zondag 15 februari 2026

Lentekriebels in het Molenbos: GroenRand heet acrobaten welkom

Lentekriebels in het Molenbos: GroenRand verwelkomt acrobaten

Het was zo’n ochtend waarop de winter nog in de schaduw van de bomen hing, maar de zon al die onmiskenbare, tintelende kracht had van een nieuw begin. Vandaag trok ik mijn wandelschoenen aan voor een tocht door het Molenbos in Malle, een prachtige plek waar de natuur zich van haar meest diverse kant laat zien.

Ik ben hier niet alleen, want ik ben op pad met de gedreven leden van GroenRand.
Je merkt aan alles dat dit hun vertrouwde werkingsgebied is.
Terwijl we over de krakende bospaden stappen, vertellen ze gepassioneerd over hun missie.
 Ze zetten zich elke dag in voor het beschermen van de lokale biodiversiteit en het herstellen van de ecologische verbindingen die zo cruciaal zijn voor deze regio.


Tijdens de wandeling vertelt een lid dat dit bos een bijzondere geschiedenis heeft als voormalig abdijbos.
Het was eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met de nabijgelegen Abdij van Westmalle.
De trappistenmonniken beheerden deze gronden met veel zorg voor hun houtvoorraad en brouwerij.
Ze lieten de natuur echter ook haar gang gaan op de nattere plekken.


Dit historische beheer heeft ervoor gezorgd dat het bos een unieke structuur behield die je op veel andere plaatsen in Vlaanderen kwijt bent.
Je wandelt hier letterlijk door de sporen van de monniken, van de oude statige dreven tot de handgegraven grachten die het waterpeil in balans moesten houden.
Vandaag de dag waakt GroenRand over dit erfgoed om te voorkomen dat deze groene long versnipperd raakt.


De wandeling situeerde zich voornamelijk in het bos en voor een klein gedeelte op weidegebied. De tocht begon onder het dichte en geruststellende bladerdek waar de geur van vochtige grond en ontwakend groen mijn longen vulde. De echte magie voltrok zich echter toen het bos zich opende en plaatsmaakte voor een gedeelte weidegebied. Wat een heerlijk moment was dit!

Het spotten van de eerste kieviten van het seizoen voelt hier als de ultieme start van de lente. Hun kenmerkende en bijna acrobatische baltsvluchten brengen direct een golf van optimisme met zich mee. Dat overduidelijke "kievit-kievit" of "peewit" klinkt werkelijk als muziek in de oren. Het is een prachtig gezicht om ze met hun brede en ronde vleugels boven de nog prille velden te zien buitelen als teken dat de natuur weer volop tot leven komt en de winter definitief achter ons ligt.

Dit vroege voorjaarsspektakel, waarbij de mannetjes met hun fraaie kuif alles uit de kast halen om indruk te maken, geeft direct weer die vertrouwde lentekriebels. Of ze nu stil op een kluitje in het weiland zitten of spectaculaire duikvluchten maken, hun aanwezigheid in het Voorkempens landschap is een iconisch beeld dat elk jaar opnieuw voor een glimlach zorgt.

De kievit slaat menig beginnend vogelspotter met verstomming en je herkent hem werkelijk uit de duizend. De waanzinnige looks van deze middelgrote vogel zijn uniek: hij is zo'n 28 tot 31 cm lang, wat vergelijkbaar is met het formaat van een duif. Hij heeft een schitterende donkergroene rug met een bronzen schittering die in de zon bijna metaalachtig oogt. Verder zie je een witte buik met een zwarte hals die uitloopt naar de borst en een overwegend witte kop met één of enkele zwarte strepen.

De lange, zwarte kuif op het achterhoofd – bij de mannetjes iets langer – is zijn absolute handelsmerk. Verder zie je afgeronde vleugels, rode onderstaartveren en rood-roze poten. Maar achter die pracht schuilt een drama, want deze kleurrijke vogel kwam vorig decennium helaas op de Vlaamse Rode Lijst met bedreigde soorten terecht. Het Vlaams platteland vormt een van zijn zeldzame toevluchtsoorden, maar veilig is hij hier allerminst.

Er zijn dan ook grote inspanningen nodig om de resterende kievitpopulatie te beschermen.

De kievit heeft het niet gemakkelijk gehad. Eind 19de en begin 20ste eeuw verdween zijn oorspronkelijke leefgebied, de natte moerassen, haast volledig door het droogleggen en draineren van gronden. Niet alleen de habitat verdween, maar ook het beschikbare voedsel bij droogte, aangezien wormen zich dieper in de grond gingen terugtrekken. De kievit verhuisde noodgedwongen richting weiden en akkers en leek zijn eigen populatie even te redden. Maar door de toenemende intensivering van de landbouw zit het dier nu opnieuw in de problemen. Dat komt omdat zijn behoefte aan permanent kort grasland of lege akkers niet meer vervuld wordt. Dit komt enerzijds doordat grasvlaktes worden omvormd tot graanakkers en anderzijds door de felle bemesting van weilanden. Die hoge begroeiing is ongeschikt om kievitkuikens in groot te brengen. Bovendien groeit het gras tegenwoordig zo snel dat maaimachines reeds verschijnen terwijl de kievit nog aan het broeden is. Ook een toename aan bestrijdingsmiddelen is nefast voor de kievit die steeds minder voedsel in de buurt van zijn woonst vindt. Gelukkig wordt er hard gewerkt aan herstel. Onder andere het Sigmaplan biedt door het herstellen van de oorspronkelijke habitat weer wat hoop. Ook lokale projecten voor nestbescherming helpen om de verliezen tijdens landbouwwerkzaamheden te beperken.
Tijdens onze observatie zie ik een kievit een ingenieuze truc toepassen. Hij eet vooral insecten, weekdieren, regenwormen en spinnen, met ter afwisseling af en toe wat zaden. Hij spoort bodemdieren op met ogen en oren, maar heeft ook een uitzonderlijke techniek om hen te lokken wanneer hij op het eerste gezicht niets vindt.

De vogel imiteert het geluid van de regen door zachtjes met zijn poten op de grond te 'tokkelen'. Met de belofte van water komen regenwormen naar het oppervlak gesneld, waar de kievit klaarstaat om toe te slaan. Ook in het water gaat hij gelijkaardig te werk om een reactie van zijn prooien uit te lokken. De kievit houdt van open ruimtes: in velden, moerassen, slikken en kwelders heeft hij het helemaal naar zijn zin.
Buiten het broedseizoen leeft hij in luidruchtige groepen die klinken als een vogelkoor. In de winter vinden de kolonies beschutting in bewerkte akkers, bijvoorbeeld in de ploegvoren gemaakt door landbouwmachines.

Vanaf de maand maart begint het broedseizoen en verspreiden de vogels zich in de omgeving om koppels te vormen. Met een acrobatische luchtvoorstelling bakent het mannetje zijn territorium af en lonkt hij luid roepend naar de vrouwtjes. Hij graaft enkele nestkommen uit die hij versiert met grassprieten, waarna hij met opgepompte borstkas een vrouwtje begint te achtervolgen. Hij vliegt eerst laag over de grond, dan haast recht omhoog, laat zich vallen en draait onderweg links, rechts, soms volledig om zijn lengteas. Zo toont hij zijn mooie, wit gevlekte onderkant aan iedereen die het zien wil. Een geboren verleider! Zodra er op zijn avances ingegaan wordt, vindt de paring plaats. Binnen letterlijk enkele seconden is de klus geklaard. Het vrouwtje legt een viertal eieren. Als het legsel mislukt door bijvoorbeeld een vroege maaibeurt, komt er soms een tweede legsel.

Gedurende 25 tot 30 dagen broeden de ouders beurtelings de eieren uit. Het mannetje gedraagt zich als een echte 'champetter' en jaagt indringers actief weg of doet alsof hij gewond is om roofdieren te bedotten en weg te lokken van het nest. Wanneer de kuikens uitkomen, zijn ze bedekt met een beige donslaagje met zwarte vlekken. Het zijn nestvlieders die binnen enkele uren reeds het nest verlaten. Bij gevaar drukken ze zich plat tegen de grond en profiteren ze van hun camouflage. Na slechts 5 weken kunnen ze vliegen en voor zichzelf zorgen.
De leden van GroenRand vertellen me echter dat de kievit niet de enige schat is van dit gebied. Terwijl we terug het bos in wandelen, wijzen ze me op de enorme plantenrijkdom op de bosbodem. Het Molenbos staat bekend om zijn typische voorjaarsflora. Binnenkort veranderen de holle wegen en bosranden in een wit tapijt van bosanemonen.

Ook het zeldzame dalkruid en de elegante salomonszegel voelen zich hier thuis dankzij de eeuwenoude, ongestoorde bosgrond. In de nattere delen rond het oude Zandven groeit de aronskelk met zijn opvallende bloeivorm. Deze planten zijn stille getuigen van een gezond bosecosysteem. Onder de statige kruinen leeft ook de boommarter.

Dit behendige roofdier is een ware acrobaat in de bomen en heeft hier de rust gevonden die hij elders in Vlaanderen zo vaak moet missen. Plotseling weerklinkt er een krachtig, bijna lachend geluid van de zwarte specht.


Deze grootste specht van Europa is een icoon van dit gebied.
Hij hakt enorme holen in de dikke stammen die later weer als kraamkliniek dienen voor andere bosbewoners zoals de kauw.
Ook de middelste bonte specht en de mysterieuze wespendief kiezen dit landschap vaak uit als broedplaats.


Zelfs de indrukwekkende oehoe is in deze groene gordel al gespot.
Ook de rebevolking is hier gezond en stabiel.
Tijdens de schemering zie je ze vaak grazen op de overgang tussen het bos en de weiden.
Het is precies deze overgangszone die door GroenRand zo vurig wordt beschermd tegen versnippering.
Toen we na onze boeiende tocht weer bij het startpunt aankwamen, voelde ik me een bevoorrecht mens. De kievit is een iconisch beeld dat elk jaar opnieuw voor een glimlach zorgt. Dankzij de onvermoeibare inzet van de mensen bij GroenRand, die waken over dit historisch trappistenerfgoed en de kwetsbare natuur, kunnen we dit spektakel in Malle blijven bewonderen. De kievit is terug en daarmee ook dat heerlijke lentegevoel. Het besef dat dit bos al eeuwenlang een schuiloord is voor zowel monniken als zeldzame dieren, maakt mijn wandeling van vandaag werkelijk onvergetelijk. Foto's - bos: © Rodrik Steverlynck, boommarter: Karel De Blick, andere foto's Frank Vermeiren

De zoutrevolutie: hoe een Chinese doorbraak de wereld van elektrisch rijden volledig verandert

De zoutrevolutie: waarom een Chinese doorbraak de wereld van elektrisch rijden op zijn kop zet

De elektrische revolutie bevindt zich op een cruciaal kantelpunt, waarbij de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame mobiliteit niet langer wordt afgeremd door politieke onwil, maar door de fundamentele wetten van de chemie en de economie.
De huidige generatie elektrische voertuigen leunt nagenoeg volledig op lithium-ion technologie, een systeem waarbij lithium-ionen als energiedragers fungeren.
Hoewel lithium uiterst efficiënt is vanwege zijn lage atoommassa en hoge energiedichtheid, kleven er aanzienlijke nadelen aan: het materiaal is schaars, de winning is ecologisch belastend en de prijs is onderhevig aan geopolitieke spanningen.
De recente doorbraak uit China, waarbij natrium-ion batterijen — ook wel zoutbatterijen genoemd — op commerciële schaal worden geproduceerd, markeert daarom een historisch moment in de energietransitie.
De wetenschappelijke kern van deze innovatie ligt in het periodiek systeem der elementen.
Natrium bevindt zich direct onder lithium en deelt veel chemische eigenschappen, maar met één cruciaal verschil: natriumatomen zijn aanzienlijk groter.
Jarenlang vormde dit een onoverkomelijk probleem, omdat deze grotere ionen de interne structuur van de batterijpolen letterlijk kapot drukten tijdens het laden en ontladen.
Chinese onderzoekers hebben dit opgelost door de traditionele grafiet-anodes te vervangen door 'hard carbon', een amorf materiaal met grotere tussenruimtes waarin de robuuste natrium-ionen zich vrij kunnen bewegen.
Hierdoor ontstaat een batterij die niet alleen duizenden cycli meegaat, maar ook veel minder gevoelig is voor thermische instabiliteit.
Waar lithium-batterijen bij beschadiging of oververhitting een risico op brand vormen, is de chemie van natrium inherent stabieler en veiliger.
Naast de technische stabiliteit biedt de zoutbatterij een enorme verademing voor de natuur en onze ecosystemen.
De winning van lithium is momenteel een ecologische wond; voor de productie van één ton lithium is vaak tot twee miljoen liter water nodig, wat in droge gebieden leidt tot uitgeputte waterreserves en verlies van biodiversiteit.
Natrium kan daarentegen op een veel vriendelijkere manier uit zeewater of overvloedige zoutvoorraden worden gewonnen, zonder de lokale waterbalans te verstoren.
Bovendien maakt de zoutbatterij een einde aan de afhankelijkheid van giftige en schaarse metalen zoals kobalt en nikkel.
De extractie van deze metalen gaat vaak gepaard met zware milieuvervuiling en ethisch dubieuze mijnbouw.
Door over te stappen op natrium wordt de ecologische voetafdruk van de grondstoffenwinning met ruim de helft verlaagd, mede omdat schaars koper in de batterij vervangen kan worden door het gemakkelijker recyclebare aluminium.
Deze milieuwinst zet zich door tot aan het einde van de levenscyclus van de auto.
Door hun stabiele chemische samenstelling zijn zoutbatterijen aanzienlijk eenvoudiger en veiliger te recyclen dan hun lithium-tegenhangers.
Ze zijn voor bijna 98% recyclebaar, waarbij materialen efficiënt kunnen worden teruggewonnen zonder de complexe en vervuilende chemische procedures die nodig zijn om lithium-ion cellen te ontleden.
Ook tijdens het productieproces zelf wordt energie bespaard; omdat natrium-ionen bij lagere temperaturen verwerkt kunnen worden, is de co2-uitstoot tijdens de fabricage lager.
Hierdoor verlaat de auto de fabriek met een aanzienlijk kleinere milieuschuld.
Hoewel de energiedichtheid van natrium-ion batterijen op dit moment nog lager ligt dan die van de meest geavanceerde lithium-cellen, is de impact op de massamarkt onmiskenbaar.
Voor de gemiddelde stadsauto of de compacte gezinswagen, waarbij een actieradius van driehonderd kilometer volstaat, biedt zout een economisch en ecologisch superieur alternatief.
Door de productiekosten van het batterijpakket met wel veertig procent te verlagen, verdwijnt de noodzaak voor overheidssubsidies om de elektrische auto competitief te maken. We kijken hier niet naar een niche-innovatie, maar naar de democratisering van schone energie.
De zoutbatterij bewijst dat de meest effectieve oplossingen voor de toekomst verborgen liggen in de meest alledaagse stoffen, en met deze Chinese doorbraak is de weg vrijgemaakt voor een betaalbare en werkelijk duurzame toekomst voor iedereen.
De transitie naar de zoutbatterij markeert een cruciaal kantelpunt voor de bescherming van onze wereldwijde ecosystemen, aangezien deze technologie de destructieve ecologische voetafdruk van de huidige batterijproductie radicaal verkleint. Waar de traditionele winning van lithium een ware aanslag is op de natuur – met een verbruik van miljoenen liters water in kurkdroge gebieden zoals de Andes – spaart de natrium-ion technologie onze kostbare waterreserves.
In deze kwetsbare regio’s leidt de huidige mijnbouw tot het uitdrogen van zoutmeren en het verdwijnen van unieke habitats voor zeldzame flora en fauna, terwijl natrium op een duurzame manier uit zeewater of overvloedige zoutvoorraden kan worden gewonnen zonder de lokale waterbalans te verstoren.
Bovendien maakt de zoutbatterij een einde aan de afhankelijkheid van giftige zware metalen zoals kobalt en nikkel, waarvan de extractie vaak gepaard gaat met grootschalige bodemvervuiling en de vernietiging van uitgestrekte natuurgebieden.
Door gebruik te maken van niet-toxische en overvloedig aanwezige componenten, wordt het risico op chemische lekkages naar het grondwater tot een minimum beperkt.
Aan het einde van de levenscyclus biedt de zoutbatterij bovendien een superieur ecologisch profiel; door de stabiele chemische samenstelling is de accu voor bijna 98% recyclebaar zonder de noodzaak voor vervuilende procedures.
Hierdoor transformeren we de elektrische auto van een voertuig met een zware ecologische schuld naar een product dat werkelijk in harmonie is met de circulaire economie en de herstellende kracht van de natuur.
Foto:Calt

De klimaatgordel onder druk: GroenRand en de dringende nood aan ontsnippering van de Antwerpse rand

De Klimaatgordel onder druk: GroenRand en de urgente ontsnippering van de Antwerpse rand

In het dichtbebouwde Vlaanderen vormt habitatfragmentatie de fundamentele oorzaak van de hoge sterfte onder wilde dieren en de snelle achteruitgang van de biodiversiteit.
Als een van de meest versnipperde regio's van Europa wordt onze natuur opgebroken in kleine "eilandjes" door een web van bebouwing en asfalt, waarbij een dier gemiddeld om de 300 meter een fysieke weg tegenkomt.

Deze versnippering dwingt fauna tot gevaarlijke verplaatsingen voor voedsel, schuilplaatsen of voortplanting, wat leidt tot een tragische balans waarbij de grootste tol wordt geëist door het verkeer.
Met naar schatting 5 miljoen wegslachtoffers per jaar — zo’n 14.000 per dag — is de impact van ons wegennetwerk op soorten zoals amfibieën en egels immens.

Direct daarna volgt de impact van predatie door de naar schatting twee miljoen huiskatten in Vlaanderen, die jaarlijks tussen de 2 en 5 miljoen vogels en kleine zoogdieren doden.
Daarnaast vallen er jaarlijks 1 tot 2 miljoen slachtoffers door raambotsingen, een onderschat probleem in onze versteende omgeving waar glasarchitectuur een onzichtbare muur vormt voor migrerende vogels.

Vooral trekvogels worden door lichtvervuiling uit hun koers gelokt, wat lichtvervuiling tot een gedragsmatige barrière maakt: nachtdieren zoals vleermuizen durven verlichte wegen niet over te steken, waardoor hun leefgebied nog verder krimpt.
Hoewel deze directe sterftecijfers schokkend zijn, veroorzaakt habitatfragmentatie een dieper en structureler probleem: genetische isolatie.
Wetenschappelijk gezien spreken we hier over het doorbreken van de metapopulatie-structuur.

In een natuurlijk landschap vormen verschillende lokale groepen dieren één grote, verbonden populatie.
Wanneer wegen deze verbindingen doorsnijden, ontstaat het "eiland-effect".
De genetische variatie — de biologische gereedschapskist om aan te passen aan ziekten of klimaatverandering — wordt steeds kleiner.
Zonder "vers bloed" van buitenaf treedt er onvermijdelijk genetische drift en inteelt op.
Dit proces, waarbij schadelijke mutaties zich opstapelen door voortplanting tussen verwante individuen, maakt nageslacht zwakker, minder vruchtbaar en vatbaarder voor afwijkingen. Biologen vergelijken dit met een kopieermachine die een kopie van een kopie maakt.
Uiteindelijk wordt de genetische blauwdruk onleesbaar.

Hierdoor ontstaat een extinctie-schuld: populaties lijken nog te bestaan, maar zijn biologisch al gedoemd tot uitsterven omdat hun voortplantingssucces onder de kritieke grens is gezakt.
Dit proces wordt verergerd door de stikstofcrisis, waarbij een overmaat aan stikstof zorgt voor vergrassing en het verdwijnen van waardplanten voor insecten, wat de volledige voedselketen doet instorten.
Deze crisis strekt zich uit tot de "blauwe" versnippering, waarbij de Antitankgracht fungeert als de cruciale maar bedreigde levensader van de Voorkempen.
Als een robuuste drager verbindt deze gracht meer dan vijftien natuurgebieden, maar de werking ervan wordt gesmoord door barrières en een gebrekkige waterkwaliteit.
Vlaanderen scoort historisch slecht op de Europese Kaderrichtlijn Water; bijna geen enkele waterloop behaalt de status "goed" door eutrofiëring en chemische vervuiling door pesticiden.

Voor amfibieën en vissen is dit fataal. Zij raken geïsoleerd in vervuilde secties van de gracht.
Voor de otter is de situatie eveneens kritiek: bij hoog water durven zij niet door de duikers onder wegen, waardoor ze de rijbaan opklimmen met fatale gevolgen.
Loopplanken onder bruggen en nieuwe ecotunnels op de kruispunten van de Antitankgracht zijn de enige wetenschappelijk onderbouwde oplossingen, maar de realisatie hiervan blijft vaak uit door budgettaire obstructies en eindeloze studiefases.
De vogelstand in Vlaanderen fungeert als de ultieme graadmeter voor deze systeemcrisis.

Soorten zoals de Patrijs, de Grauwe Gors en de Kerkuil zijn in grote delen van Vlaanderen nagenoeg uitgestorven door een combinatie van habitatverlies en de insectencrisis.
Zelfs de boomkikker leeft momenteel in een toestand van "natuurlijke intensive care": hij overleeft enkel omdat de mens constant nieuwe poelen graaft, maar zonder verbonden corridors langs structuren als de Antitankgracht blijven deze groepen genetisch geïsoleerd.

Vaak wordt ontsnippering gezien als een dure hobby, maar wildaanrijdingen veroorzaken jaarlijks miljoenen euro's aan materiële schade.
Een ecoduct verdient zichzelf terug door het vermijden van zware ongevallen.
In dit complexe dossier is de vereniging GroenRand uitgegroeid tot de centrale kracht die dit thema op de politieke kaart houdt.
Zij wijzen consequent op de problematiek van het "studie-infarct": de neiging van de Vlaamse overheid om miljoenen te investeren in dure ontwerponderzoeken, zoals de Antwerpse Klimaatgordel, terwijl het budget voor de effectieve uitvoering op het terrein uitblijft.


GroenRand stelt terecht dat biodiversiteit niet herstelt van een prachtig PDF-rapport, maar van de fysieke bouw van ecoducten en het zuiveren van waterlopen.
Terwijl miljarden naar infrastructuur vloeien, blijft het budget voor ontsnippering via het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) beperkt.
Voor de Antitankgracht betekent dit dat zij wel als "prioritair" op papier staat, maar dat de uitvoering voor de periode 2026-2031 onzeker blijft door politieke prioritering van asfalt boven natuur.
De politieke discussie voor de komende jaren bevindt zich in een kritiek spanningsveld.

Hoewel de wetenschappelijke noodzaak door het INBO uitvoerig is gedocumenteerd, staat er een duidelijke budgettaire rem op de plannen.
GroenRand waarschuwt dat dit uitstel fataal kan zijn. De genetische klok doortikt onverbiddelijk.
De Europese Natuurherstelwet dwingt Vlaanderen om tegen 2030 de biodiversiteit structureel te herstellen.
Zonder een substantiële verhoging van de budgetten dreigt onze natuur een verzameling geïsoleerde "levende kerkhoven" te blijven. De rol van burgercollectieven zoals GroenRand blijft essentieel om te eisen dat ontsnippering een integraal onderdeel wordt van elk mobiliteitsplan.
Er is nood aan een verschuiving van "papieren natuur" naar tastbare resultaten.
Alleen door deze dodelijke barrières structureel te doorbreken via tunnels en ecoducten — de zogenaamde "huwelijksbootjes" voor genetische uitwisseling — kan de biologische veerkracht van de Vlaamse natuur voor de toekomst worden veiliggesteld.
Foto's: Wim Verschraegen en Frank Vermeiren - medewerkers van Onze GroenRand-natuur


Grote belangstelling voor de otter: Volgeboekte Europese conferentie toont breed maatschappelijk draagvlak

Massale belangstelling voor de otter: Volgeboekte Europese conferentie bewijst enorm maatschappelijk draagvlak

© ​Yves Adams

Op 12 en 13 maart 2026 vormt het Provinciehuis Antwerpen het strategische middelpunt van de Europese natuurbescherming. Dat deze Europese Otterconferentie reeds maanden op voorhand officieel volgeboekt is, mag een ongekend succes worden genoemd. In de wereld van de internationale wetenschap en natuurbeheer is het zeldzaam dat een technisch congres zo’n enorme stormloop veroorzaakt. Deze massale belangstelling is het onomstotelijke bewijs van een diepgeworteld maatschappelijk draagvlak: de otter is in Vlaanderen geëvolueerd van een schuwe, bijna uitgestorven soort tot een krachtig nationaal symbool voor de broodnodige hersteloperatie van onze natuur.


Het succes van de inschrijvingen fungeert als een luid en duidelijk signaal naar de Wetstraat: de burger, de wetenschapper en de natuurbeheerder eisen samen een ambitieuzer en slagvaardiger beleid.
De otter is immers een icoon en graadmeter voor gezonde water- en natte ecosystemen.
Tijdens de conferentie wordt uitgebreid besproken hoe kritieke knelpunten – zoals de versnippering van leefgebieden en het hoge aantal verkeersslachtoffers – structureel kunnen worden aangepakt, en hoe de populatiekloof tussen verschillende landen kan worden gedicht.
Het congres biedt een uniek platform om praktische ervaringen uit te wisselen, waarbij succesvolle praktijkvoorbeelden worden gedeeld uit Nederland, België, Frankrijk en andere Europese landen. Deelnemers gaan naar huis met direct toepasbare kennis en inspiratie voor hun eigen herstelprojecten.

De bijeenkomst, mede mogelijk gemaakt dankzij het Interreg-project 'Otter over de grens', vormt hiermee een unieke gelegenheid voor grensoverschrijdende samenwerking en het versterken van robuuste waterecosystemen in Europa.
Dit congres fungeert tevens als het formele sluitstuk van de eerste vijfjarige cyclus van het Vlaamse Soortenbeschermingsprogramma (SBP) Otter.
Dat dit programma juist nu eindigt, markeert geen voltooiing, maar een kritiek evaluatiemoment.
Met een populatie die op slechts 5 tot 15 exemplaren wordt geschat, blijft de situatie uiterst precair.
De afgelopen jaren is hier en daar geïnvesteerd in de 'hardware' van de natuurbescherming, zoals faunatunnels en loopplanken. Hoewel dit reanimatiepakket een goede aanzet was, volstaat het nog lang niet voor een zelfbedruipende populatie.
De conferentie dient daarom als platform waar experts van de IUCN Otter Specialist Group en het WWF België een fundamentele koerswijziging bepleiten: van het redden van individuen naar het herstellen van volledige watersystemen.
De financiële realiteit achter dit herstel legt echter een pijnlijke kloof bloot tussen ambitie en uitvoering.
Er wordt vandaag nog te vaak en te eenzijdig gerekend op tijdelijke Europese subsidies om de Vlaamse natuurdoelen te halen.
Hoewel de Vlaamse overheid in februari 2026 nog projectsubsidies voor soorten goedkeurde, is het totale bedrag van € 218.706 bestemd voor maar liefst 12 verschillende projecten, verdeeld over diverse soorten zoals weidevogels en vleermuizen.
Voor de otter zelf gaat het om slechts 3 regionale projecten, wat neerkomt op een directe investering van maximaal € 90.000. Wanneer men dit bedrag afzet tegen de gigantische uitdagingen — zoals de sanering van PFAS-verontreiniging, het herstel van volledige valleien en de herinrichting van de 33 km lange Antitankgracht — is de conclusie onvermijdelijk: de otter is de pineut van bezuinigingen en ondergefinancierd beleid.
Met minder dan een ton aan directe projectsteun voor heel Vlaanderen blijft de soort steken in de overlevingsmodus.
De onzekerheid wordt nog groter bij het bekijken van de structurele ontsnipperingsmiddelen.
Hoewel het VAPEO-programma (Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering) ooit ambitieus startte, is de structurele financiering voor de komende jaren onduidelijk.

Het nieuwe investeringsprogramma voor de cruciale periode 2026-2031 is momenteel nog een onbeschreven blad dat pas tijdens de komende begrotingsbesprekingen vorm moet krijgen.
Dit gebrek aan langetermijnfinanciering betekent dat de otter de dubbele pineut is: hij verliest niet alleen zijn Europese steun in 2027, maar dreigt ook de aansluiting te missen bij een haperend Vlaams ontsnipperingsbeleid.
Zonder harde garanties voor miljoeneninvesteringen in ecoducten en ecotunnels tot 2031, blijven de 33 kilometer van de Antitankgracht een verzameling losse segmenten in plaats van een veilige thuishaven.
In de schaduw van dit congres speelt de regionale vereniging GroenRand een cruciale rol.

Voor hen markeert mei 2026 een strategische transformatie: zij ronden hun publieksgerichte ottercampagne af om zich voortaan te profileren als een onafhankelijke kwaliteitsbewaker voor beleidsopvolging.
De focus verschuift definitief naar de Wetstraat.
De vereniging zal nauwgezet toezien op de feitelijke uitvoering van natuurplannen door de overheid.
De tijd van vrijblijvendheid is voorbij; GroenRand streeft naar concrete resultaten en spreekt volksvertegenwoordigers direct aan op hun controlerende taak.
Zij roepen parlementsleden op om samen minister Brouns te ondervragen via parlementaire weg – middels actuele vragen, interpellaties en hoorzittingen – om harde garanties af te dwingen voor structurele budgetten voor een noodzakelijk SBP 2.0 en een daadkrachtig VAPEO-budget tot 2031.
Centraal hierin staat het Projectplan Antitankgracht 2026-2031, dat versnipperde natuurgebieden in de Antwerpse regio werkelijk moet verbinden.
Het programma van de conferentie weerspiegelt deze noodzaak tot integrale actie.


Op donderdag 12 maart vindt een diepgaande kennisuitwisseling plaats in het Provinciehuis, gevolgd door een terreinbezoek aan de Polders van Kruibeke in het Nationaal Park Scheldevallei op vrijdag 13 maart.
Hier staat de onmisbare rol van het vrijwillige Otter- en Bevernetwerk centraal.
Hun jarenlange inzet met cameravallen heeft geleid tot het huidige maatschappelijke draagvlak en legt de basis voor de politieke claim op meer natuurruimte.
De verzamelde beelden bewijzen onomstotelijk dat de otter de wil heeft om terug te keren, maar dat de fysieke en chemische barrières hem daarvan weerhouden.
Het succes van dit volgeboekte congres onderstreept dat de sector de budgettaire tekorten aan den lijve voelt en een krachtig signaal afgeeft: de tijd van symbolische bedragen en het louter "rekenen op Europa" moet plaatsmaken voor grootschalige, Vlaamse investeringen die minstens tot 2031 zijn vastgelegd.
De transformatie van GroenRand symboliseert de overgang van sensibilisering naar een deskundige beleidsopvolging.
De otter fungeert als de ultieme graadmeter voor de politieke moed om te kiezen voor zuiver water en een verbonden landschap. De uiteindelijke waarde van dit congres zal blijken uit de politieke daadkracht in de maanden die volgen.
Het doel is dat de otter in Vlaanderen niet langer als een zeldzame gast wordt beschouwd, maar als een permanente bewoner wordt verankerd. Dit dubbele slotakkoord is geen eindstation, maar de noodzakelijke start van een nieuwe fase waarin de overheid de regie neemt over een natuurherstel dat de schamele projectsubsidies van vandaag ver overstijgt.

De otter is terug; nu is het aan het beleid om ervoor te zorgen dat hij niet langer de pineut blijft van een gebrek aan structurele Vlaamse middelen.
Hiervoor is het essentieel dat volksvertegenwoordigers de minister kritisch bevragen over de budgettaire continuïteit na 2026, de concrete ontsnipperingsschema's tot 2031 en de specifieke sanering van habitats in kerngebieden.
Enkel door kennis te verbinden met hard beleid kan de otter in Vlaanderen werkelijk een toekomst worden geboden.

zaterdag 14 februari 2026

Verslag: GroenRand tijdens de 29ste ANKONA-ontmoetingsdag 2026 – Een blauwdruk voor natuur in de stadse omgeving

Verslag: GroenRand op de 29ste ANKONA-ontmoetingsdag 2026 – Een Blauwdruk voor Natuur in het Beton 

Vandaag vormde de UA-campus Drie Eiken het kloppend hart van de Vlaamse natuurstudie. Als redactie van GroenRand zagen wij een aula die tot de laatste stoel gevuld was met een unieke mix van vrijwilligers, professionele biologen en beleidsmakers.


De Provincie Antwerpen zette met het centrale thema 'Biodiversiteit in bebouwd landschap' de toon voor een noodzakelijke transitie: natuur is in onze regio niet langer iets voor 'buiten de stad', maar een essentieel onderdeel van onze stedelijke leefbaarheid en klimaatadaptatie. De dag opende met een krachtig pleidooi van onderzoekers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Een van de meest besproken lezingen was 'Licht uit, biodiversiteit aan!'.
Hierin werd de desastreuze impact van lichtvervuiling op de biologische klok van nachtactieve fauna blootgelegd. In het bijzonder werd de situatie van vleermuizen in de Antwerpse rand toegelicht. Zij verliezen hun vliegroutes door de overdaad aan kunstlicht. GroenRand pleit hier al langer voor 'duisternis als kwaliteit', en het was bemoedigend om te zien dat de provincie nu concrete richtlijnen voor slimme verlichting omarmt om deze onzichtbare barrières te doorbreken. Daarnaast werd de problematiek van invasieve uitheemse soorten uitgebreid behandeld. De opmars van de Aziatische hoornaar en de negatieve impact op onze wilde bijenpopulaties vraagt om een gecoördineerde aanpak. Onder het motto 'Meten is weten' werd aangetoond dat data van citizen science-platforms zoals Waarnemingen.be de enige manier is om deze invasies tijdig in kaart te brengen en effectief te beheren. Een ander boeiend luik was de monitoring van marterachtigen. Experts toonden aan hoe de steenmarter en de boommarter hun weg terugvinden naar de bebouwde kom, wat zowel kansen voor de biodiversiteit als uitdagingen voor de relatie met de mens met zich meebrengt.

Parallel hieraan vond de populaire workshop 'Het leven in een waterdruppel' plaats.
Onze redactie zag hoe deelnemers met microscopen de onzichtbare wereld van raderdiertjes en watervlooien ontdekten. Deze micro-organismen fungeren als de ultieme bio-indicatoren voor onze waterkwaliteit;
Hun aanwezigheid vertelt ons direct hoe gezond onze stadsvijvers en poelen zijn. Deze technische vaardigheden stellen vrijwilligers in staat om in hun eigen gemeente de vinger aan de pols te houden van lokale ecosystemen.
De focus op de kleinste details werd prachtig gespiegeld in de vertoning van de bekroonde film 'Een gemeenschap van leven' van Rik van der Linden.
Deze documentaire vormde het emotionele ankerpunt van de dag en illustreerde de onzichtbare draden van symbiose en bestuiving die ons ecosysteem overeind houden.



Een opvallend voorbeeld was de natuurlijke bestrijding van de eikenprocessierups door het stimuleren van natuurlijke vijanden zoals mezen en sluipvliegen, wat op lange termijn effectiever bleek dan chemische interventies.
De film was een krachtig pleidooi om natuurbeheer niet te laten stoppen bij de perceelsgrens, maar te bouwen aan een groen-blauwe dooradering van ons landschap.
Op de drukbezochte infomarkt spraken wij uitgebreid met vogelwerkgroep De Stadsmus.
Hun projecten rond de bescherming van gierzwaluwen en de bouw van de 'beestentoren' in de Wolvenberg zijn schoolvoorbeelden van hoe lokale actie een verschil maakt. De passie waarmee deze vrijwilligers data verzamelen in het Stadspark of op de Konijnenwei is de brandstof voor het provinciale beleid.
Er was tevens aandacht voor de herwaardering van begraafplaatsen als stilte-natuurgebieden.
Waar deze plekken vroeger vaak steriel en strak gemaaid waren, evolueren ze nu naar hotspots voor biodiversiteit door extensief maaibeheer en het behoud van oude muren en holle bomen.
Dit biedt een toevluchtsoord aan zeldzame korstmossen, solitaire bijen en zelfs de hazelmuis, ver weg van de stedelijke hectiek.

De dag bereikte een formeel hoogtepunt met de uitreiking van de ANKONA-vrijwilligersprijs, een erkenning voor de duizenden uren onbezoldigd veldwerk die de basis vormen voor wetenschappelijk onderbouwde natuurdoelen.
De afsluitende netwerkreceptie bood de gelegenheid om ervaringen uit te wisselen tussen verschillende verenigingen, waarbij nieuwe samenwerkingsverbanden voor 2026 werden gesmeed.
Als redactie van GroenRand concluderen wij dat dit congres een krachtige bevestiging is van de visie die wij al jaren uitdragen.
De gepresenteerde inzichten over biodiversiteit in de stadsrand sluiten naadloos aan bij onze eigen kernpunten voor een robuust landschap.
Wij zien een sterke parallel tussen de wetenschappelijke noodzaak van ecologische verbindingen en onze roep om een volwaardige groen-blauwe dooradering. De groene rand en de stadsrand mogen geen barrière zijn, maar moet een genetische brug vormen tussen grotere natuurkernen zoals de Antitankgracht, die als cruciale klimaatbuffer fungeert.
De focus op waterkwaliteit onderstreept bovendien onze inzet voor gezonde ecosystemen die weerbaarder zijn tegen plagen en klimaatextremen.
Daarnaast vindt de herwaardering van 'vergeten' ruimtes zoals begraafplaatsen, de dringende nood aan ontharding in de Noordrand en het versterken van het houtkantennetwerk een directe weerklank in onze ambitie voor natuurverweving en een klimaatbestendige Voorkempen.
Alle presentaties, wetenschappelijke abstracts en postersessies van vandaag worden binnenkort gebundeld in een digitaal verslagboekje op de officiële ANKONA-website.

Voor wie direct aan de slag wil, blijft de boodschap van deze dag helder: de weg naar een groener bebouwd landschap vraagt om kennis, passie en een onvermoeibare inzet voor de gemeenschap van leven die ons allen omringt.
Onze missie voor een gezonde leefomgeving en een kritische monitoring van het natuurbeleid blijft onverminderd groot, gesteund door de bosuitbreidingsplannen in Zoersel, Schilde en Malle. Dit congres bewees dat de strijd voor een groene, duistere en biodiverse provincie gedragen wordt door een onstuitbare gemeenschap van leven.

Foto's: INBO - Ardea

Code Rood in het INBO-Rapport: Waarom de Nieuwste Zesjaarlijkse Evaluatie Vlaanderen dwingt tot scherpe keuzes

Code Rood in het INBO-rapport: waarom de nieuwste zesjaarlijkse evaluatie Vlaanderen voor scherpe keuzes stelt

Het gaat niet goed met de Vlaamse natuur. Dat is de nuchtere en ontnuchterende conclusie van de nieuwste zesjaarlijkse evaluatie door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).
Terwijl we in de media vaak lezen over de spectaculaire triomftocht van de zeearend of de boomkikker, bloedt de biodiversiteit op het platteland in stilte dood.
Het rapport legt een pijnlijke paradox bloot.
We zijn zeer succesvol in het redden van specifieke paradepaardjes via dure en gerichte projecten.
Maar we falen op grote schaal in het beschermen van de basiskwaliteit van ons landschap.
Het INBO stelt onomwonden dat we tot nu toe vooral het laaghangend fruit hebben geplukt.
De herstelmaatregelen die nu nodig zijn, vragen om veel scherpere keuzes voor een robuust en aaneengesloten landschap.
De focus moet nu liggen op vernatting.
Toch tonen de successen aan dat natuurherstel werkt als we de politieke moed hebben om de natuur de ruimte te bieden die ze nodig heeft.


Een van de meest sprekende voorbeelden van hoe menselijk ingrijpen het tij kan keren, is de boomkikker.
Dit felgroene kikkertje van amper vijf centimeter lang is een bijzonderheid in onze streken.
Dankzij speciale zuignapjes op zijn tenen is het de enige inheemse soort die behendig in braamstruiken en bomen klimt om te zonnen of te jagen.
De boomkikker dankt zijn naam aan dit unieke klimvermogen.
In de vorige eeuw was de soort bijna volledig van de kaart geveegd door de schaalvergroting in de landbouw.
Dankzij grootschalige projecten waarbij honderden poelen werden hersteld en kilometers aan hagen en houtkanten werden heraangelegd, klom de soort spectaculair uit een diep dal.

Het succes van de boomkikker bewijst dat we soorten kunnen redden als we hun specifieke behoeften centraal stellen.
Ook langs de Schelde zien we een vergelijkbaar mirakel dat twintig jaar geleden ondenkbaar was.
De rivier was ooit een van de meest vervuilde van Europa.
Nu is ze getransformeerd tot een ecologische snelweg.

De fint is hier de grote graadmeter.
Deze zilverkleurige haringachtige vis brengt een groot deel van zijn leven op zee door maar trekt de rivieren op om te paaien.
Het is een trekvis die extreem gevoelig is voor zuurstofgebrek in het water.
Dat de fint nu weer in groten getale in de Schelde rondzwemt en daar ’s nachts zijn kenmerkende paaisprongen boven het wateroppervlak maakt, vertelt ons alles over de verbeterde waterkwaliteit.
In de slipstroom van dit waterherstel keerden ook de grote vogels terug.


De lepelaar is weer een vaste bewoner.
Deze statige witte vogel met zijn zwarte snavel die als een lepel door het water zeeft op zoek naar stekelbaarsjes en garnalen, is een icoon geworden van de Scheldevallei.
In de uitgestrekte rietkragen die door het Sigmaplan zijn gecreëerd, vinden we ook de meer mysterieuze bewoners terug.


De roerdomp is een reigersoort die zich meesterlijk onzichtbaar maakt tussen de stengels.
Bij het minste gevaar neemt hij de paalhouding aan.
Hierbij steekt hij zijn hals en snavel recht omhoog zodat zijn bruin-gestreepte verenkleed perfect versmelt met het riet.
Naast hem leeft de woudaap.

Dit is het kleinste reigertje van Europa. Deze vogel is niet groter dan een duif en vliegt zelden.
In plaats daarvan klautert hij met zijn lange tenen behendig als een primaat door rietstengels en struiken.
Dit leverde hem de naam woudaap op.

De absolute kroon op het werk is de terugkeer van de zeearend. Dit is de grootste roofvogel van Europa met een spanwijdte van wel 2,4 meter.
Dat deze vliegende deur weer in Vlaanderen broedt, is het ultieme bewijs dat we in staat zijn om top-predatoren de ruimte te geven die ze nodig hebben.
Volgens het Agentschap voor Natuur en Bos is dit succes direct te danken aan de langetermijnvisie van het Sigmaplan.
Dit ambitieuze project zet in op natuurlijke overstromingsgebieden om water bij hevige regenval langer op te houden.
Het is een strategie die veiligheid voor de mens combineert met kansen voor de natuur.
Tijd en continuïteit zijn hierbij de cruciale factoren.
In het begin was de weerstand echter enorm.
Omwonenden en landbouwers vreesden dat meer ruimte voor de Schelde hun gronden minder waard zou maken.
Ze dachten dat de natuur afval en ongedierte tot aan hun achterdeur zou brengen.
Gaandeweg zagen ze echter in dat de nieuwe natuur kansen bood voor recreatie en levenskwaliteit.
Vandaag is die houding volledig gedraaid.
Voormalige tegenstanders baten nu succesvolle B&B’s uit voor natuurtoeristen.
Ze gidsen groepen door de gebieden om een glimp op te vangen van de otter.
Dit slanke roofzoogdier met zijn waterafstotende vacht overleeft enkel in visrijk en zuiver water.

De boommarter is een van de meest mysterieuze bewoners van onze Vlaamse natuur en zijn voorzichtige terugkeer naar de Voorkempen is een hoopvol teken voor de lokale biodiversiteit. In tegenstelling tot zijn cultuurminnende neef, de steenmarter, is de boommarter een kritische bosbewoner die hoge eisen stelt aan zijn leefomgeving.
Voor deze schuwe marterachtige is een versnipperd landschap namelijk een onoverkomelijke hindernis.
De soort verplaatst zich bij voorkeur via de boomkruinen en mijdt open vlaktes waar hij kwetsbaar is voor predatoren en het verkeer.
Een robuust en ononderbroken bosareaal is essentieel omdat boommarters over enorme territoria beschikken, waarbij een enkel mannetje soms wel 2.000 hectare bestrijkt.
Binnen deze gebieden heeft hij nood aan variatie: oude loofbomen met natuurlijke holtes of spechtengaten dienen als veilige rustplaatsen en kraamkamers, terwijl een dichte ondergroei zorgt voor voldoende voedsel in de vorm van muizen, vogels en vruchten.
Wanneer natuurgebieden via ecologische corridors zoals de Antitankgracht met elkaar verbonden worden, ontstaat er een groen netwerk dat de boommarter in staat stelt om nieuwe territoria te bezetten en genetische uitwisseling tussen populaties te waarborgen. De terugkeer van de otter en de bever is deels te danken aan hun Europese beschermingsstatus.
Voor de wolf volstond het soms simpelweg dat we stopten met hem massaal te doden.
Achter deze glansrijke verhalen schuilt echter een bikkelharde realiteit die we niet langer kunnen negeren.
Nergens in Europa is het met de natuur slechter gesteld dan bij ons.
Van de 70 Europees beschermde soorten verkeren er slechts 18 in een gunstige staat van instandhouding.
Nog eens 18 soorten bevinden zich in een matig ongunstige staat. Met 29 soorten gaat het ronduit slecht.
Bij de beschermde habitattypes is het beeld nog dramatischer.
Van de 46 ecosystemen zijn er slechts twee in gunstige staat.
Met twee is het matig ongunstig gesteld en maar liefst 40 habitats scoren zeer ongunstig.
Vooral in het cultuurlandschap voltrekt zich een stille ramp. Vogelsoorten zoals de kwartelkoning en het paapje zitten op een dieptepunt.
Dat geldt ook voor de veldleeuwerik en de kievit.
De kwartelkoning is een schuwe vogel die zich diep in de graslanden verschuilt.
Hij valt enkel op door zijn raspende crex-crex roep.
De wilde hamster hapt eveneens naar zijn laatste adem.
De hamster heeft diepe bodems nodig waarin hij zijn burchten kan graven.
Hij vindt in het moderne landschap echter geen dekking en geen voedselvoorraad.
Zelfs de bunzing boert zienderogen achteruit.

De bunzing is een marterachtige met een karakteristiek zwart masker rond de ogen.
Onze natuur is versnipperd in kleine en geïsoleerde eilandjes die worden verstikt door stikstof.
Ze worden geteisterd door een sluipende crisis van verdroging. Sinds 1960 is maar liefst driekwart van onze natte natuur verdwenen.
We hebben rivieren rechtgetrokken en natte gronden gedraineerd. Hierdoor zijn soorten zoals de heikikker en de groenknolorchis in vrije val geraakt. De mannetjes van de heikikker kleuren in de paartijd voor slechts enkele dagen spectaculair hemelsblauw. De groenknolorchis is een kleine orchidee die fungeert als de graadmeter voor waterkwaliteit. Zodra de bodem verdroogt, sterft de plant onmiddellijk af.

Natuurvereniging GroenRand wijst er terecht op dat we onmiddellijk moeten stoppen met postzegelnatuur

In kleine en versnipperde gebieden hebben kwetsbare soorten geen kans om een gezonde populatie in stand te houden.
Een gunstige staat van instandhouding halen we alleen met grotere en robuustere stukken natuur.
Een hamster redt het niet met een eenzame houtkant tussen intensief bespoten akkers.
GroenRand pleit daarom voor scherpe beleidskeuzes waarbij in bepaalde zones de natuur echt voorrang krijgt.
Dit is geen luxe maar een noodzaak voor onze ecosysteemdiensten. Critici vragen zich af of we elke orchidee of hamster in stand moeten houden.
GroenRand begrijpt die reactie maar benadrukt dat dit de kanaries in de koolmijn zijn.
Als zij verdwijnen, vertelt dat ons dat de basiskwaliteit van onze leefomgeving wankelt.
Bovendien hebben we als mens een ethische plicht om deze soorten te behouden.
Er is ook een juridisch argument want de richtlijnen die ons verplichten deze soorten te beschermen zijn democratisch aanvaard.
De mogelijkheden voor herstel zijn er gelukkig wel degelijk.
Eerder onderzoek van het INBO toont aan dat er in Vlaanderen nog ongeveer 150.000 hectare aan vernietigde natte natuur te herstellen valt.
Dit is potentieel dat wacht op een nieuwe kans.
Projecten rond de Demer en de Dijle bewijzen inmiddels dat we het model van de Scheldevallei op veel meer plaatsen kunnen uitrollen. Door rivieren weer ruimte te geven en te vernatten, wapenen we onszelf tegen droogte en wateroverlast.
Met de Europese Natuurherstelwet is de vrijblijvendheid voorbij. Tegen 2030 moet in 30 procent van de natuur in slechte staat herstel zijn ingezet.
Dit cijfer moet klimmen naar 90 procent in 2050. Dit lijkt veraf maar natuurherstel vergt decennia.
GroenRand benadrukt dat veel maatregelen al jaren klaarliggen op de plank.
Denk hierbij aan het ontsnipperen en verbinden van natuurkernen. In plaats van de kop in het zand te steken, moeten we nu een tand bijsteken.
De natuur heeft in de Scheldevallei bewezen dat ze klaar is voor een comeback.
De grote vraag is of we de politieke moed hebben om de natuur de robuuste ruimte te bieden die ze verdient. Foto's: Wim Verschraegen