dinsdag 14 april 2026

De groene ambitie van GroenRand: de transformatie van vliegveld Malle tot een ecologisch erfgoedlandschap

De groene droom van GroenRand: het omvormen van vliegveld Malle tot een prachtig ecologisch erfgoedlandschap


In 2019 zette de Vlaamse regering een historische stap voor de toekomst van de Antwerpse Kempen met de officiële opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) ‘omgeving vliegveld Malle’.


Dit omvangrijke dossier, dat op 31 januari 2020 definitief werd vastgesteld, was het antwoord op een jarenlange periode van onzekerheid over de bestemming van de voormalige militaire gronden.
Het was immers al geruime tijd geweten dat het Belgisch leger het voormalige NAVO-reservevliegveld met de ICAO-code EBZR definitief wilde verkopen aan civiele instanties.
De strategische waarde die het terrein had tijdens de Koude Oorlog – als cruciale uitwijkbasis voor geallieerde straaljagers, aangelegd tussen 1952 en 1955 op het hoogtepunt van de nucleaire dreiging – maakte plaats voor een prangende ecologische discussie.
Natuurvereniging GroenRand uitte herhaaldelijk haar diepe bezorgdheid over de toekomst van het gebied, waarbij diverse verontrustende doemscenario’s de ronde deden in de lokale gemeenschap.
Er werd destijds openlijk gevreesd voor grootschalige industriële ontwikkelingen of zelfs de volledige verhuizing van de commerciële luchthaven van Deurne naar de rustige gemeente Oostmalle.


Zulke plannen zouden de leefbaarheid en de stilte van de hele Voorkempen definitief onder druk hebben gezet, wat leidde tot een krachtig pleidooi voor natuurbehoud.
Het belang van dit dossier kan nauwelijks overschat worden, aangezien het hele plangebied meer dan 600 hectare beslaat, een aaneengesloten open ruimte die in het dichtbevolkte Vlaanderen een absolute zeldzaamheid is.
De overheid erkende deze waarde door het gebied officieel aan te duiden als ‘erfgoedlandschap’, waarbij de focus ligt op het behoud van de aanwezige landschaps- en erfgoedwaarden.
Het project verbindt drie uiterst waardevolle gebieden uit de vastgestelde landschapsatlas: het bos- en landbouwgebied ‘Herenbos, Heihuizen en Zalfen’, het natuurgebied ‘Zalfens Gebroekt’ en de bossen rond ‘domein Blommerschot’.


In juni 2022 werd een nieuwe mijlpaal bereikt toen het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) officieel eigenaar werd van ongeveer 170 hectare van het voormalig militair vliegveld voor circa 2,4 miljoen euro.
De resterende 42 hectare kwamen in handen van watermaatschappij Pidpa, die de ondergrondse waterreserves in het gebied beheert en beschermt voor de regionale drinkwatervoorziening.
Voor GroenRand opende dit de deur naar een nog ambitieuzer plan om een robuuste natuurverbinding te realiseren tussen de Antitankgracht, het Zoerselbos en het Vliegveld Malle onder de noemer 'Greenconnect'.
Dit project beoogt de biodiversiteit in de Voorkempen te versterken door versnipperde leefgebieden weer met elkaar te verbinden tot een gigantisch groen lint voor migrerende diersoorten.
De transformatie van deze militaire buitenpost naar een volwaardig natuurgebied is inmiddels in een stroomversnelling geraakt onder impuls van de Blue Deal van de Vlaamse overheid.
Een cruciaal onderdeel hiervan was de grootschalige ontharding die in 2023 startte en waarbij meer dan 80.000 vierkante meter aan onnodige verharding wordt weggehaald.


Na het strippen van vijftien militaire gebouwen en het opbreken van de enorme landingsbaan van bijna drie kilometer, werd intussen al 60% van het totale volume beton afgevoerd.
De technische uitvoering was uiterst doordacht; aannemer Stadsbader slaagde erin de blauwe grindlaag en zuivere keien onder het asfalt volledig te scheiden in verschillende fracties.
Dit materiaal werd niet gestort als afval, maar als hoogwaardige grondstof afgevoerd naar de Oosterweelwerken in Antwerpen, wat het project een sterk circulair karakter geeft.
Parallel aan deze werken werden alle aanwezige gevaarlijke stoffen, inclusief asbest uit de oude militaire loodsen, door gespecialiseerde firma’s op een veilige manier verwijderd.


Het meest opvallende werk binnen de herinrichting is ongetwijfeld het herstel van het oorspronkelijke stuifduinlandschap, een ingreep die een historische fout uit de jaren 50 rechtzet.


Bij de oorspronkelijke aanleg van het vliegveld werden hoge landduinen in het oosten, lokaal bekend als ‘De Bergen’ of ‘Les Montagnes’, bruut afgegraven voor de aanleg van banen.




Vandaag is dit proces omgekeerd en is meer dan 16 hectare aan duinzand met zware machines teruggebracht naar de oostzijde om het historische reliëf te herstellen.


Dit is van onschatbare waarde, aangezien open stuifduinen in de Kempen bijna volledig verdwenen zijn door bebossing en intensieve ontginning in de vorige eeuw.
Dit nieuwe duinlandschap biedt een uniek leefgebied aan uiterst zeldzame soorten loopkevers, wilde bijen en spinnen die specifiek afhankelijk zijn van pioniersvegetatie.
Boswachter Werner Van Hove koestert een oude postkaart van honderd jaar geleden die exact deze plek toont onder de naam ‘De Bergen/Les Montagnes, Oostmalle’.
Ook de nabijgelegen Bruulbergen, waar vroeger motorcrosswedstrijden plaatsvonden, maken deel uit van deze grotere landschappelijke context waarin natuurlijke dynamiek weer de bovenhand krijgt.
Ondanks de grote vorderingen blijft de toekomst van de publieke toegankelijkheid een punt van nauwgezet overleg tussen alle betrokken partners.
Hoewel er aanvankelijk sprake was van de aanleg van een kijkheuvel voor bezoekers, is besloten deze na bezwaren over mogelijke verstoring niet te realiseren.
De gedeeltelijke openstelling voor het publiek wordt momenteel voorbereid, waarbij wandelpaden zorgvuldig worden ingetekend om de meest kwetsbare zones te ontzien.
Er moet immers rekening worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften van het vliegveld dat tijdens weekends nog steeds operationeel blijft voor zweefvliegers.


Daarnaast is de noodzakelijke rust voor zeldzame vogels zoals de nachtzwaluw en de boomleeuwerik een topprioriteit voor het Agentschap Natuur en Bos.


Er is voortdurend overleg nodig met de omliggende private eigenaars, natuurvereniging Natuurpunt en de gemeentebesturen van Malle en Zoersel om alles vlot te laten verlopen.
Ook de interactie tussen natuur en landbouw blijft een actueel thema, zoals bleek uit het recente alarm van de Boerenbond over een beverdam nabij Wechelderzande.
Deze beverdam bevindt zich op het privédomein Duinoord en werd onlangs door de provincie afgetopt om de waterstand op de weilanden te reguleren.
Voorlopig is het aan de wind en de regen om de nieuw aangelegde landduinen verder te boetseren tot een natuurlijke wildernis.
De transformatie van een gesloten militaire basis naar een open en toegankelijk natuurwonder in de Kempen is hiermee bijna voltooi

Solastalgie in de vallei: waarom Glenns pen de enige echte realiteitszin brengt

Solastalgie in de vallei: waarom Glenns pen de ware realiteitszin vangt


De column “Ecofundamentalisme is ook fundamentalisme” van gedeputeerde Jinnih Beels in Landbouwleven vormt het startpunt van een diepgaand debat over de hiërarchie tussen mens en natuur in Vlaanderen.
In haar betoog trekt de gedeputeerde een provocerende parallel tussen ecologisch activisme en religieus of politiek fundamentalisme door te stellen dat beide stromingen hun morele gelijk boven de maatschappelijke realiteit plaatsen.


Zij stelt dat de bezorgdheid voor de bever en de planeet voortkomt uit een wereldvreemde en sociaal blinde elite die de menselijke behoeften reduceert tot iets wat inferieur is aan de fauna en flora.
Zij bekritiseert hierin burgers en activisten die volgens haar een groene droom nastreven ten koste van de werkende mens en de landbouwsector.


Glenn Solastalgie, de vaste columnist voor de websitereeks van natuurvereniging GroenRand, fungeert hierbij als de kritische stem die de teloorgang van het landschap in de Voorkempen scherp aankaart.
Zijn symbolische naam is een direct eerbetoon aan filosoof Glenn Albrecht, de bedenker van de term voor de emotionele pijn door natuurverlies, terwijl zijn voornaam afstamt van het Keltische woord voor vallei.


Als deze "man van het dal" pleit hij voor natuurherstel door de natuurlijke verbindingen te herstellen in valleien zoals de Kaartse Beek, de Laarse Beek en het Groot en Klein Schijn.
De Antitankgracht fungeert hierbij als de cruciale verbindende drager die deze verschillende natuurgebieden in de regio met elkaar verknoopt.


Vanuit zijn diepe verbondenheid met de bodem kondigt hij aan dat GroenRand stopt met haar belevingsactiviteiten en de "Groene Duim" definitief vervangt door de "Pen van Glenn".
Met deze pen gaat hij voortaan volksvertegenwoordigers aanschrijven, want wie rake artikels schrijft of schriftelijke parlementaire vragen stelt, komt voortaan in aanmerking voor een pen die "Glenn-waardig" is.


Tegenover de politieke stellingname van Beels plaatst hij de wetenschappelijke vaststelling van de Planetary Health Check dat de mensheid reeds zeven van de negen planetaire grenzen heeft doorbroken door een focus op louter menselijke belangen.
De vrees dat de mens niet langer centraal staat wordt genuanceerd door het feit dat de menselijke soort nagenoeg elk ecosysteem op aarde heeft getransformeerd naar eigen nut.


De dominante positie van de mens blijkt uit de slachtstatistieken van Statbel die voor februari 2026 alleen al 24.647.161 geslachte dieren in België rapporteren.
In 2025 werd met 315,6 miljoen geslachte kippen in België een nieuw historisch record bereikt wat de antropocentrische aard van het huidige systeem illustreert.
Jaarlijks worden er wereldwijd meer dan 85 miljard landdieren gefokt en gedood voor menselijke consumptie wat de feitelijke superioriteit van menselijke belangen over dierlijk leven bevestigt.


Wanneer de gedeputeerde pleit voor empathie door te stellen dat op een groene aarde ook mensen moeten leven gaat zij voorbij aan het feit dat menselijke welvaart direct afhankelijk is van een functionerend ecosysteem.
De terugkeer van de bever in de provincie Antwerpen is juridisch verankerd in de Europese Habitatrichtlijn en het Vlaamse Soortenbesluit wat een willekeurige eliminatie wettelijk verbiedt.


In de provincie Antwerpen is de beverpopulatie gegroeid tot 29 burchten en bijna 500 locaties met dammen nabij provinciale waterlopen wat voor meer dan 100.000 euro aan beheerkosten zorgt.
Het aantal beverwaarnemingen in België steeg van 1.243 in 2015 naar 5.847 in 2025 wat de toegenomen kans op frictie met landbouwgebieden verklaart.
Het bindende Soortenbeschermingsprogramma (SBP) Bever uit 2024 biedt een objectief antwoord op de overlast door middel van een escalatieladder die start bij preventieve technische ingrepen zoals beverpijpen.
Dit programma verplicht een aanpak waarbij preventieve maatregelen zoals rasters of buizen altijd moeten voorafgaan aan ingrepen op de dammen of de dieren zelf.


Het SBP bevat een algemene afwijking voor waterbeheerders om buiten natuurgebieden sneller dammen te verwijderen bij economische risico's maar handhaaft een strikt verbod op het doden van deze beschermde soort.


De zogenaamde "Bevermatrix" bepaalt dat schadevergoedingen enkel mogelijk zijn wanneer preventieve maatregelen zijn genomen en er effectieve schade aan gewassen of infrastructuur is bewezen.
De door Beels bekritiseerde "ecofundamentalisten" voeren aan dat de huidige ecologische ravage op termijn vooral de sociaal meest kwetsbaren zal raken die niet over de middelen beschikken om zich aan een uitgeputte planeet aan te passen.


Zij stellen dat empathie juist betekent dat men verder kijkt dan het directe ongemak van een overstroomde akker en de fundamentele waarde van biodiversiteit voor toekomstige generaties erkent.
De beschuldiging van populisme ontstaat wanneer complexe ecologische vraagstukken worden gereduceerd tot een strijd tussen een "elite" en de "gewone man" terwijl biodiversiteitsverlies een universele dreiging is.
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) rapporteert dat 75 procent van de beschermde habitats in Vlaanderen in ongunstige staat verkeert wat natuurbehoud boven lokale politieke wensen plaatst.
Een objectieve oplossing voor het beverconflict vereist het loslaten van ideologische vijandbeelden en het consequent uitvoeren van de vastgestelde beheerplannen.


Uitspraken die pleiten voor directe eliminatie buiten deze protocollen om botsen direct met de Europese regelgeving en de wetenschappelijke consensus over de staat van onze planeet.
De naam van Glenn belichaamt de pijn die ontstaat wanneer een vertrouwde natuurlijke omgeving onherstelbaar wordt beschadigd door politieke onwil of kortzichtigheid.
De ultieme realiteitszin ligt in het besef dat een gezonde economie onmogelijk is op een ecologisch failliete planeet waar de grenzen van de natuur structureel worden genegeerd.

De tjiftjaf in de Voorkempen door de lens van François Eennaes

De tjiftjaf in de Voorkempen, vastgelegd door de lens van François Eennaes.

Het is een kleine zangvogel die vooral bekend is door zijn roep, die klinkt als “tjif-tjaf”.
Je hoort hem vaak in bossen en tuinen, vooral in het voorjaar en de zomer.
Hij is bruin-groen van kleur en lijkt een beetje op andere kleine zangers, maar zijn geluid maakt hem makkelijk herkenbaar.
Hoewel dit vogeltje met zijn bescheiden formaat nauwelijks opvalt tussen het jonge blad, is zijn aanwezigheid door zijn niet-aflatende zang dominant.


Het is vandaag 14 april en dat betekent dat de tjiftjaf momenteel op het hoogtepunt van zijn zangactiviteit is.
Voor velen is dit het definitieve bewijs dat de winter nu echt achter ons ligt.
De regio van de Voorkempen, met gemeenten als Brasschaat, Schoten en Zoersel, vormt een ideaal biotoop voor deze soort.
Het gebied kenmerkt zich door een afwisseling van oude parkbossen, villatuinen met veel ondergroei en overgangszones naar heidegebieden zoals de Kalmthoutse Heide.


De tjiftjaf is bij uitstek een bewoner van bosranden en parken.
Hij houdt van plekken waar hoge zangposten gecombineerd worden met een dichte, verruigde struiklaag van bramen of varens om in te nestelen.
In de bosrijke lanen van de Voorkempen vindt hij deze structuur in overvloed, waardoor de populatiedichtheid hier bijzonder hoog is.
De soort heeft zich de laatste jaren ook opvallend goed aangepast aan de verstedelijking in Vlaanderen en komt nu zelfs in suburbane wijken meer voor dan vroeger.


Biologisch gezien is de tjiftjaf een technisch hoogstandje van de natuur.
Het is een actieve insecteneter die rusteloos door het gebladerte hopt op zoek naar muggen, spinnen en kleine rupsen.
Een karakteristiek gedrag is het voortdurend omlaag wippen van de staart, wat een trekje is dat hem onderscheidt van zijn bijna identieke dubbelganger, de fitis.
Voor vogelaars is dit "fitis-dilemma" een klassieke uitdaging.
Waar de fitis lichte, vleeskleurige poten heeft, herken je de tjiftjaf aan zijn bijna zwarte pootjes.


Bij de tjiftjaf zijn de vleugels ook iets korter en is de wenkbrauwstreep minder duidelijk getekend dan bij de fitis.
Bij twijfel biedt de zang echter altijd uitsluitsel, want de tjiftjaf produceert zijn bekende staccato-zang terwijl de fitis een melancholisch, aflopend fluitje laat horen.
Er bestaat zelfs een Siberische tjiftjaf die soms in onze streken opduikt en een weemoedig "hiep" geluid maakt.
De nestbouw van de tjiftjaf is eveneens bijzonder.
In tegenstelling tot veel zangvogels die een open kommetje maken, bouwt hij een overdekt "ovennest".
Dit bolvormige bouwsel van gras en mos heeft een zij-ingang en is van binnen gevoerd met zachte veertjes.
Opmerkelijk genoeg bevindt dit nest zich meestal zeer laag bij de grond en zit het goed verscholen in brandnetels of braamstruiken, terwijl de vogel zelf vaak de hoogste boomtoppen opzoekt om zijn territorium af te bakenen.


Nu het midden april is, zijn de vrouwtjes druk bezig met het voltooien van deze vernuftige bouwwerken.
Ook in onze cultuur en taal heeft de vogel diepe sporen nagelaten.
De wetenschappelijke naam Phylloscopus collybita bevat een mooie verwijzing, want collybita is afgeleid van het Griekse woord voor geldwisselaar.
Men vond namelijk dat de zang leek op het geluid van rinkelende munten die geteld worden op een tafel.
In lokale Vlaamse dialecten kreeg de vogel kleurrijke namen zoals de bonenzetter, omdat hij arriveerde wanneer de boeren hun bonen plantten, of de wijntapper, naar het ritmische getik dat deed denken aan een lekkend wijnvat.


Zelfs in de stripwereld is hij vereeuwigd, aangezien Willy Vandersteen in 1970 het Suske en Wiske-album "De toornige tjiftjaf" aan de vogel wijdde om de illegale vogelvangst in België aan te klagen.
Vandaag de dag is de tjiftjaf ook een symbool van verandering.
Door de opwarming van het klimaat zien we dat steeds meer exemplaren de gevaarlijke trek naar Noord-Afrika overslaan en in de Voorkempen overwinteren.
De najaarstrek piekt normaal gesproken in september en oktober, maar milde winters zorgen ervoor dat honderden vogels tegenwoordig gewoon in onze riviergebieden blijven hangen.
Als ze wel trekken, overwinteren ze vaak in het Middellandse Zeegebied of zelfs in tropisch Afrika.
Of hij nu een standvogel is of een vroege migrant, zijn onvermoeibare roep blijft een essentieel onderdeel van het Vlaamse natuurlandschap.
Dankzij het werk van organisaties als GroenRand en de observaties van fotografen zoals François Eennaes blijft de fascinatie voor dit kleine maar karaktervolle vogeltje levendig in onze regio.

De Vlaamse natuurherstelwet en de erfenis van een versnipperd ruimtelijk beleid

De Vlaamse natuurherstelwet en de nalatenschap van een versnipperd ruimtelijk beleid


De Europese Natuurherstelwet, die in april 2026 het politieke landschap in Vlaanderen domineert, wordt in het publieke debat vaak gepresenteerd als een spanningsveld tussen ecologische doelstellingen en de belangen van de landbouwsector.
Een analyse van de ruimtelijke voorgeschiedenis wijst uit dat deze situatie de uitkomst is van een langdurig proces, waarbij de inrichting van het landschap en de natuurlijke grenzen door verschillende beleidskeuzes zijn gevormd.
Vlaanderen ervaart vandaag de gevolgen van een decennialange cultuur in de ruimtelijke ordening, waarbij lokale en individuele woonwensen vaak prioriteit kregen boven een integrale landschapsvisie.
De wortels van deze ruimtelijke structuur liggen in een politieke visie die bijna een eeuw geleden vorm kreeg door toedoen van de christendemocratische ideologie.
De fundamenten hiervoor werden al vroeg gelegd door de Wet op de Tuinsteden uit 1923 en de Wet De Taeye uit 1948, die via goedkope leningen en premies het ideaal promootten van een eigen woning met tuin buiten de ongezonde stadscentra.
Hoewel deze wetgeving vlak na de wereldoorlogen ontstond uit de noodzaak om de woningnood aan te pakken en sociale stabiliteit te bevorderen, legde dit ook de basis voor de versnippering van het landschap door bebouwing te stimuleren in gebieden waar voorheen natuur en landbouw domineerden.


In de jaren 60 en 70 trachtte minister van Openbare Werken Jos De Saeger de groei te reguleren via de opmaak van 48 gewestplannen om de wildgroei te kanaliseren.
In de praktijk zorgden de druk van lokale besturen en onrealistische bevolkingsprognoses voor een ruime toewijzing van woonzones, waardoor er tot op vandaag nog steeds veel foute bouwgrond ligt op plekken die natuurlijke open ruimte en beekvalleien verstoren.
Na de regionalisering in 1981 werd dit beleid onder minister Paul Akkermans verdergezet door de laksheid in het systeem te institutionaliseren.
Met het Minidecreet van 1984 werd een beleid van grotere flexibiliteit gevoerd, onder meer via de introductie van de opvulregel.


Deze regel stond toe dat onbebouwde percelen tussen woningen in niet-woonzones, zoals landbouwgebied, werden bebouwd mits de afstand tussen de panden minder dan 70 meter bedroeg.
Wat bedoeld was als een tijdelijke overgangsmaatregel werd de motor achter de kilometerslange lintbebouwing, die het landschap definitief versnipperde en de verhardingsgraad in Vlaanderen tot de hoogste van Europa verhoogde.
Terwijl wetenschappelijke instanties al vanaf de jaren 70 wezen op de negatieve effecten van deze verharding op de waterhuishouding, bleef de politieke voorkeur aan de keukentafel uitgaan naar individuele bouwrechten en lokale autonomie.


De impact van deze keuzes wordt duidelijk bij een vergelijking met Nederland, dat een vergelijkbare bevolkingsdichtheid en geografische uitgangspositie heeft, maar koos voor een beleid van gebundelde deconcentratie en strikte centrale regie.
In Nederland werd de grens tussen bebouwing en open ruimte scherper bewaakt en is het Natuurnetwerk wettelijk verankerd als essentiële infrastructuur, vergelijkbaar met wegen of dijken.
In Vlaanderen is natuur vaker de restruimte die toevallig overbleef binnen de verspreide bebouwing, wat het herstel van grote ecosystemen complexer en kostbaarder maakt omdat de basisstructuur van het landschap is vernietigd.


De impact op de landbouw is destructief door de verregaande verweving van functies in agrarisch gebied, die leidde tot de vertuining en verpaarding van landbouwgrond waarbij naar schatting 22% van het areaal in zonevreemd gebruik is.
Deze verpaarding wordt vaak geassocieerd met een achteruitgang van de omgevingskwaliteit door een wildgroei aan opzichtige afsluitingen en kleine, overbegraasde weides die weinig biodiversiteit kennen, terwijl hobbyweides in de provincie Antwerpen 3,6% van de agrarische ruimte beslaan.
Dit beïnvloedde de grondprijzen voor professionele landbouwers tot een historisch niveau, waarbij in de eerste helft van 2024 een hectare landbouwgrond in Vlaanderen gemiddeld bijna €68.934 kostte, wat een stijging betekent van bijna 92% sinds 2013.


In de provincie Antwerpen steeg de koopprijs naar gemiddeld ruim €75.631, terwijl de jaarlijkse pachtprijs gemiddeld slechts rond de €446 per hectare ligt, wat het voor boeren onmogelijk maakt om aankoopinvesteringen terug te verdienen.
Deze hoge prijzen worden gedreven door schaarste en concurrentie met niet-landbouwers, die grond gebruiken als belegging of als uitbreiding van een residentiële tuin, terwijl boeren gevangen zitten in een financiële lock-in.
Professionele landbouwers bevinden zich hierdoor in een situatie waarbij hun bedrijfsvoering vaker botst met de nabijheid van woningen door strengere normen voor geluid, geur en stofemissie.
Het uitvoeren van normale agrarische taken zoals bemesten, oogsten tijdens de nacht of het bouwen van een nieuwe stal botst vaker op bezwaren van omwonenden die een residentiële rust verwachten.


De versnippering verhoogt dit probleem voor de boeren aanzienlijk, omdat door de verweving van functies bijna elk landbouwperceel wel grenst aan een woonhuis of een beschermd natuurgebied.
De bedrijfsvoering botst immers ook op de directe nabijheid van natuurgebieden, aangezien de Europese en Vlaamse regelgeving strenge beperkingen oplegt aan de uitstoot van ammoniak en stikstof in de buurt van kwetsbare habitats.
In een versnipperd landschap is de kans dat een stal in de buurt van een dergelijk gebied ligt veel groter dan in een geordend landschap, waardoor landbouwactiviteiten voortdurend onderworpen worden aan complexe vergunningsvoorwaarden of reductieplannen.
Daarnaast ondervinden zij de effecten van een versnipperd landschap dat minder goed water kan bufferen door de verregaande verharding en het dichtbouwen van natuurlijke overstromingszones, waardoor regenwater niet meer traag in de bodem kan sijpelen.
Het water wordt via riolen en rechte grachten versneld afgevoerd, wat stroomafwaarts tot plotse wateroverlast op akkers leidt, terwijl de grondwaterspiegel in droge periodes sneller daalt aangezien er minder natuurlijke sponswerking aanwezig is.


De landbouwer wordt zo geconfronteerd met een dubbele kwetsbaarheid, waarbij hij enerzijds directe financiële schade lijdt door opbrengstderving tijdens droge omstandigheden omdat de grondwatertafel door de verharding sneller daalt.
Anderzijds worden zijn mogelijkheden om hierop te reageren ingeperkt door de ruimtelijke verweving met zowel bewoning als beschermde natuur, wat leidt tot beperkingen op watercaptatie om de drinkwatervoorziening en kwetsbare habitats te beschermen.
Door de dichte nabijheid van woningen en natuurreservaten stuiten investeringen in klimaatbestendige infrastructuur, zoals waterbuffers of nieuwe putten, vaker op complexe vergunningsvoorwaarden of bezwaren van omwonenden.
In de Voorkempen vormen de Laarse Beek, de Kaartse Beek ook bekend als het Schoon Schijn, het Groot Schijn en het Klein Schijn een aaneengesloten hydrologisch systeem dat essentieel is voor deze regio.


Dit systeem functioneert als een geheel omdat de Antitankgracht als drager het verbindend element is dat deze verschillende waterlopen op een kunstmatige wijze transversaal met elkaar koppelt.
Om deze beekvalleien weer natuurlijk te maken is een integrale aanpak nodig waarbij waterbouwkundige en ecologische ingrepen hand in hand gaan, zoals het herstellen van de natuurlijke loop door meandering.
Deze kronkelende vorm vertraagt de waterafvoer, waardoor de vallei als een natuurlijke spons fungeert die water vasthoudt voor droge periodes en piekafvoeren dempt bij hevige regen.
Vernatting is cruciaal door de beekbedding te verondiepen of drainagegrachten te dichten, waardoor het grondwaterpeil stijgt en typische ecosystemen zoals moerasbossen weer een kans krijgen.


De ecologische verbinding moet worden hersteld door fysieke barrières zoals verouderde stuwen op de Wezelse Beek te verwijderen, zodat vissen weer vrij kunnen migreren langs brede natuurlijke buffers met houtkanten en hagen.
Door deze aanpak veranderen deze vier beken weer in een dynamisch landschap dat de biodiversiteit verhoogt en bijdraagt aan de bescherming tegen klimaatverandering.
Voor de Kaartse Beek zijn bijvoorbeeld oeverwallen verlaagd en oude grachtenstelsels hersteld om bij extreme regenval water te kunnen bufferen in de vallei in plaats van in woonwijken.
Bij de Laarse Beek ligt de focus op valleiherstel tussen Brecht en Brasschaat, waarbij natte natuurgebieden zoals het Peerdsbos en de Inslag opnieuw worden verbonden om habitats te creëren voor zeldzame soorten zoals de rivierdonderpad.
Het Groot en Klein Schijn fungeren als de hoofdaders, waarbij gewerkt wordt aan het opheffen van vismigratieknelpunten en het herstellen van de natuurlijke uiterwaarden zoals in het Vrieselhof.


Binnen dit proces speelt de vereniging GroenRand een rol als maatschappelijk pleitbezorger en deskundige partner die streeft naar een aaneengesloten landschapspark in de Voorkempen.
Een specifiek speerpunt van GroenRand is het ottervriendelijk ontsnipperen van de Antitankgracht, die werd aangelegd in de jaren 30 als militaire linie en loodrecht door de oost-westelijke waterlopen snijdt.


Een kritiek punt bevindt zich ter hoogte van de Turnhoutsebaan Oost, waar de huidige duiker van de Antitankgracht permanent onder water staat, waardoor de doorgang voor de otter ongeschikt is zonder aanpassingsmogelijkheden.
In het kader van het Soortenbeschermingsprogramma voor de otter werd in 2021 door Natuurpunt Brasschaat een projectfiche opgesteld voor een droge kleine faunatunnel naast de duiker, inclusief geleidingsraster en aangepaste verlichting.
Daarnaast kan over de weg een overspanning komen in de vorm van een boombrug, zodat klimmende soorten zoals de boommarter en de eekhoorn veilig kunnen oversteken.
Om verkeersslachtoffers bij laagvliegende vleermuizen te voorkomen worden hop-overs geadviseerd met hoog opgaande vegetatie aan beide zijden van de weg, zonder kunstmatige verlichting in de boomkruinen.


Er zijn concrete plannen om gedempte delen van de Antitankgracht weer open te leggen in zowel Schilde als Sint-Job-in-het-Goor om barrières weg te nemen.
In Schilde focust het Masterplan Schildestrand op de zone rond het Schildestrand, waar de gracht momenteel onderbroken is door bebouwing en wegen om de historische waarde te herstellen.
In Sint-Job-in-het-Goor in Brecht richt het Projectplan Antitankgracht 2026-2031 zich op het segment tussen het kanaal Dessel-Schoten en de Zandstraat dat over enkele honderden meters gedempt is.
Het herstel van deze gedempte delen is cruciaal om de ecologische verbinding te vervolledigen, waarbij de otter fungeert als paraplusoort voor de algemene biodiversiteit.


Voor de realisatie van deze ontsnipperingsprojecten wordt gekeken naar het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering oftewel VAPEO, dat zich richt op ingrepen ter hoogte van transportinfrastructuur.
Hoewel de plannen voor prioritaire knelpunten langs gewestwegen, zoals de Brechtsebaan in Schoten nabij de E10-plas en de Turnhoutsebaan Oost in Schilde, al in kaart zijn gebracht, is er een financieringskloof omdat er geen budget voor is voorzien.



GroenRand schat dat er circa €11,45 miljoen nodig is om de cruciale knelpunten in de regio grondig aan te pakken, maar de feitelijke budgetten dekken deze kosten vooralsnog niet volledig.
Het Projectplan 2026-2031 onder leiding van het Regionaal Landschap de Voorkempen stelt de ambities scherp, maar de uitvoering blijft afhankelijk van budgettaire toezeggingen vanuit het Vlaams Gewest.
Omdat de Vlaamse Milieumaatschappij de eigenaar en beheerder van de gracht is, ligt de financiële verantwoordelijkheid voor de infrastructuur en het onderhoud bij de Vlaamse overheid.
Onder de vorige minister Zuhal Demir was voor het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) een budget van circa €50 miljoen beschikbaar vanuit de visie dat natuurherstel een niet-onderhandelbare juridische plicht is.
Dit beleid vloeide voort uit de Europese Habitatrichtlijn en de Natuurherstelwet, die lidstaten verplichten om beschermde soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen.
In het versnipperde Vlaamse landschap is het fysiek verbinden van natuurgebieden via ecoducten en tunnels daarbij een noodzakelijke voorwaarde om aan deze wettelijke resultaatverbintenis te voldoen en toekomstige juridische blokkades bij vergunningverlening te vermijden.
Onder de huidige minister, Jo Brouns, is deze financiële koers gewijzigd en wordt er objectief minder geïnvesteerd in natuurherstel.


In de huidige meerjarenbegroting tot 2031 zijn er geen nieuwe middelen vastgelegd voor de opstart van grote ontsnipperingsprojecten, waarbij het jaarlijkse budget voor lopende zaken en studies is teruggebracht naar circa €1 miljoen.
Deze daling is het gevolg van een budgettaire krimp binnen het beleidsdomein Omgeving, mede door het wegvallen van de eenmalige Europese herstelgelden die in de vorige legislatuur beschikbaar waren.
Binnen de nu beperktere financiële middelen geeft de minister prioriteit aan de stikstofaanpak en de Blue Deal.
Hoewel voor de Blue Deal in de periode tot 2029 een bedrag van €430 miljoen is begroot, ligt dit totaalbedrag lager dan de investeringen uit de vorige regeerperiode.
Er is sprake van een beleidsmatige keuze waarbij de resterende middelen worden geconcentreerd op waterveiligheid en stikstof, waardoor de financiering voor ecologische ontsnippering nagenoeg volledig is weggevallen en de totale middelen voor natuurherstel zijn afgenomen.


In de huidige begrotingstabellen van het kabinet Omgeving zijn geen geoormerkte middelen uit de Blue Deal terug te vinden voor deze specifieke locaties rond de Antitankgracht, ondanks de aankondiging van €51 miljoen voor algemene waterweerbaarheid.
Bovendien loopt de Europese ondersteuning via het project Otter over de grens in maart 2027 af, zonder dat er momenteel in vervolgmiddelen is voorzien.
De budgettaire situatie is ook voor het basisbeheer nijpend, aangezien voor toekomstige slibruimingen geen specifiek budget gereserveerd is binnen de investeringsprogramma's van de VMM, wat de waterkwaliteit bedreigt.
Landbouwers kunnen via vrijwillige beheerovereenkomsten met de Vlaamse Landmaatschappij een actieve rol opnemen in dit herstel, door bijvoorbeeld randen langs waterlopen niet te bemesten of houtkanten aan te planten.


Deze overeenkomsten variëren in vergoeding, zoals ruim €700 per hectare voor het beheer van perceelsranden of specifieke vergoedingen voor het onderhoud van houtige kleine landschapselementen.
De juridische druk op het beleid neemt toe door de deadline van 1 september 2026 voor het indienen van het Belgische natuurherstelplan bij de Europese Commissie.
Het missen van deze deadline of een ontoereikend plan kan leiden tot juridische procedures, waarbij vergunningen voor woningbouw, infrastructuur en industrie onder druk komen te staan vergelijkbaar met de stikstofcrisis.


Landbouwers bevinden zich in de positie van gebruikers van een historisch gegroeid systeem en ondervinden als eersten schade door een inrichting die klimatologisch niet langer houdbaar is. 
De analyse stelt vast dat de huidige situatie mede het resultaat is van politieke keuzes waarbij korte termijn belangen al bijna een eeuw lang boven lange termijn planning zijn gesteld.
Een structurele oplossing vraagt om een verschuiving waarbij natuurherstel wordt erkend als kritieke infrastructuur met een nieuw sociaal contract waarbij de landbouwer eerlijk wordt vergoed.