zaterdag 25 april 2026

De Weyler-dynastie van de verbeelding: van houten poppen tot levende houtkanten

De Weyler-dynastie van de verbeelding: van houten poppen tot levende houtkanten

Het uitgebreide verhaal van de naam Weyler is een epos van twee werelden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn door de kracht van de verbeelding en de kunst van het bezielde vertellen, een kroniek die de brug slaat tussen het naoorlogse Vlaanderen en de huidige ecologische strijd in de Antwerpse Voorkempen.


Deze geschiedenis vindt haar oorsprong in het jaar 1941, midden in de donkere en beklemmende jaren van de Tweede Wereldoorlog, wanneer de Antwerpse advocaat Karel Weyler besluit dat de zware sfeer van die tijd doorbroken moet worden met humor, cultuur en scherpe satire.
Hij zocht naar een unieke manier om de leden van de Antwerpse balie te vermaken en liet daartoe zeventien poppenkastpoppen vervaardigen die elk met chirurgische precisie de beeltenis droegen van lokale advocaten, zijn eigen collega’s van de balie, om hen een spiegel voor te houden.
Om deze houten raadslieden heen bouwde hij scherpe, juridische revues onder de naam 't Spelleke van Teune, een initiatief dat aanvankelijk bedoeld was als interne parodie binnen de muren van het gerechtsgebouw, maar dat de kiem vormde voor wat in 1948 zou uitgroeien tot het nationaal legendarische Pats' Poppenspel.


De centrale figuur van dit gezelschap, Pats, was geen toevallige creatie, hij was een guitig, ros jongetje met een karakteristieke brede grijns, gebaseerd op de historische hofnar van keizer Karel V, zoals deze eerder tot leven was gewekt in de jeugdliteratuur van Pater Emiel Fleerackers.


Weyler zag in dit personage de perfecte belichaming van een nieuw soort poppentheater dat resoluut brak met de traditionele en soms afgezaagde poppenkastclichés, hij introduceerde personages met een eigen gezicht en een unieke identiteit, in plaats van terug te grijpen naar standaardfiguren zoals Jan Klaassen of de duivel.
Het gezelschap had geen vaste standplaats of eigen theaterzaal, maar was een reizend theater dat gedurende dertig jaar lang als het enige volwaardige beroepsspelersgezelschap in Vlaanderen tot in de kleinste dorpen en afgelegen parochiezalen optrad.


Karel Weyler was daarbij veel meer dan enkel de zakelijke leider, hij was een gepassioneerd vakman en begenadigd kunstenaar die zijn eigen houten acteurs met uiterste precisie zelf ontwierp en sneed in zijn atelier aan het Hofeinde 5 in Zandhoven.


In dit statige pand in de dorpskern, waar Karel Weyler woonde en werkte, was de kraamkliniek van zijn creatieve geest gevestigd en zagen de vele poppen, decors en scenario’s het levenslicht.
Hij sneed daar eigenhandig meer dan vijfhonderd poppen uit hout, waarbij hij elk personage een unieke expressie gaf vanuit de overtuiging dat een goede pop niet simpelweg gemaakt wordt, maar geboren wordt uit het hout.


Hij zag het als de heilige taak van de speler om zijn eigen hartslag over te brengen op de pop, zodat het publiek zou vergeten dat er een mens aan de touwtjes trok, en hij implementeerde hiervoor geavanceerde technieken met hand, stok en staafpoppen naar Russisch en Tsjechisch voorbeeld.
In 1960 onderstreepte hij zijn commerciële visie met het ontwerp van het populaire behendigheidsspel Op-Jerommeke, dat gebaseerd was op de krachtpatser van Vandersteen en een enorm succes werd, terwijl hij in de jaren '60 zelfs een eigen Patskrant verzorgde in de krant Het Nieuwsblad waarin diverse stripreeksen verschenen.


Een cruciaal keerpunt was de jarenlange samenwerking met Willy Vandersteen vanaf 1949, waarbij Weyler de iconische koppen van Suske, Wiske en Lambik sneed, terwijl Vandersteen de decors ontwierp die zijn eigen diepe liefde voor de natuur en de Kempense bossen uitstraalden.


Vandersteen was een man die hartstochtelijk hield van de natuur, een passie die integraal deel uitmaakte van de Pats-voorstellingen en die tot uiting kwam in realistische decors die veel verder gingen dan de eenvoudige achtergronden van de kermispoppenkast.


De teksten van de voorstellingen werden verzorgd door Jef Contrijn, de muziek door de bekende componist Armand Preud'homme en de verfijnde kledij door Germaine Gijsels, wat in 1955 leidde tot de nationale doorbraak op de BRT waar poppenspelers onder gloeiend hete studiolampen live de magie tot leven brachten.


Deze technische pionierstijd was loodzwaar, omdat de hitte van de lampen de houten poppen letterlijk deed werken en kraken, terwijl de spelers zich in onmogelijke bochten moesten wringen om buiten het beeld van de camera's te blijven tijdens de live-uitzendingen.


Weyler was zo vergroeid met zijn creatie dat hij tijdens interviews vaak onbewust begon te praten met de stem van de pop Pats, een teken van de diepe spirituele band met zijn ambacht die hij tot op hoge leeftijd voortzette als poppensnijder voor Poppenspel Kiekeboe.


Vandaag rust dit waardevolle erfgoed van Karel Weyler helaas grotendeels onzichtbaar in magazijnen in Beveren, het Huis van Alijn en zelfs in Moskou, een gemiste kans voor de cultuurgeschiedenis, maar de vonk van deze fantasie is springlevend gebleven en overgeslagen op Dirk Weyler.


Hoewel er geen directe familieband is, deelt Dirk de bezieling van zijn naamgenoot en gebruikt hij de verbeelding niet voor entertainment, maar als een strategisch en educatief wapen voor natuurbehoud via zijn vereniging GroenRand.


Dirk Weyler is de drijvende kracht achter een nieuw universum aan personages, zoals Olga de Otter, waarvan hij het volledige concept en alle verhaallijnen zelf bedacht om de otter te introduceren als ambassadeur van de waterkwaliteit en natuurlijke verbindingen.


Om Olga visueel tot leven te wekken voor de jongste generatie, vond Dirk een perfecte bondgenoot in illustrator Rodrik Steverlynck, wiens warme en gedetailleerde tekeningen Olga haar karakteristieke en innemende uiterlijk gaven in de inmiddels geliefde leesboekjes voor kinderen.


Daarnaast creëerde Dirk de figuren Bijtandje en Houtkantje als symbolen voor de noodzaak om letterlijk een tandje bij te steken voor de biodiversiteit, mascottes die visueel werden vormgegeven door de bekende cartoonist Gie Campo, ook wel bekend als Gier.


Voor deze jarenlange creatieve inzet ontving Gie Campo in 2026 de Groene Duim uit handen van Dirk Weyler, die hiermee de artistieke waarde van natuurcommunicatie onderstreepte.


Een cruciaal instrument in deze nieuwe fase van GroenRand is de lancering van de rubriek "De pen van Glenn" op de vernieuwde website van de organisatie.
Onder het pseudoniem Glenn Solastalgie hanteert Dirk een vlijmscherpe en deskundige pen om de politieke besluitvorming rondom onze leefomgeving kritisch tegen het licht te houden.
De naam is een direct en diepgaand eerbetoon aan de bekende Australische filosoof Glenn Albrecht en het door hem in 2003 gemunte en baanbrekende begrip solastalgie.


De etymologie van dit woord is een vernuftige en betekenisvolle samentrekking van drie specifieke elementen die de kern van de huidige ecologische crisis raken.
Het eerste deel is afgeleid van solace, wat verwijst naar de emotionele troost, geborgenheid en de existentiële rust die een vertrouwde thuisomgeving aan een mens biedt.
Het tweede element is desolation, wat de staat van verwoesting, verlatenheid of de brute vernietiging van diezelfde vertrouwde omgeving symboliseert.
Het derde deel is algia, afgeleid van het Griekse algos, wat staat voor pijn, lijden of ziekte, een term die we ook terugvinden in het woord nostalgie.
Solastalgie beschrijft de specifieke emotionele pijn en de existentiële nood die men voelt bij de negatieve verandering van een leefomgeving terwijl men er nog steeds woont.


In tegenstelling tot nostalgie, wat het verlangen is naar een plek waar men niet meer is, is solastalgie de pijn van het thuis zijn terwijl je thuis je thuis niet meer is.
Via deze columns fungeert Glenn als een toegewijde belangenbehartiger die de Commissie Leefmilieu in het parlement nauwgezet opvolgt en voedt met kritische informatie.
Hij stimuleert hiermee het stellen van parlementaire vragen aan de betrokken ministers over prangende milieudossiers die de regio Voorkempen direct raken.
In analyses van literatuur, zoals de beroemde roman The God of Small Things van Arundhati Roy, wordt solastalgie soms uitgelegd aan de hand van de spin als literair symbool.
Dit symbool is door Dirk Weyler en Gier integraal overgenomen in de visuele taal van GroenRand, waarbij de spin een vaste bewaker is geworden in de rubriek van Glenn Solastalgie.
De spin fungeert in deze analyses en tekeningen als symbool voor de kwetsbaarheid van een specifieke plek en de ziel van een landschap.
Een beschadigd of verscheurd web staat daar onomstotelijk voor het verlies van de emotionele en spirituele band met je vertrouwde omgeving.
De spin staat symbool voor de kleine dingen die de structuur van een plek bepalen, maar terwijl de spin kracht en creativiteit uitstraalt, is zijn web uiterst fragiel voor invloeden van buitenaf.
Het web representeert de complexe en vaak onzichtbare verbindingen tussen de bewoners en hun omliggende natuurgebieden.
Deze draden van het web verbeelden hoe een lokale gemeenschap onbewust is ingebed in haar landschap, de bewoners zijn niet enkel toeschouwers, maar onderdeel van een ecologisch netwerk.
Wanneer een natuurgebied wordt versnipperd door beton of grijze infrastructuur, is dat vergelijkbaar met het doorknippen van de zijden draden van een web, waardoor het hele systeem zijn stabiliteit verliest.


Natuurgebieden fungeren als de ankerpunten van het web, terwijl de bewoners de draden zijn die voor hun welzijn en identiteit afhankelijk zijn van de stevigheid van die ankers.

Net zoals een spinnenweb met één ruwe beweging volledig vernield kan worden, is de ziel van een landschap kwetsbaar voor brute menselijke ingrepen.
Dit raakt de kern van solastalgie, namelijk het lijden door het verlies van de troost of solace die een vertrouwde plek normaal gesproken biedt aan de mens.
Wanneer een web beschadigd raakt, verliest het direct zijn functie als veilig thuis en als vangnet voor het leven dat erin schuilt.


In romans zoals die van Roy symboliseert een kapot web dat personages hun grip op de vertrouwde wereld verliezen door habitatverlies, de verstikking van ecosystemen of de voortschrijdende versnippering van het landschap.
Vaak kan een dergelijk web niet simpelweg gerepareerd worden, aangezien de oorspronkelijke harmonie definitief weg is, wat leidt tot een vorm van chronische heimwee terwijl je fysiek nog thuis bent.
De spin wordt in de literatuurwetenschap gebruikt om aan te tonen dat grote tragedies vaak beginnen bij de vernietiging van de kleinste, meest kwetsbare verbanden in een gemeenschap.
In The God of Small Things illustreert de achteruitgang van de Meenachal-rivier in Kerala hoe een levensbron verandert in een vervuilde stroom, wat een letterlijk voorbeeld is van solastalgie.
Het web is in de diepere analyse vaak een verwijzing naar de Love Laws, de ongeschreven wetten die bepalen hoe mens en natuur zich tot elkaar verhouden.
Dit web is enerzijds kwetsbaar, maar houdt anderzijds alles en iedereen gevangen als History's Net, een raster waaruit niet te ontsnappen valt.


De spin vertegenwoordigt hierbij ook de onverschilligheid van de natuur tegenover menselijk lijden, terwijl een weelderig paradijs verandert in een vervuilde en overgeëxploiteerde omgeving.
Terwijl de omgeving degradeert door de druk van verstedelijking en de achteruitgang van de waterkwaliteit, blijft de spin onverstoorbaar weven tussen de brokstukken van het verleden.
Zelfs als het web bedekt is met het verstikkende stof van de industrialisatie en ecologische verwaarlozing, blijft de spin zijn werk doen in de marge.
Dit beschadigde web is de visuele weergave van de teloorgang van biodiversiteit en de emotionele amputatie die bewoners ondergaan wanneer hun landschap verdwijnt.
Het symboliseert de vernietiging van de ecologische integriteit wanneer de natuurlijke rijkdom letterlijk wordt overwoekerd door grijze infrastructuur.
De spin fungeert als de laatste bewaker van de plek, maar zijn kapotte web is het onweerlegbare bewijs dat de soul of the place is weggeëpt door ecologisch verval.
Deze symboliek illustreert dat de veiligheid en identiteit die een plek biedt niet vanzelfsprekend zijn, maar bestaan uit een uiterst kwetsbaar netwerk van biologische relaties.

Eenmaal gebroken kunnen deze natuurlijke verbindingen zelden in hun oorspronkelijke staat worden hersteld, wat de urgentie van preventieve bescherming onderstreept.
De pen van Glenn zal dan ook onvermoeibaar blijven schrijven zolang de mazen in het natuurlijke netwerk van de Voorkempen nog niet volledig gesloten zijn.
Zo transformeert de spin van een louter symbool van kwetsbaarheid naar een krachtig symbool van onvermoeibare veerkracht, toezicht en hoopvol herstel.
Elk detail in dit proces, van de kleinste insecten in de Antitankgracht tot de grootste politieke besluitvorming, is uiterst belangrijk voor het behoud van onze thuisomgeving.


De focus op ontsnippering, fauna-passages en natuurverbindingen vormt de centrale doelstelling van Dirk Weyler en GroenRand voor een leefbare Voorkempen.
Een krachtig voorbeeld van deze problematiek wordt geschetst in het Suske en Wiske-album De beestige brug, waarin de populairste stripfiguren van Vlaanderen de barricaden opgaan voor het herstel van het landschap.
Hoewel dit album de visie van Dirk Weyler ondersteunt, is het een onafhankelijk werk dat aantoont hoe de erfenis van Willy Vandersteen nog steeds doorwerkt in het huidige maatschappelijke debat over ontsnippering.

Het album legt op een voor kinderen toegankelijke manier uit hoe ecoducten en faunatunnels essentieel zijn om verspreide natuurkernen weer tot één robuust geheel te smeden.
Het is de moderne spirituele echo van de synergie die Karel Weyler en Willy Vandersteen decennia geleden startten; de kracht van het verhaal wordt ingezet voor het behoud van onze leefomgeving.


De cirkel van dit bijzondere verhaal werd recentelijk op spectaculaire wijze gesloten door de historische ontmoeting tussen Dirk Weyler van GroenRand en Dirk Weyler, de zoon van de legendarische Karel Weyler.
Hoewel Karel Weyler onlosmakelijk verbonden blijft met zijn atelier aan het Hofeinde 5 in Zandhoven, vond deze betekenisvolle ontmoeting tussen de naamgenoten plaats in Brasschaat.


Deze ontmoeting herstelt de historische lijn tussen de twee takken van Weyleriaanse verbeelding en biedt de kans om de houten poppen van vroeger te verenigen met de levende natuur en de personages van vandaag, zoals Olga Otter, Bijtandje en Houtkantje.
Waar Karel de mensen vroeger liet lachen met Pats, laat Dirk de mensen vandaag vechten voor hun landschap met personages die door talenten als Rodrik Steverlynck en Gie Campo zijn vereeuwigd in een moderne, ecologische context.
Samen bewijzen zij dat fantasie geen vlucht uit de werkelijkheid is, maar de krachtigste manier om de ziel van onze cultuur en natuur te beschermen, een eerbetoon aan een naam die synoniem staat voor het tot leven wekken van wat anders ongezien zou blijven.
Het is een vurig pleidooi voor de herwaardering van een vergeten schat die nu eindelijk weer de maatschappelijke aandacht krijgt die zij werkelijk verdient in het hart van de regio waar deze unieke stroom van creativiteit ooit begon.

Dirk Weyler als Rommelopdepot-mannetjes in de jaren '80







Foto's: stripknip

Frank Vermeiren en de ongetemde grasmus van de Voorkempen

Frank Vermeiren en de wilde grasmus van de Voorkempen


In deze nieuwe aflevering van onze natuurreeks trekken we opnieuw de wandelschoenen aan voor een bijzonder project.
Reportagemaker Frank Vermeiren maakt vogelreportages van A tot Z en vandaag zijn we bij de letter ‘G’ aangekomen.
Samen met natuurvereniging GroenRand zetten we de grasmus in de schijnwerpers.
De grasmus (Curruca communis) is een vogel die zijn naam nauwelijks eer aandoet: hij is botanisch noch genetisch een mus en hij leeft evenmin in het gras.
Wie in de vroege meidagen door het halfopen landschap van de Voorkempen wandelt, kan echter niet om hem heen.
In deze regio, gekenmerkt door een mozaïek van kleinschalige landbouw, houtkanten en braakliggende gronden, vindt de grasmus zijn ideale biotoop in dichte braamstruiken en meidoornhagen.
Houtkanten zijn hierbij de cruciale levensaders die als 'groene corridors' fungeren voor de migratie en het broedsucces van deze soort.


Omdat deze landschapselementen steeds vaker verdwijnen, lanceert GroenRand ter ere van haar tienjarig bestaan het ambitieuze project 'Bijtandje-houtkantje'.
Dit initiatief is een essentieel onderdeel van het overkoepelende meerjarenplan Greenconnect, een visie die de versnipperde natuurgebieden in de Voorkempen opnieuw met elkaar wil verbinden.


Greenconnect streeft naar een naadloze ecologische verbinding door de aanleg van faunapassages onder drukke wegen en het herstel van houtkanten die als veilige migratieroutes dienen voor zowel vogels als zoogdieren.
Door deze fysieke barrières te doorbreken en 'groene bruggen' te slaan, wordt het landschap weer één geheel waarin soorten zoals de grasmus zich ongehinderd kunnen verspreiden.
Dit project roept burgers, landbouwers en gemeenten op om een extra krachtinspanning te leveren voor het herstel en de aanplant van nieuwe houtkanten.
Door letterlijk 'bij te tanden' in het netwerk van groene linten, worden ontbrekende schakels in de regio weer opgevuld, wat essentieel is voor de biodiversiteit en de opslag van duizenden tonnen CO2.
Het project richt zich op elf gemeenten en biedt bovendien aantrekkelijke financiële steun via de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), die tot wel 70% van de kosten kan vergoeden.


Het mannetje van de grasmus is een opvallende verschijning met zijn blauwgrijze kopkap en een sneeuwwitte keel die tijdens de zang vervaarlijk opzet, terwijl de roestbruine vleugelranden hem duidelijk onderscheiden van zijn neef, de braamsluiper.
Zijn levenswijze is die van een rusteloze pionier; zodra hij rond half april terugkeert van zijn overwinteringsplekken in de Sahel ten zuiden van de Sahara, begint een koortsachtige activiteit.
Het mannetje bouwt vaak meerdere 'speelnesten' van grasstengels en worteltjes, waarna het vrouwtje de uiteindelijke keuze maakt of zelfs besluit om alles weer af te breken en zelf opnieuw te beginnen als de architectuur haar niet aanstaat.
Dit gedrag getuigt van een fascinerende evolutionaire strategie waarbij het mannetje zijn vitaliteit bewijst door kwantiteit, terwijl het vrouwtje waakt over de kwaliteit van de toekomstige broedplaats.


Zijn zang is een verhaal apart: het is een gejaagd, krassend riedeltje dat vaak klinkt alsof de vogel ruzie heeft met zijn eigen stembanden, wat hem bij vogelaars de bijnaam 'krasmus' heeft opgeleverd.
Hij brengt dit lied vaak ten gehore tijdens een karakteristieke zangvlucht, waarbij hij steil uit een struik omhoog fladdert om vervolgens als een 'stuiterende' parachute weer in de dekking te verdwijnen.
In de volksmond wordt hij soms 'haagkruiper' genoemd, een treffende beschrijving voor zijn gewoonte om onzichtbaar door de diepste braamstruiken te sluipen op zoek naar spinnen en insecten.
De historische naamgeving van de vogel is een etymologisch mysterie; 'grasmus' is hoogstwaarschijnlijk een verbastering van het Duitse Grasmücke, wat weer afstamt van het Oudhoogduitse mucca, wat simpelweg 'vlieg' of 'klein diertje' betekende.


De naam verwijst dus niet naar de mussenfamilie, maar naar een beweeglijk wezentje dat door het struweel 'muckt'.
De geschiedenis van de grasmus in de Voorkempen is nauw verweven met de transformatie van het landschap.
Vroeger, toen de regio nog gedomineerd werd door uitgestrekte heidevelden die langzaam plaatsmaakten voor kleinschalige akkerbouw met dichte houtkanten, was de grasmus alomtegenwoordig.
In oude lokale dialecten van dorpen als Schilde en Ranst sprak men vaak over de 'grauwzinger' of 'grasmosch', namen die doen terugdenken aan een tijd waarin elke boer de vogel herkende aan his krasgeluid bovenop de meidoornhaag.
Echter, de vogel staat ook symbool voor de kwetsbaarheid van migrerende soorten.
De beruchte 'Sahel-crash' van 1968 blijft een zwart hoofdstuk in de ornithologische geschiedenis.
Door extreme droogte in de overwinteringsgebieden verdween in één winter tijd bijna driekwart van de Europese populatie.


Dit zorgde voor een oorverdovende stilte in de Vlaamse velden gedurende de jaren zeventig.
In de Voorkempen, waar de vogel voorheen in elke heg te vinden was, werd hij plots een zeldzaamheid.
Tegenwoordig is de soort echter spectaculair hersteld, mede dankzij herstelprojecten die de ruige overgangszones opnieuw inrichten.
Waarnemingen concentreren zich nu vooral in gebieden zoals de Antitankgracht, die als een ecologisch lint door de regio trekt.
Hier bieden de overwoekerde bunkers en de bijbehorende struwelen de perfecte thermiek en dekking voor de zangvluchten.
Een absolute hotspot is het Groot Schietveld in Brecht, waar de populatie de afgelopen decennia is geëxplodeerd.
In dit militaire domein krijgt de natuur de ruimte om te 'verruigen', precies wat de grasmus nodig heeft.
Waar de moderne landbouw vaak te 'netjes' is geworden, vormen deze gebieden cruciale reservaten.
Langs de Antitankgracht vormt de vogel ook een vaste waarde nabij historische verdedigingswerken zoals het Fort van Oelegem, het Fort van 's-Gravenwezel, het Fort van Brasschaat, het Fort van Ertbrand en het Fort van Stabroek.
Anekdotisch wordt de grasmus vaak beschreven als een vogel met een 'slecht humeur' vanwege zijn norse blik en de karakteristieke witte keel die hem een opgeblazen, bijna boos uiterlijk geeft tijdens territoriale conflicten.
Zijn roepgeluid, een schor "tsjarr", klinkt vaak als een vermaning voor voorbijgangers die te dicht bij zijn braamstruik komen.
Toch is voor de lokale natuurkenner zijn eerste lied in april het ultieme bewijs dat the winter definitief voorbij is.
Zijn levenscyclus is een wonder van uithoudingsvermogen.
Na een hachelijke tocht over de Pyreneeën en de Middellandse Zee arriveert hij in de Voorkempen om zich direct te goed te doen aan de eerste insecten die uit de warme Kempische zandgrond tevoorschijn komen.
Het voedselpatroon van de grasmus verandert echter met de seizoenen.
Terwijl hij in de lente en zomer een fanatieke insecteneter is die de rupsen uit de hagen plukt, schakelt hij in de nazomer over op bessen.


Vlierbessen en bramen zijn dan essentieel om de nodige vetreserves op te bouwen voor de terugreis naar Afrika.
Dit maakt hem tot een belangrijke verspreider van zaden in de regio; de vele vlierstruiken die men langs de randen van het Schijn vindt, zijn vaak 'geplant' door de grasmus en zijn verwanten.
Historisch gezien werd de vogel in de volksgeneeskunde en folklore soms geassocieerd met de bescherming van de oogst, omdat men zag hoe hij schadelijke insecten uit de heg rond de moestuin verwijderde.
Hoewel hij geen opvallende kleuren heeft zoals de ijsvogel of de putter, maakt zijn karakter en zijn rol als 'stem van de braamstruik' hem tot een onmisbaar onderdeel van de lokale biodiversiteit.
Hij is een veerkrachtige overlever die, ondanks de dreiging van klimaatverandering en habitatverlies, dankzij gericht natuurbeheer in jonge bosranden weer volop aanwezig is.
Zelfs in de omgeving van de oude forten, zoals dat van Borsbeek of Wommelgem, vindt hij de nodige rust om ongestoord te broeden.
De aanwezigheid van de grasmus vertelt ons veel over de gezondheid van ons landschap: zolang we ruimte laten voor de braam en de meidoorn, zal zijn schorre maar opgewekte lied door de Voorkempen blijven klinken als een eerbetoon aan de wilde randjes van onze leefomgeving.

De comeback van wilde dieren in onze provincie: zegen of vloek? De nadelen heb je snel in kaart, de voordelen vergen onderzoek

De comeback van wilde dieren in onze provincie: zegen of vloek? De nadelen heb je snel in kaart, de voordelen vergen onderzoek

De provincie Antwerpen pleit ervoor om “probleembevers uit te schakelen” en na de dood van moederwolf Noëlla in maart vragen tegenstanders zich af of Vlaanderen wel geschikt is als habitat. Je zou bijna denken dat we overrompeld worden door de terugkerende wilde dieren, maar er zijn ook veel soorten die verdwijnen. “De soorten die nu voorzichtig terugkeren, doen dat puur omdat ze nu beschermd worden”, zegt Diemer Vercayie van Natuurpunt.

De uitspraken van de gedeputeerde voor Landbouw in de provincie Antwerpen, Jinnih Beels (Vooruit), over het “uitschakelen” van bevers op plaatsen waar ze landbouwakkers onder water zetten, wekt afschuw op bij natuurbeschermers en het Agentschap Natuur en Bos. Bevers zijn beschermde dieren en waren tot voor enkele jaren zelfs uitgestorven in Vlaanderen.

Volgens Diemer Vercayie, adviseur natuurbeleid bij Natuurpunt, is het zeer simplistisch om een opdeling te maken tussen ‘nuttige’ of ‘schadelijke’ teruggekeerde wilde dieren. “Het is veel complexer dan dat. Ieder dier heeft zijn taak in het veel groter ecosysteem.”

“Bijna alle grote soorten werden de voorbije 150 jaar uitgeroeid door de mens. Roofdieren werden onbeteugeld bejaagd. In 1889 werd een staatspremie ingesteld voor het doden van otters, die later nog tweemaal werd verhoogd. Vissers zagen de otters als concurrenten. Burgers kregen bij de gemeente een premie voor elke afgeschoten otter”, vertelt Vercayie. “Uit een thesis van een student blijkt dat praktisch in alle Vlaamse gemeenten zulke otterpremies werden uitgegeven, wat betekent dat de soort in Vlaanderen algemeen verspreid was in nagenoeg alle waterlopen. Pas in 1965 werd de premie op het doden van otters afgeschaft.”

Maar het kwaad was geschied. Tussen 1984 en 2012 was er geen enkele waarneming meer van de otter in Vlaanderen. “Dat die dieren nu voorzichtig terugkeren – bij de otter gaat het heel traag, er is nog geen bewezen voorplanting – komt puur omdat ze nu beschermd worden. Hetzelfde met dieren als de bever en de wolf. Nu al over het opheffen van die bescherming praten, is zeer kortzichtig”, waarschuwt Diemer Vercayie. “De bescherming van die soorten is een keuze om de biodiversiteit te behouden voor ons én voor de generaties na ons.”


Premiejagers

Niet alleen de otter, ook de gewone en de grijze zeehond werden vorige eeuw door premiejagers nagenoeg volledig uitgeroeid in de Scheldedelta en de Noordzee. Voor een afgesneden linkervlerk van een zeehond kregen de mensen een mooie duit. Zeehonden werden ‘stinkdieren’ genoemd. “Dat we ze nu terug kunnen zien zonnen op de zandplaten aan de Belgische kust, mogen we niet vanzelfsprekend nemen.”

De nadelen heb je snel in kaart, de voordelen vergen onderzoek. En daar wordt meestal geen geld in gestoken, zegt Vercayie. “Niemand zal klagen over voordelen. Wist je dat de biomassa van de honden op onze planeet groter is dan de biomassa van alle wilde landzoogdieren die op aarde leven? De biomassa van de wilde dieren bedraagt nog maar 5,6%, onderverdeeld in 1,7% wilde landzoogdieren en 3,7% zeezoogdieren. De mens neemt 36,1% van de biomassa in, het vee 58,3%.”

Diemer Vercayie verwijst naar de terugkeer van de steenmarter. “We moeten opnieuw op een conflictvrije manier proberen samen te leven. Er zijn oplossingen. Beverdammen kunnen verlaagd worden om de waterstand naar beneden te brengen. Voor wolven, bestaan er wolvenproof omheiningen. Wij vinden het normaal dat wagens waterdicht zijn, de autoconstructeurs moeten er ook voor zorgen dat auto’s steenmarterdicht zijn, want ze maken deel uit van onze natuurlijke omgeving.”

Wat velen vergeten: de vos is ook nog maar sinds 2003 terug. De meeste kippenhouders weten intussen dat ze hun hok elke avond moeten afsluiten. “We zitten in een overgangssituatie. Nu is het zaak om structurele oplossingen te vinden en vooral te implementeren zodat we ons landschap in de toekomst kunnen delen met zo weinig mogelijk conflicten”, besluit Vercayie.

Insectenarmoede

Wie over de terugkeerders spreekt, mag niet zwijgen over de schaduwkant en alle soorten die de voorbije decennia verdwenen zijn in Vlaanderen en níét terugkeren. Dat zegt bioloog en publicist Dirk Draulans. De insectenarmoede is bijvoorbeeld heel groot.

“De bosvogels doen het momenteel goed, omdat onze bossen beter beschermd worden”, stelt Draulans vast. “Bijna alle roofvogels zijn terug. Ik herinner me dat er in de jaren zeventig dagen waren dat ik geen enkele roofvogel zag. Het was toen een voorrecht om eens een buizerd te spotten. De jacht, maar ook het gebruik van het in 1974 verboden insectendodend middel DDT (dichloordifenyltrichloorethaan, red.) door de landbouwers zorgde toen voor massale sterfte.”

“Tuinvogels doen het ook goed, maar het is verontrustend dat sommige vogelsoorten echt aan het crashen zijn”, vertelt Dirk Draulans. “De huismus en de spreeuw doen het heel slecht, zeker in landbouwgebied. Ook weide- en akkervogels doen het heel slecht. In mijn jeugd hoorde je overal ortolanen en veldleeuweriken zingen. Door het verdwijnen van hagen en houtkanten en het intensief akker- en weidebeheer zijn die bijna overal verdwenen. Ons landschap wordt uitgekleed. Ik weet niet of het je al is opgevallen, maar zelfs Turkse tortels zie je steeds minder.”

In de Schelde is de biodiversiteit wel verbeterd door de waterzuivering. “De houting, een vissoort die al honderd jaar uitgestorven was, werd drie jaar geleden teruggevonden in de Schelde bij Kruibeke. Ook de fint, een haringachtige trekvis, is terug van weggeweest.”

De uitspraken van gedeputeerde Jinnih Beels over “het uitschakelen van probleembevers”, betreurt Draulans. “Het is duidelijk dat ze het dossier niet kent en gebrainwasht is door de Boerenbond. Haar uitspraken over hoe bevers onze voedselzekerheid in gevaar brengen omdat ze wat akkers onder water zetten, slaan nergens op. De boeren zitten op een aardappelberg van 860.000 ton. Het is bon ton om alles wat misloopt op de bever af te schuiven, in plaats van ze als wateringenieurs te zien. Op normale bodems zou het water beter intrekken, maar die bodemstructuur is zo hard- en vastgereden tegenwoordig door de kolossale landbouwmachines die tegenwoordig gebruikt worden.”

“De Aziatische hoornaar is nu volksvijand nummer één, maar er wordt met geen woord gerept over het bombardement aan pesticiden dat nog veel bedreigender is voor de bijen.”

Amper tien jaar geleden verklaarde Dirk Draulans nog in een interview dat hij met een gerust hart zijn kop zou kunnen leggen als de terugkeer van de wolf een feit is. “Ik had me al een nieuw target gesteld: de zeearend. Door afschot en pesticiden waren die ook helemaal uitgestorven. Maar kijk: sinds drie jaar broedt er weer een koppel zeearenden in natuurgebied De Blankaart bij Diksmuide. Marc Smets, conservator van het Turnhouts Vennengebied, vertelde me onlangs dat hij er tegenwoordig meer zeearenden ziet overvliegen dan ringmussen. Dat is goed nieuws, maar tegelijk dramatisch slecht nieuws, want de ringmus was vroeger een algemene soort.”


Terugkerende soorten in Vlaanderen

Zoogdieren


Vogels

Bronnen: Verkem et al 2003- Zoogdieren in Vlaanderen/INBO/waarnemingen.be/ Natuurpunt/KBIN/Natuur.oriolus/Natuurbericht


Deze dieren crashen:

Over alle soortgroepen heen is 28,9% van de wilde dieren in Vlaanderen bedreigd.


Insecten

Zoogdieren

Vogels


38% van de broedvogels in Vlaanderen zijn bedreigd (Rode lijst broedvogels 2016).

Habitats: slechts 2 van de 46 Europees beschermde habitats in Vlaanderen in goede toestand.

Burgers aan het woord

De recente dood van wolvin Noëlla en de discussie over probleembevers hebben het debat over wilde dieren in Vlaanderen weer op scherp gezet. Hoewel de terugkeer van deze soorten het resultaat is van betere bescherming, roept het bij de Vlaming gemengde gevoelens op. Is er in ons dichtbevolkte landje nog wel plek voor echte wildernis? Volgens natuurvereniging GroenRand ligt het antwoord in één woord: ontsnippering.
De mens als spelbreker

Veel Vlamingen wijzen naar de mens als de hoofdschuldige voor de verstoorde natuur. De mens maakt alles kapot, stelt David Dejaeghere. Voor hem is de bescherming van dieren een noodzakelijke correctie op de enorme ontginning van grondstoffen. Ook Sven Philips en Johan Lauwers treden hem bij: niet de dieren, maar de mens is de grootste vernietiger van het ecosysteem. Het herstellen van het evenwicht kost tijd, maar is volgens hen de enige weg vooruit.
Vlaanderen als wildlife-reservaat: een utopie?

Tegenover dit enthousiasme staat een grote groep sceptici die wijst op de praktische grenzen. Vlaanderen is simpelweg te verstedelijkt. Om de paar honderd meter is er een weg of een woning, zegt Maria Peeters. Zij ziet de vele doodgereden wolven als bewijs dat onze regio niet geschikt is voor dieren die uitgestrekte gebieden nodig hebben. Ook Bart Van der Heyden herinnert eraan dat onze voorouders deze dieren niet zonder reden hebben verdreven. Voor hem is het een utopie om te denken dat de natuur in een regio als de onze zelf haar evenwicht kan vinden.
De visie van GroenRand: Ontsnippering als sleutel

Natuurvereniging GroenRand ziet dit echter anders. Voor hen is het probleem niet het gebrek aan ruimte, maar de versnippering ervan. In hun visie is ecologische ontsnippering dé fundamentele oplossing om natuur en mens in een dichtbevolkt Vlaanderen te laten samenleven.
Door natuurgebieden weer met elkaar te verbinden via ecoducten, tunnels en groene corridors, ontstaan er grotere, veilige leefgebieden. Dit verlaagt niet alleen het aantal verkeersslachtoffers onder dieren, maar verkleint ook de kans op conflicten. Wanneer dieren zich veilig door natuurlijke verbindingen kunnen verplaatsen, duiken ze minder snel op in woonwijken of op plekken waar ze overlast veroorzaken. Een robuust groen netwerk over heel Vlaanderen is volgens de vereniging noodzakelijk om wilde soorten een eerlijke kans te geven.
Veiligheid en landbouw onder druk

Toch blijft de vrees bestaan. Een dier blijft een dier en als het in het nauw geraakt, zorgt dat voor problemen, merkt Ria Van Dyck op. Paul van Herck vraagt zich af hoe ver we kunnen gaan ten koste van de landbouwers. GroenRand pleit hier voor een nuchtere aanpak: in plaats van dieren zoals de bever simpelweg uit te schakelen, moeten we investeren in preventie, zoals het plaatsen van beverpipes om waterstanden te regelen of het wolf-proof maken van veeweides.
De weg naar een broos evenwicht

De roep om een nuchter beheer klinkt luid. Kris Claessens stelt dat de comeback een zegen is, mits er geen extra nadelen bij komen. Waar sceptici muren of hekken zien als oplossing, ziet GroenRand bruggen en verbindingen. Door strategische sleutelgronden aan te kopen en de natuur weer als één samenhangend netwerk te zien, kan Vlaanderen volgens hen veranderen van een verstedelijkt knelpunt in een veerkrachtig landschap waar mens en dier hun plek vinden.
Zolang de ruimte schaars blijft, zal de discussie waarschijnlijk even wild blijven als de wolf zelf. Maar met de juiste verbindingen hoeft natuurherstel in Vlaanderen geen utopie te blijven.