte en wateroverlast.

Parallel aan deze strategische koers vormt de vernieuwde website van GroenRand een essentieel tweede spoor om de voeling met de streek en onze achterban te versterken.
We hebben de website-ervaring volledig vernieuwd en kozen daarbij bewust voor een stijlvol double-column format.
In plaats van kamerbrede lappen tekst stroomt de inhoud nu soepel van de linker- naar de rechterkolom.
Dit is vergelijkbaar met de vertrouwde opmaak van kranten en tijdschriften.
Deze kortere regellengte biedt visuele rust en zorgt ervoor dat je ogen moeiteloos het begin van een nieuwe zin vinden.
Hierdoor kun je de inhoud sneller en prettiger scannen. Tussen de kolommen door weven we de prachtige beelden van onze natuurfotografen.
Dit zijn visuele rustpunten die de natuur tot leven brengen op je scherm zonder de leesstroom te onderbreken.
Hoewel de berichtgeving na het vertrek van enkele redactieleden een tijdje was verwaterd maken we nu een enthousiaste doorstart. Met een reeks nieuwe schrijvers en twaalf kersverse redactieleden hebben we de draad weer stevig opgepakt.
Zij zijn onze voelsprieten in het veld en trakteren ons geregeld op verse beeldverslagen van unieke natuurverschijnselen of zeldzame planten.
Dat gaat van korte relazen over inspirerende wandelingen tot meldingen over lokale lezingen zodat we nauw verbonden blijven met alles wat er in ons projectgebied leeft.
Tot slot doen we een warme oproep aan al onze leden.
Momenteel werken we op twee fronten aan de toekomst van onze regio. Enerzijds zetten we onze schouders onder de realisatie van de klimaatgordel binnen het project De Nieuwe Rand.
Dit is een officieel en juridisch verankerd Complex Project waar overheden strikt rekening mee moeten houden bij de ruimtelijke inrichting van onze regio.
Het is dus geen vrijblijvende toekomstvisie maar een bindend document.
Anderzijds houden we jullie via onze vernieuwde website nauwgezet op de hoogte van alle ontwikkelingen.
Hoewel onze redactie momenteel succesvol en voldoende bemand is zoeken we nog enkele mensen die op een laagdrempelige manier de dossieropvolging mee willen ondersteunen.


Heb je zin om de vinger aan de pols te houden en samen met ons de toekomst van onze open ruimte te bewaken?
Laat het ons dan zeker weten.
Wie interesse heeft om als dossieropvolger aan de slag te gaan kan een chatberichtje sturen via de Facebookpagina van GroenRand. Samen maken we van de Voorkempen een verbonden en veerkrachtig natuurgebied voor de volgende generaties. Foto's: Ingrid Boumans

maandag 16 februari 2026

De mees: van gevederde acrobaat tot Wijnegems volkssymbool

 De mees: van gevederde acrobaat tot Wijnegems volkssymbool

Het is gisteren, zondag vijftien februari, en de wereld om je heen is veranderd in een gigantische, krakende suikertaart. Terwijl je door een dik pak sneeuw wandelt, besef je dat dit voor de vogels geen idyllisch plaatje is maar een bittere overlevingstocht.


In de struiken zie je plotseling een flits van geel en zwart tegen de witte achtergrond.
Daar zit hij dan: de koolmees.
Hij is de onbetwiste 'directeur' van de wintertuin en de kloekste van al onze mezen.


Met zijn lengte van 12 tot 15 centimeter is hij een flink maatje groter dan de pimpelmees.
Je kan je simpelweg niet vergissen!
Je ziet hoe hij zijn veren maximaal heeft opgebold tot een rond bolletje dons om de kostbare lichaamswarmte vast te houden.
Je herkent hem meteen aan zijn glanzend zwarte kopje en die iconische zwarte stropdas die parmantig over zijn gele buik loopt. Bij de vrouwtjes is dit dasje iets smaller en fijner afgetekend.
De juvenielen zijn wat saaier van kleur dan de volwassenen en hun stropdas is nog nagenoeg onbestaande.

Verder zie je zijn olijfgroene rug en de grijsblauwe staart en vleugels.
Zijn rechte, korte snavel is zwart en zijn poten zijn grijs.
Omdat de sneeuw de grond volledig bedekt, kan de koolmees niet scharrelen tussen de bladeren voor insecten, spinnen, larven of rupsen.
Hij kijkt je bijna vragend aan terwijl hij met zijn sterke grijze poten op een bevroren tak landt.
Ineens hoor je een helder ti-du, ti-du. Het is zijn bekende fietspomp-gezang, dat ook wel aan de sirene van een brandweerwagen doet denken.
Ondanks de vrieskou voelt hij de lengende dagen van midden februari en oefent hij alvast zijn indrukwekkende repertoire van maar liefst 40 verschillende noten voor de lente.

De manier van foerageren van de koolmees is fascinerend om te zien.
Normaal gesproken zoekt hij zijn eten op de grond door afgevallen bladeren opzij te duwen om diertjes op te pikken.
Daarna vliegt hij ermee naar een hoog plekje om zijn maaltje in alle rust op te peuzelen.
Vandaag moet hij zich echter met zijn stevige pootjes vastklampen aan de vetbollen van de Vogelbescherming om de kou te overleven. Wat verderop bij een bevroren beekje met rietstengels ontmoet je het kleine neefje: de pimpelmees.
Dit vinnige acrobaatje van amper 10 tot 12 centimeter draagt een prachtig helderblauw petje en een lichtgele borst.
Hij heeft geen zwarte stropdas maar een minder uitgesproken grijsblauwe streep die niet aansluit op zijn blauwige halsbandje. Heel opvallend zijn de witte wangen en het voorhoofd, onderbroken door een elegante, zwarte oogstreep.

Je ziet hem moeiteloos ondersteboven aan de dunste twijgjes hangen terwijl hij zoekt naar een verdwaalde larve in het riet, een waar buffet voor deze vogels.
Wanneer de koolmees te dichtbij komt, zet de pimpelmees de veertjes op zijn kruin dreigend overeind om groter te lijken tegenover zijn rivaal.
Zijn lied klinkt als een zilveren belletje dat vrolijk over de toonladder naar beneden tuimelt.

Terwijl je verder wandelt door de sneeuw, dwalen je gedachten af naar een merkwaardig schouwspel dat hier in andere tijden plaatsvindt.
Je denkt aan de Wijnegemse Mezevangers, een mannenvereniging die de herinnering aan een oude volkstraditie levend houdt.
In de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw was het mezenvangen een ware traditie in en rond Antwerpen en het Waasland.
Elk jaar in oktober trokken groepen in stoet en begeleid door muziek naar 'den buiten' om mezen te vangen die van Oost-Europa naar Noord-Afrika trokken.
De mezenvangers waren gekleed in een blauwe boerenkiel met een rood-witte bollekeszakdoek en gebruikten een uil als lokvogel en lijmstokken.

De vetste exemplaren werden opgegeten en de andere werden gekooid als zangvogel.
Hoewel het vangen al lang verleden tijd is, trekken de Mezevangers nog steeds elk jaar op de eerste zondag van oktober op pad in hun traditionele kledij met wandelstok.
Vrouwen vervoegen de groep enkel als muzikant. Het is een dag vol verbroedering die gepaard gaat met een traditioneel middagmaal van tomatensoep met balletjes, gekookte aardappelen met stoofvlees en savooi. In de avond volgen de boterhammen met kaas en kop of hoofdvlees.
In 2014 bestonden zij 150 jaar en voorzitter Vik Werrebroeck bundelde deze rijke historie in het boek '150 jaar Wijnegemse Mezevangers'.


Tijdens je wandeling in het diepere bos ontmoet je ook de rest van de familie die deze vijftien februari probeert te overleven.
De kuifmees heeft zijn naam niet gestolen en showt zijn spitse, driehoekige punkkuif vanuit een besneeuwde den.
Hij heeft een zwarte bef, een zwart halsbandje, een grijsbruine rug en een vuilwitte buik.

De bescheiden zwarte mees met zijn witte nekvlekje en witte wangvlek blijft hoog bovenin de boomtoppen.
Hij valt minder op door zijn grauwe kleuren en de twee fijne witte streepjes op zijn vleugels.
Dan scheert een groepje witte pluizenbolletjes voorbij: de staartmezen.
Met hun extreem lange, smalle, zwarte staart, wit kopje en piepklein snaveltje verplaatsen deze zenuwachtige vogeltjes zich graag in groep.
De zon zakt en de kou trekt aan op deze zondagavond.
Je ziet hoe de mezen zich voorbereiden op een zware nacht waarin ze wel 10% van hun gewicht kunnen verliezen.
Ze vliegen richting de nestkastjes van de Vogelbescherming of dichte hagen voor beschutting.
Thuisgekomen vul je de voederbakjes aan, want je weet nu dat deze kleine overlevers elk beetje hulp kunnen gebruiken om deze winter te verslaan. Foto's: Frank Vermeiren

zondag 15 februari 2026

Lentekriebels in het Molenbos: GroenRand heet acrobaten welkom

Lentekriebels in het Molenbos: GroenRand verwelkomt acrobaten

Het was zo’n ochtend waarop de winter nog in de schaduw van de bomen hing, maar de zon al die onmiskenbare, tintelende kracht had van een nieuw begin. Vandaag trok ik mijn wandelschoenen aan voor een tocht door het Molenbos in Malle, een prachtige plek waar de natuur zich van haar meest diverse kant laat zien.

Ik ben hier niet alleen, want ik ben op pad met de gedreven leden van GroenRand.
Je merkt aan alles dat dit hun vertrouwde werkingsgebied is.
Terwijl we over de krakende bospaden stappen, vertellen ze gepassioneerd over hun missie.
 Ze zetten zich elke dag in voor het beschermen van de lokale biodiversiteit en het herstellen van de ecologische verbindingen die zo cruciaal zijn voor deze regio.


Tijdens de wandeling vertelt een lid dat dit bos een bijzondere geschiedenis heeft als voormalig abdijbos.
Het was eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met de nabijgelegen Abdij van Westmalle.
De trappistenmonniken beheerden deze gronden met veel zorg voor hun houtvoorraad en brouwerij.
Ze lieten de natuur echter ook haar gang gaan op de nattere plekken.


Dit historische beheer heeft ervoor gezorgd dat het bos een unieke structuur behield die je op veel andere plaatsen in Vlaanderen kwijt bent.
Je wandelt hier letterlijk door de sporen van de monniken, van de oude statige dreven tot de handgegraven grachten die het waterpeil in balans moesten houden.
Vandaag de dag waakt GroenRand over dit erfgoed om te voorkomen dat deze groene long versnipperd raakt.


De wandeling situeerde zich voornamelijk in het bos en voor een klein gedeelte op weidegebied. De tocht begon onder het dichte en geruststellende bladerdek waar de geur van vochtige grond en ontwakend groen mijn longen vulde. De echte magie voltrok zich echter toen het bos zich opende en plaatsmaakte voor een gedeelte weidegebied. Wat een heerlijk moment was dit!

Het spotten van de eerste kieviten van het seizoen voelt hier als de ultieme start van de lente. Hun kenmerkende en bijna acrobatische baltsvluchten brengen direct een golf van optimisme met zich mee. Dat overduidelijke "kievit-kievit" of "peewit" klinkt werkelijk als muziek in de oren. Het is een prachtig gezicht om ze met hun brede en ronde vleugels boven de nog prille velden te zien buitelen als teken dat de natuur weer volop tot leven komt en de winter definitief achter ons ligt.

Dit vroege voorjaarsspektakel, waarbij de mannetjes met hun fraaie kuif alles uit de kast halen om indruk te maken, geeft direct weer die vertrouwde lentekriebels. Of ze nu stil op een kluitje in het weiland zitten of spectaculaire duikvluchten maken, hun aanwezigheid in het Voorkempens landschap is een iconisch beeld dat elk jaar opnieuw voor een glimlach zorgt.

De kievit slaat menig beginnend vogelspotter met verstomming en je herkent hem werkelijk uit de duizend. De waanzinnige looks van deze middelgrote vogel zijn uniek: hij is zo'n 28 tot 31 cm lang, wat vergelijkbaar is met het formaat van een duif. Hij heeft een schitterende donkergroene rug met een bronzen schittering die in de zon bijna metaalachtig oogt. Verder zie je een witte buik met een zwarte hals die uitloopt naar de borst en een overwegend witte kop met één of enkele zwarte strepen.

De lange, zwarte kuif op het achterhoofd – bij de mannetjes iets langer – is zijn absolute handelsmerk. Verder zie je afgeronde vleugels, rode onderstaartveren en rood-roze poten. Maar achter die pracht schuilt een drama, want deze kleurrijke vogel kwam vorig decennium helaas op de Vlaamse Rode Lijst met bedreigde soorten terecht. Het Vlaams platteland vormt een van zijn zeldzame toevluchtsoorden, maar veilig is hij hier allerminst.

Er zijn dan ook grote inspanningen nodig om de resterende kievitpopulatie te beschermen.

De kievit heeft het niet gemakkelijk gehad. Eind 19de en begin 20ste eeuw verdween zijn oorspronkelijke leefgebied, de natte moerassen, haast volledig door het droogleggen en draineren van gronden. Niet alleen de habitat verdween, maar ook het beschikbare voedsel bij droogte, aangezien wormen zich dieper in de grond gingen terugtrekken. De kievit verhuisde noodgedwongen richting weiden en akkers en leek zijn eigen populatie even te redden. Maar door de toenemende intensivering van de landbouw zit het dier nu opnieuw in de problemen. Dat komt omdat zijn behoefte aan permanent kort grasland of lege akkers niet meer vervuld wordt. Dit komt enerzijds doordat grasvlaktes worden omvormd tot graanakkers en anderzijds door de felle bemesting van weilanden. Die hoge begroeiing is ongeschikt om kievitkuikens in groot te brengen. Bovendien groeit het gras tegenwoordig zo snel dat maaimachines reeds verschijnen terwijl de kievit nog aan het broeden is. Ook een toename aan bestrijdingsmiddelen is nefast voor de kievit die steeds minder voedsel in de buurt van zijn woonst vindt. Gelukkig wordt er hard gewerkt aan herstel. Onder andere het Sigmaplan biedt door het herstellen van de oorspronkelijke habitat weer wat hoop. Ook lokale projecten voor nestbescherming helpen om de verliezen tijdens landbouwwerkzaamheden te beperken.
Tijdens onze observatie zie ik een kievit een ingenieuze truc toepassen. Hij eet vooral insecten, weekdieren, regenwormen en spinnen, met ter afwisseling af en toe wat zaden. Hij spoort bodemdieren op met ogen en oren, maar heeft ook een uitzonderlijke techniek om hen te lokken wanneer hij op het eerste gezicht niets vindt.

De vogel imiteert het geluid van de regen door zachtjes met zijn poten op de grond te 'tokkelen'. Met de belofte van water komen regenwormen naar het oppervlak gesneld, waar de kievit klaarstaat om toe te slaan. Ook in het water gaat hij gelijkaardig te werk om een reactie van zijn prooien uit te lokken. De kievit houdt van open ruimtes: in velden, moerassen, slikken en kwelders heeft hij het helemaal naar zijn zin.
Buiten het broedseizoen leeft hij in luidruchtige groepen die klinken als een vogelkoor. In de winter vinden de kolonies beschutting in bewerkte akkers, bijvoorbeeld in de ploegvoren gemaakt door landbouwmachines.

Vanaf de maand maart begint het broedseizoen en verspreiden de vogels zich in de omgeving om koppels te vormen. Met een acrobatische luchtvoorstelling bakent het mannetje zijn territorium af en lonkt hij luid roepend naar de vrouwtjes. Hij graaft enkele nestkommen uit die hij versiert met grassprieten, waarna hij met opgepompte borstkas een vrouwtje begint te achtervolgen. Hij vliegt eerst laag over de grond, dan haast recht omhoog, laat zich vallen en draait onderweg links, rechts, soms volledig om zijn lengteas. Zo toont hij zijn mooie, wit gevlekte onderkant aan iedereen die het zien wil. Een geboren verleider! Zodra er op zijn avances ingegaan wordt, vindt de paring plaats. Binnen letterlijk enkele seconden is de klus geklaard. Het vrouwtje legt een viertal eieren. Als het legsel mislukt door bijvoorbeeld een vroege maaibeurt, komt er soms een tweede legsel.

Gedurende 25 tot 30 dagen broeden de ouders beurtelings de eieren uit. Het mannetje gedraagt zich als een echte 'champetter' en jaagt indringers actief weg of doet alsof hij gewond is om roofdieren te bedotten en weg te lokken van het nest. Wanneer de kuikens uitkomen, zijn ze bedekt met een beige donslaagje met zwarte vlekken. Het zijn nestvlieders die binnen enkele uren reeds het nest verlaten. Bij gevaar drukken ze zich plat tegen de grond en profiteren ze van hun camouflage. Na slechts 5 weken kunnen ze vliegen en voor zichzelf zorgen.
De leden van GroenRand vertellen me echter dat de kievit niet de enige schat is van dit gebied. Terwijl we terug het bos in wandelen, wijzen ze me op de enorme plantenrijkdom op de bosbodem. Het Molenbos staat bekend om zijn typische voorjaarsflora. Binnenkort veranderen de holle wegen en bosranden in een wit tapijt van bosanemonen.

Ook het zeldzame dalkruid en de elegante salomonszegel voelen zich hier thuis dankzij de eeuwenoude, ongestoorde bosgrond. In de nattere delen rond het oude Zandven groeit de aronskelk met zijn opvallende bloeivorm. Deze planten zijn stille getuigen van een gezond bosecosysteem. Onder de statige kruinen leeft ook de boommarter.

Dit behendige roofdier is een ware acrobaat in de bomen en heeft hier de rust gevonden die hij elders in Vlaanderen zo vaak moet missen. Plotseling weerklinkt er een krachtig, bijna lachend geluid van de zwarte specht.


Deze grootste specht van Europa is een icoon van dit gebied.
Hij hakt enorme holen in de dikke stammen die later weer als kraamkliniek dienen voor andere bosbewoners zoals de kauw.
Ook de middelste bonte specht en de mysterieuze wespendief kiezen dit landschap vaak uit als broedplaats.


Zelfs de indrukwekkende oehoe is in deze groene gordel al gespot.
Ook de rebevolking is hier gezond en stabiel.
Tijdens de schemering zie je ze vaak grazen op de overgang tussen het bos en de weiden.
Het is precies deze overgangszone die door GroenRand zo vurig wordt beschermd tegen versnippering.
Toen we na onze boeiende tocht weer bij het startpunt aankwamen, voelde ik me een bevoorrecht mens. De kievit is een iconisch beeld dat elk jaar opnieuw voor een glimlach zorgt. Dankzij de onvermoeibare inzet van de mensen bij GroenRand, die waken over dit historisch trappistenerfgoed en de kwetsbare natuur, kunnen we dit spektakel in Malle blijven bewonderen. De kievit is terug en daarmee ook dat heerlijke lentegevoel. Het besef dat dit bos al eeuwenlang een schuiloord is voor zowel monniken als zeldzame dieren, maakt mijn wandeling van vandaag werkelijk onvergetelijk. Foto's - bos: © Rodrik Steverlynck, boommarter: Karel De Blick, andere foto's Frank Vermeiren

De zoutrevolutie: hoe een Chinese doorbraak de wereld van elektrisch rijden volledig verandert

De zoutrevolutie: waarom een Chinese doorbraak de wereld van elektrisch rijden op zijn kop zet

De elektrische revolutie bevindt zich op een cruciaal kantelpunt, waarbij de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame mobiliteit niet langer wordt afgeremd door politieke onwil, maar door de fundamentele wetten van de chemie en de economie.
De huidige generatie elektrische voertuigen leunt nagenoeg volledig op lithium-ion technologie, een systeem waarbij lithium-ionen als energiedragers fungeren.
Hoewel lithium uiterst efficiënt is vanwege zijn lage atoommassa en hoge energiedichtheid, kleven er aanzienlijke nadelen aan: het materiaal is schaars, de winning is ecologisch belastend en de prijs is onderhevig aan geopolitieke spanningen.
De recente doorbraak uit China, waarbij natrium-ion batterijen — ook wel zoutbatterijen genoemd — op commerciële schaal worden geproduceerd, markeert daarom een historisch moment in de energietransitie.
De wetenschappelijke kern van deze innovatie ligt in het periodiek systeem der elementen.
Natrium bevindt zich direct onder lithium en deelt veel chemische eigenschappen, maar met één cruciaal verschil: natriumatomen zijn aanzienlijk groter.
Jarenlang vormde dit een onoverkomelijk probleem, omdat deze grotere ionen de interne structuur van de batterijpolen letterlijk kapot drukten tijdens het laden en ontladen.
Chinese onderzoekers hebben dit opgelost door de traditionele grafiet-anodes te vervangen door 'hard carbon', een amorf materiaal met grotere tussenruimtes waarin de robuuste natrium-ionen zich vrij kunnen bewegen.
Hierdoor ontstaat een batterij die niet alleen duizenden cycli meegaat, maar ook veel minder gevoelig is voor thermische instabiliteit.
Waar lithium-batterijen bij beschadiging of oververhitting een risico op brand vormen, is de chemie van natrium inherent stabieler en veiliger.
Naast de technische stabiliteit biedt de zoutbatterij een enorme verademing voor de natuur en onze ecosystemen.
De winning van lithium is momenteel een ecologische wond; voor de productie van één ton lithium is vaak tot twee miljoen liter water nodig, wat in droge gebieden leidt tot uitgeputte waterreserves en verlies van biodiversiteit.
Natrium kan daarentegen op een veel vriendelijkere manier uit zeewater of overvloedige zoutvoorraden worden gewonnen, zonder de lokale waterbalans te verstoren.
Bovendien maakt de zoutbatterij een einde aan de afhankelijkheid van giftige en schaarse metalen zoals kobalt en nikkel.
De extractie van deze metalen gaat vaak gepaard met zware milieuvervuiling en ethisch dubieuze mijnbouw.
Door over te stappen op natrium wordt de ecologische voetafdruk van de grondstoffenwinning met ruim de helft verlaagd, mede omdat schaars koper in de batterij vervangen kan worden door het gemakkelijker recyclebare aluminium.
Deze milieuwinst zet zich door tot aan het einde van de levenscyclus van de auto.
Door hun stabiele chemische samenstelling zijn zoutbatterijen aanzienlijk eenvoudiger en veiliger te recyclen dan hun lithium-tegenhangers.
Ze zijn voor bijna 98% recyclebaar, waarbij materialen efficiënt kunnen worden teruggewonnen zonder de complexe en vervuilende chemische procedures die nodig zijn om lithium-ion cellen te ontleden.
Ook tijdens het productieproces zelf wordt energie bespaard; omdat natrium-ionen bij lagere temperaturen verwerkt kunnen worden, is de co2-uitstoot tijdens de fabricage lager.
Hierdoor verlaat de auto de fabriek met een aanzienlijk kleinere milieuschuld.
Hoewel de energiedichtheid van natrium-ion batterijen op dit moment nog lager ligt dan die van de meest geavanceerde lithium-cellen, is de impact op de massamarkt onmiskenbaar.
Voor de gemiddelde stadsauto of de compacte gezinswagen, waarbij een actieradius van driehonderd kilometer volstaat, biedt zout een economisch en ecologisch superieur alternatief.
Door de productiekosten van het batterijpakket met wel veertig procent te verlagen, verdwijnt de noodzaak voor overheidssubsidies om de elektrische auto competitief te maken. We kijken hier niet naar een niche-innovatie, maar naar de democratisering van schone energie.
De zoutbatterij bewijst dat de meest effectieve oplossingen voor de toekomst verborgen liggen in de meest alledaagse stoffen, en met deze Chinese doorbraak is de weg vrijgemaakt voor een betaalbare en werkelijk duurzame toekomst voor iedereen.
De transitie naar de zoutbatterij markeert een cruciaal kantelpunt voor de bescherming van onze wereldwijde ecosystemen, aangezien deze technologie de destructieve ecologische voetafdruk van de huidige batterijproductie radicaal verkleint. Waar de traditionele winning van lithium een ware aanslag is op de natuur – met een verbruik van miljoenen liters water in kurkdroge gebieden zoals de Andes – spaart de natrium-ion technologie onze kostbare waterreserves.
In deze kwetsbare regio’s leidt de huidige mijnbouw tot het uitdrogen van zoutmeren en het verdwijnen van unieke habitats voor zeldzame flora en fauna, terwijl natrium op een duurzame manier uit zeewater of overvloedige zoutvoorraden kan worden gewonnen zonder de lokale waterbalans te verstoren.
Bovendien maakt de zoutbatterij een einde aan de afhankelijkheid van giftige zware metalen zoals kobalt en nikkel, waarvan de extractie vaak gepaard gaat met grootschalige bodemvervuiling en de vernietiging van uitgestrekte natuurgebieden.
Door gebruik te maken van niet-toxische en overvloedig aanwezige componenten, wordt het risico op chemische lekkages naar het grondwater tot een minimum beperkt.
Aan het einde van de levenscyclus biedt de zoutbatterij bovendien een superieur ecologisch profiel; door de stabiele chemische samenstelling is de accu voor bijna 98% recyclebaar zonder de noodzaak voor vervuilende procedures.
Hierdoor transformeren we de elektrische auto van een voertuig met een zware ecologische schuld naar een product dat werkelijk in harmonie is met de circulaire economie en de herstellende kracht van de natuur.
Foto:Calt

De klimaatgordel onder druk: GroenRand en de dringende nood aan ontsnippering van de Antwerpse rand

De Klimaatgordel onder druk: GroenRand en de urgente ontsnippering van de Antwerpse rand

In het dichtbebouwde Vlaanderen vormt habitatfragmentatie de fundamentele oorzaak van de hoge sterfte onder wilde dieren en de snelle achteruitgang van de biodiversiteit.
Als een van de meest versnipperde regio's van Europa wordt onze natuur opgebroken in kleine "eilandjes" door een web van bebouwing en asfalt, waarbij een dier gemiddeld om de 300 meter een fysieke weg tegenkomt.

Deze versnippering dwingt fauna tot gevaarlijke verplaatsingen voor voedsel, schuilplaatsen of voortplanting, wat leidt tot een tragische balans waarbij de grootste tol wordt geëist door het verkeer.
Met naar schatting 5 miljoen wegslachtoffers per jaar — zo’n 14.000 per dag — is de impact van ons wegennetwerk op soorten zoals amfibieën en egels immens.

Direct daarna volgt de impact van predatie door de naar schatting twee miljoen huiskatten in Vlaanderen, die jaarlijks tussen de 2 en 5 miljoen vogels en kleine zoogdieren doden.
Daarnaast vallen er jaarlijks 1 tot 2 miljoen slachtoffers door raambotsingen, een onderschat probleem in onze versteende omgeving waar glasarchitectuur een onzichtbare muur vormt voor migrerende vogels.

Vooral trekvogels worden door lichtvervuiling uit hun koers gelokt, wat lichtvervuiling tot een gedragsmatige barrière maakt: nachtdieren zoals vleermuizen durven verlichte wegen niet over te steken, waardoor hun leefgebied nog verder krimpt.
Hoewel deze directe sterftecijfers schokkend zijn, veroorzaakt habitatfragmentatie een dieper en structureler probleem: genetische isolatie.
Wetenschappelijk gezien spreken we hier over het doorbreken van de metapopulatie-structuur.

In een natuurlijk landschap vormen verschillende lokale groepen dieren één grote, verbonden populatie.
Wanneer wegen deze verbindingen doorsnijden, ontstaat het "eiland-effect".
De genetische variatie — de biologische gereedschapskist om aan te passen aan ziekten of klimaatverandering — wordt steeds kleiner.
Zonder "vers bloed" van buitenaf treedt er onvermijdelijk genetische drift en inteelt op.
Dit proces, waarbij schadelijke mutaties zich opstapelen door voortplanting tussen verwante individuen, maakt nageslacht zwakker, minder vruchtbaar en vatbaarder voor afwijkingen. Biologen vergelijken dit met een kopieermachine die een kopie van een kopie maakt.
Uiteindelijk wordt de genetische blauwdruk onleesbaar.

Hierdoor ontstaat een extinctie-schuld: populaties lijken nog te bestaan, maar zijn biologisch al gedoemd tot uitsterven omdat hun voortplantingssucces onder de kritieke grens is gezakt.
Dit proces wordt verergerd door de stikstofcrisis, waarbij een overmaat aan stikstof zorgt voor vergrassing en het verdwijnen van waardplanten voor insecten, wat de volledige voedselketen doet instorten.
Deze crisis strekt zich uit tot de "blauwe" versnippering, waarbij de Antitankgracht fungeert als de cruciale maar bedreigde levensader van de Voorkempen.
Als een robuuste drager verbindt deze gracht meer dan vijftien natuurgebieden, maar de werking ervan wordt gesmoord door barrières en een gebrekkige waterkwaliteit.
Vlaanderen scoort historisch slecht op de Europese Kaderrichtlijn Water; bijna geen enkele waterloop behaalt de status "goed" door eutrofiëring en chemische vervuiling door pesticiden.

Voor amfibieën en vissen is dit fataal. Zij raken geïsoleerd in vervuilde secties van de gracht.
Voor de otter is de situatie eveneens kritiek: bij hoog water durven zij niet door de duikers onder wegen, waardoor ze de rijbaan opklimmen met fatale gevolgen.
Loopplanken onder bruggen en nieuwe ecotunnels op de kruispunten van de Antitankgracht zijn de enige wetenschappelijk onderbouwde oplossingen, maar de realisatie hiervan blijft vaak uit door budgettaire obstructies en eindeloze studiefases.
De vogelstand in Vlaanderen fungeert als de ultieme graadmeter voor deze systeemcrisis.

Soorten zoals de Patrijs, de Grauwe Gors en de Kerkuil zijn in grote delen van Vlaanderen nagenoeg uitgestorven door een combinatie van habitatverlies en de insectencrisis.
Zelfs de boomkikker leeft momenteel in een toestand van "natuurlijke intensive care": hij overleeft enkel omdat de mens constant nieuwe poelen graaft, maar zonder verbonden corridors langs structuren als de Antitankgracht blijven deze groepen genetisch geïsoleerd.

Vaak wordt ontsnippering gezien als een dure hobby, maar wildaanrijdingen veroorzaken jaarlijks miljoenen euro's aan materiële schade.
Een ecoduct verdient zichzelf terug door het vermijden van zware ongevallen.
In dit complexe dossier is de vereniging GroenRand uitgegroeid tot de centrale kracht die dit thema op de politieke kaart houdt.
Zij wijzen consequent op de problematiek van het "studie-infarct": de neiging van de Vlaamse overheid om miljoenen te investeren in dure ontwerponderzoeken, zoals de Antwerpse Klimaatgordel, terwijl het budget voor de effectieve uitvoering op het terrein uitblijft.


GroenRand stelt terecht dat biodiversiteit niet herstelt van een prachtig PDF-rapport, maar van de fysieke bouw van ecoducten en het zuiveren van waterlopen.
Terwijl miljarden naar infrastructuur vloeien, blijft het budget voor ontsnippering via het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) beperkt.
Voor de Antitankgracht betekent dit dat zij wel als "prioritair" op papier staat, maar dat de uitvoering voor de periode 2026-2031 onzeker blijft door politieke prioritering van asfalt boven natuur.
De politieke discussie voor de komende jaren bevindt zich in een kritiek spanningsveld.

Hoewel de wetenschappelijke noodzaak door het INBO uitvoerig is gedocumenteerd, staat er een duidelijke budgettaire rem op de plannen.
GroenRand waarschuwt dat dit uitstel fataal kan zijn. De genetische klok doortikt onverbiddelijk.
De Europese Natuurherstelwet dwingt Vlaanderen om tegen 2030 de biodiversiteit structureel te herstellen.
Zonder een substantiële verhoging van de budgetten dreigt onze natuur een verzameling geïsoleerde "levende kerkhoven" te blijven. De rol van burgercollectieven zoals GroenRand blijft essentieel om te eisen dat ontsnippering een integraal onderdeel wordt van elk mobiliteitsplan.
Er is nood aan een verschuiving van "papieren natuur" naar tastbare resultaten.
Alleen door deze dodelijke barrières structureel te doorbreken via tunnels en ecoducten — de zogenaamde "huwelijksbootjes" voor genetische uitwisseling — kan de biologische veerkracht van de Vlaamse natuur voor de toekomst worden veiliggesteld.
Foto's: Wim Verschraegen en Frank Vermeiren - medewerkers van Onze GroenRand-natuur