vrijdag 5 juni 2026

Met Frank Vermeiren en GroenRand op Pad: Biologische Geheimen van de Tjiftjaf

Met Frank Vermeiren en GroenRand op pad: de biologische geheimen van de tjiftjaf


De tjiftjaf is misschien wel een van de meest fascinerende zangvogels van de Voorkempen en vormt voor het alfabetproject van A tot Z met de letter T de ultieme kans om dit verborgen juweeltje in de schijnwerpers te zetten.
Hoewel hij qua uiterlijk moeiteloos opgaat in de massa en niet meteen opvalt door felle kleuren, is zijn aanwezigheid dankzij zijn kenmerkende roep in de natuur absoluut niet te missen.


Het is een klein en uiterst slank vogeltje van amper tien tot twaalf centimeter lang met een gewicht dat schommelt tussen de zes en tien gram.
Zijn verendek functioneert als een perfecte camouflage in de natuur door de olijgroene tot grijsbruine tinten op de rug en de vuilwitte tot zachtgele kleuren op de borst.
Vrijwel elke vogelaar heeft weleens staan turen om deze soort te onderscheiden van zijn neefje de fitis, aangezien ze uiterlijk nagenoeg identiek aan elkaar zijn.
Het grote geheim van de determinatie op afstand zit hem in de handpenprojectie, een biologische term voor het zichtbare deel van de langste vleugelveren dat onder de kortere schouderveren uitsteekt bij een zittende vogel.


Wanneer de vogel zijn vleugels heeft opgevouwen, overlappen de kortere armpennen de basis van de langere handpennen, waardoor er slechts een klein stukje van die buitenste slagpennen onbedekt blijft.
Bij de tjiftjaf is deze handpenprojectie extreem kort, wat betekent dat de vleugeltopjes nauwelijks voorbij de rest van het vleugelpakket uitsteken en de achterkant van zijn lichaam erg compact oogt.
De fitis heeft daarentegen een dubbel zo lange projectie omdat zijn slagpennen veel groter zijn ontwikkeld om de enorme vliegafstanden tijdens zijn verre trektochten naar Afrika te overbruggen.
De tjiftjaf heeft die lange pennen niet nodig omdat hij kortere afstanden trekt, waardoor zijn opgevouwen vleugels opvallend stomp eindigen en een belangrijk kenmerk vormen voor oplettende waarnemers.
De fitis onderscheidt zich daarnaast juist door lichtere, rietkleurige pootjes, terwijl de pootjes van onze stompvleugelige tjiftjaf meestal gitzwart of zeer donkerbruin gekleurd zijn.
Deze onbetwiste koning van de boomtoppen is absoluut niet kieskeurig wat betreft zijn leefgebied, zolang er maar voldoende bomen en dichte struiken aanwezig zijn.


Je vindt hem dan ook in loofbossen, gemengde bossen, openbare parken, grote tuinen en weelderige houtwanden door die hele regio.
Hoewel hij zijn voedsel, dat hoofdzakelijk bestaat uit insecten, spinnen en larven, vaak in de lagere struikgewassen zoekt, zingt het mannetje het liefst vanaf de allerhoogste takken.
Vanaf die strategische hoogte kan zijn geluid enorm ver dragen over het territorium en profileert hij zich als de absolute heerser van his eigen stukje bos.
Als een van de allereerste trekvogels keert hij in de lente, vaak al begin maart, massaal terug uit zijn winterverblijven in Zuid-Europa en Noord-Afrika.
Tegenwoordig kiezen steeds meer individuen ervoor om door de zachtere winters gewoon in de Voorkempen te overwinteren in plaats van de gevaarlijke reis naar het zuiden te maken.
Zodra de mannetjes in het voorjaar neerstrijken in hun broedgebied, begint het spektakel en bakenen ze met hun zang agressief hun eigen territorium af.
Het mannetje probeert indruk te maken op de vrouwtjes met spectaculaire achtervolgingsvluchten en een onvermoeibare zang die doorgaat van zonsopgang tot zonsondergang.


Het bouwen van het nest is een intensief soloproject voor het vrouwtje, waarbij het mannetje amper een poot uitsteekt tijdens de constructie.
Ze maakt een vernuftig, bolvormig nest met een ingang aan de zijkant dat vanwege de specifieke vorm in de volksmond ook wel een bakovennest wordt genoemd.
Dit nest verstopt ze uiterst zorgvuldig dicht bij de grond in zeer dichte vegetatie zoals tussen stekelige bramen of prikkende brandnetels.
Ze bekleedt de binnenkant bovendien rijkelijk met zachte veertjes voor maximale warmte-isolatie tijdens de koudere voorjaarsnachten.
Een gemiddeld legsel bestaat uit vier tot zeven witte eitjes met fijne, donkere spikkels die door het vrouwtje in zo'n twee weken worden uitgebroed.
De jongen vliegen na ongeveer veertien dagen intensief voeren uit, waarna er vaak nog voldoende tijd is voor een volwaardig tweede legsel in juni of juli.

De tjiftjaf is bovendien een schoolvoorbeeld van een onomatopee omdat zijn zang letterlijk klinkt als zijn eigen naam, afgewisseld met zachte tussengeluiden.
Heel af en toe komt het in de natuur voor dat een tjiftjaf en een fitis met elkaar paren en een zeldzame hybride vormen.
De nakomelingen van zo'n paring zingen vaak een bizarre, verwarrende mix van beide vogelzangen waarmee ze biologen compleet in de war kunnen brengen.
Een gezonde tjiftjaf kan zijn kenmerkende liedje duizenden keren per dag herhalen ochtend na ochtend en dit maanden achter elkaar volhouden zonder moe te worden.
Zelfs in de nazomer, wanneer de meeste andere bosvogels allang stil zijn vanwege de rui, kun je deze vogel nog luidruchtig horen oefenen.


Deze vogel is al eeuwenlang een trouwe metgezel van de mens op het Europese platteland en dat heeft diepe sporen nagelaten in onze taal en cultuur.
Overal in Europa is de vogel benoemd naar zijn geluid, wat we zien bij de Duitse naam Zilpzalp en de Engelse benaming Chiffchaff.
De oude Engelse volksnaam was echter Peggy dishwasher vanwege de nerveus wippende bewegingen die de vogel constant met zijn staart maakt tijdens het foerageren.
In oude folklore werd deze vogel, net als de zwaluw, door boeren gezien als de ultieme en betrouwbare brenger van de prille lente.
Omdat hij steevast eerder arriveert dan de fitis en de nachtegaal, was de eerste roep in maart het teken dat de winter definitief voorbij was.


Pas in de achttiende eeuw werd de tjiftjaf officieel als een aparte biologische soort erkend door de beroemde Engelse naturalist Gilbert White.
Vóór die tijd dacht de mensheid dat de tjiftjaf, de fitis en de fluiter exact dezelfde vogel waren vanwege hun identieke uiterlijk.
White ontdekte puur op basis van hun compleet verschillende zangpatronen dat het om drie unieke soorten ging, wat destijds een revolutionaire doorbraak was.
Tegenwoordig profiteert de vogel van de veranderende bosbouw waarbij monoculturen plaatsmaken voor meer gevarieerde en natuurlijke loofbossen met veel ondergroei.


De totale populatie in Europa wordt momenteel geschat op vele miljoenen broedparen en de soort wordt gelukkig op geen enkele manier in zijn voortbestaan bedreigd.
Zonsondergang en zonsopgang vormen de absolute pieken in de foerageeractiviteit, waarbij hij onvermoeibaar jacht maakt op minuscule insecten.
Zijn flexibiliteit qua voedselkeuze zorgt ervoor dat hij zich snel kan aanpassen aan veranderende insectenpopulaties door de klimaatverandering.
Tijdens de herfsttrek verzamelen de vogels zich in kleine, losse groepen om gezamenlijk de oversteek naar warmere oorden te wagen.


Rondtrekkende exemplaren laten in de herfst vaak een heel andere, weemoedige fiet-roep horen die sterk verschilt van hun vrolijke voorjaarslied.
Vogelaars gebruiken tegenwoordig geavanceerde geluidsapparatuur en sonogrammen om de subtiele verschillen tussen de diverse boszangers feilloos vast te leggen.
Het ringen van deze vogels heeft aangetoond dat sommige individuen ondanks hun minimale gewicht verbazingwekkend trouw zijn aan hun exacte geboorteplaats.
Zelfs de kleinste stadsparken kunnen in de trektijd onderdak bieden aan deze onvermoeibare reizigers die even moeten bijtanken.


Door de dichte structuur van zijn nest blijven de eieren en jongen relatief goed beschermd tegen roofvogels en grotere predatoren.
Biologen bestuderen de subtiele rui van de vleugelpennen nauwgezet om de exacte leeftijd en herkomst van passerende migranten te bepalen.
De oogring van deze soort is aanzienlijk korter en minder geprononceerd dan de heldere wenkbrauwstreep die het gezicht van de fitis siert.
In tegenstelling tot grotere zangvogels heeft dit diertje een extreem hoge stofwisseling waardoor het vrijwel de hele dag door moet eten om op temperatuur te blijven.
Zijn verfijnde snavel is perfect geëvolueerd als een pincet om bladluizen en kleine sporen van de onderkant van bladeren te plukken.


Natuurfotograaf Frank Vermeiren legde deze nerveuze, wippende bewegingen feilloos vast tijdens zijn veldwerk voor het grote vogelproject.
Met zijn scherpe lens wist hij de subtiele details van het camouflerende verenkleed prachtig te isoleren tegen de achtergrond van de Vlaamse bosranden.
Dankzij deze visuele documentatie van GroenRand krijgen natuurliefhebbers een unieke blik op de biologische kenmerken die normaal gesproken verborgen blijven in de dichte boomtoppen.
Dit soort gedetailleerde observaties helpt enorm bij het vergroten van het maatschappelijke bewustzijn over het belang van een dichte, gelaagde ondergroei in onze bossen.


Zonder de actieve bescherming van struwelen en bosranden zou deze iconische lentebode immers snel zijn favoriete nestelplaatsen verloren zien gaan.
Het behoud van ecologische verbindingszones staat dan ook centraal in de visie van de vereniging om de lokale biodiversiteit op lange termijn veilig te stellen.
De tjiftjaf blijft hierdoor gelukkig een ecologisch succesverhaal en een onmisbaar onderdeel van de Europese biodiversiteit en onze dagelijkse natuurbeleving.
Met zijn minimalistische levensstijl en grootse muzikale prestaties bewijst deze vogel dat je absoluut niet groot hoeft te zijn om op te vallen in het landschap.
Zijn prominente plek in het alfabetproject is dan ook meer dan verdiend en nodigt iedereen uit om komend voorjaar veel beter te luisteren naar de ruisende boomtoppen.

donderdag 4 juni 2026

Patstelling rond de Oelegemsteenweg: Waarom minister Brouns de vergunning weigert en de dreef in Schilde en Ranst (voorlopig) gered is

Patstelling rond de Oelegemsteenweg: Waarom minister Brouns de vergunning weigert en de dreef in Schilde en Ranst (voorlopig) gered is


De pen van Glenn

Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns heeft eigenhandig een dikke streep getrokken door de grootschalige wegenplannen op de grens van Schilde en Ranst.
Hij weigert de omgevingsvergunning voor de heraanleg van de Oelegemsteenweg, omdat de geplande kap van maar liefst 137 historische, hoogstammige eiken zwaar onvoldoende was onderbouwd.
Met dit besluit kiest de minister resoluut voor groene transparantie en stuurt hij de projectpartners onverbiddelijk terug naar de tekentafel.
Het is een absolute triomf voor de lokale milieuorganisatie vzw Greenplease en de vele buurtbewoners die al jarenlang strijdvaardig op de barricaden staan.
Het omstreden miljoenenproject aan de Oelegemsteenweg

Het dossier rond de Oelegemsteenweg sleept ondertussen al meer dan vijf jaar aan als een eindeloze soap.
Het project omvat een ingrijpende vernieuwing van de complete weginfrastructuur over een afstand van ruim twee kilometer.
Waterbedrijf Pidpa en de lokale besturen van Schilde en Ranst sloegen enthousiast de handen in elkaar om twee grote knelpunten in één klap aan te pakken.
Er moest dringend een modern, gescheiden rioleringsstelsel komen en ook de verkeersveiligheid voor fietsers schreeuwde om verbetering.
Hoewel Vlaanderen voor deze plannen een flinke zak geld van 2,7 miljoen euro aan subsidies had klaarstaan, raakte het dossier volledig in het slop.
De boosdoener was de enorme ecologische tol die het huidige, ietwat rigide ontwerp eiste van de omgeving.
Om simpelweg ruimte te maken voor de nieuwe rioleringssleuven en de fietspaden, moesten 137 kerngezonde, monumentale eiken onherroepelijk tegen de vlakte gaan.
De harde maar duidelijke weigering van minister Brouns

In zijn officiële oordeel windt minister Jo Brouns er geen doekjes om: deze massale bomenkap is in de huidige milieustudie op geen enkele manier overtuigend bewezen.
De minister benadrukt dat de Vlaamse overheid absoluut niet tegen de broodnodige riolering of veilige fietspaden is.
Het struikelblok is puur de gekozen werkmethode en het totale gebrek aan creatieve alternatieven in het gepresenteerde ontwerp.
Volgens Brouns moet elk modern openbaar project tegenwoordig vertrekken vanuit het absolute basisprincipe van maximaal bomenbehoud.
De projectontwikkelaars hebben in hun dikke dossier simpelweg nagelaten te bewijzen dat er geen andere, minder schadelijke bouwtechnieken mogelijk waren.
"De keuze is niet: óf riolering en fietspaden, óf bomen", zo verduidelijkt minister Brouns zijn standpunt.
"De échte opdracht is net om al die maatschappelijke belangen op een slimme manier met elkaar te verzoenen, en dat vraagt om een veel sterker en inventiever ontwerp."

Het dappere initiatief van Greenplease en het hardnekkige burgerverzet
Deze ministeriële weigering valt natuurlijk niet zomaar uit de lucht; het is het directe resultaat van jarenlang intensief en gecoördineerd lokaal weerwerk.
Het grote initiatief in dit hele verhaal lag vanaf dag één nadrukkelijk bij de apolitieke vzw Greenplease.
Deze gepassioneerde vereniging van bezorgde burgers luidde als allereerste de alarmbel en nam vastberaden het voortouw in de strijd voor het behoud van de geliefde eikendreef.
Zij lieten zich niet zomaar aan de kant schuiven en organiseerden onder andere een drukbezocht publiek debat om de problematiek weer hoog op de agenda te krijgen.
De natuurvereniging GroenRand sloot zich al snel vol overtuiging aan bij dit krachtige burgerinitiatief van Greenplease en hielp mee om massaal bezwaarschriften te verzamelen.
Samen uitten de organisaties felle kritiek op het feit dat de lokale besturen en Pidpa probeerden weg te komen met een makkelijke ontheffing voor het milieueffectenrapport.
De milieuverenigingen kregen bovendien gelijk uit onverwachte hoek toen de Vlaamse Milieumaatschappij eind 2025 al een ongunstig advies gaf.
In het spoor van Greenplease roerde ook de lokale politieke burgerbeweging Dorp24 zich fel onder leiding van spilfiguren zoals Hans Hanssen.
Zij voerden al sinds begin 2023 luidruchtige protestacties onder de gevatte leuze "De boom in met deze kap!".
De frustratie bij de bevolking groeide bovendien alleen maar toen het gemeentebestuur in het verleden koppig weigerde deel te nemen aan de door Greenplease opgezette participatiedebatten.
De onschatbare ecologische waarde van de eikendreef

Dat de bescherming van juist deze bomenrij zo zwaar weegt voor de buurt, heeft alles te maken met hun indrukwekkende omvang en rijke geschiedenis.
Het gaat hier om monumentale eiken die door de inwoners echt worden gekoesterd als waardevol lokaal erfgoed.
Zulke oude bomenrijen functioneren als de groene longen van de streek en vormen een cruciale ecologische verbindingsas voor vogels, vleermuizen en insecten.
Daarnaast houden de diepe wortelsystemen de ondergrond stevig bij elkaar en spelen ze een actieve rol in het regelen van het grondwaterpeil in de Schijnvallei.
Het zomaar omzagen van 137 van deze reuzen zou een rampzalige en onomkeerbare impact hebben gehad op het microklimaat en de waterhuishouding van de omliggende woonwijken.
Hoe moet het nu verder? De drie harde eisen van de minister

Door het veto van de minister zit het project in zijn huidige vorm definitief in het slop, al is de heraanleg zeker niet definitief afgeschreven.
Brouns reikt expliciet de hand aan Pidpa en de gemeenten Schilde en Ranst om snel met alle betrokken partijen en buurtbewoners rond de tafel te gaan zitten.
Een nieuw, levensvatbaar dossier zal volgens de minister echter wel aan drie strikte voorwaarden moeten voldoen:
Er moet eerst serieus en diepgaand gekeken worden naar innovatieve oplossingen om de kwetsbare wortelzones van de eiken te beschermen.
Denk hierbij aan het gebruik van sleufloze technieken zoals gestuurde boringen voor de riolering, of een lichte verschuiving van het hele tracé.
De lokale besturen mogen de buurt bovendien niet langer pas informeren als de handtekeningen en plannen al lang gezet zijn.


De buurtbewoners en de initiatiefnemers van Greenplease moeten vanaf de allereerste pennentrek actief worden betrokken bij het nieuwe ontwerpproces.
Mocht er na grondig studiewerk technisch écht geen andere optie zijn dan het weghalen van een boom, dan moet die impact per individuele boom glashelder worden gemotiveerd.
Ook de exacte gevolgen van de grondwaterbemaling op de omliggende natuur moeten deze keer tot in het kleinste detail in kaart worden gebracht.
De bal ligt nu dus weer stevig in het kamp van de lokale besturen van Schilde en Ranst.
Zij staan voor de pittige maar prachtige uitdaging om een nieuw evenwicht te vinden tussen modern comfort en het behoud van hun groene goud.

woensdag 3 juni 2026

Het Vlaamse natuurbeleid: waarom de aanleg van wildtunnels en ecoducten stilvalt

Het Vlaamse natuurbeleid: waarom de bouw van wildtunnels en ecoducten tot stilstand komt

In Vlaanderen is de open ruimte heel erg versnipperd.
Wilde dieren die zich willen verplaatsen, komen gemiddeld om de driehonderd meter een gevaarlijke weg tegen.
Elk jaar sterft er een aanzienlijk aantal dieren onder de wielen van het verkeer.
Om die versnippering te stoppen, startte de Vlaamse overheid in 2020 met een speciaal plan: het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering, oftewel VAPEO.
Het doel was mooi: grote overheidsdiensten — zoals Wegen en Verkeer, Natuur en Bos, het Departement Omgeving en het onderzoeksinstituut INBO — moesten gaan samenwerken.
Met natuurbruggen, ecoducten en wildtunnels zouden we natuurgebieden eindelijk weer veilig met elkaar verbinden.
Nu de tweede programmafase voor de periode 2025–2030 start, is er echter een grote discussie ontstaan over de financiën.
Natuurvereniging GroenRand, die dit jaar haar tienjarige bestaan viert, waarschuwt dat de plannen door een gebrek aan budget dreigen stil te vallen.
De bevoegde minister verdedigt zijn keuzes.

Geen extra middelen in de aangepaste begroting
De Vlaamse Regering heeft de begrotingsaanpassing principieel goedgekeurd op vrijdag 15 mei 2026, waarna de definitieve goedkeuring volgde op vrijdag 29 mei 2026. 
Uit de officiële cijfers van het Vlaams Parlement blijkt dat er voor de komende jaren geen extra budget is vrijgemaakt voor de aanleg van natuurverbindingen. 
Door algemene besparingen bij het Departement Omgeving is er momenteel geen centraal budget voor de uitvoering van het VAPEO-plan.
Dit is een groot verschil met de vorige regeerperiode, toen er nog vijftig miljoen euro aan Europese herstelmiddelen rechtstreeks werd toegekend aan dringende projecten.

Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns verdedigt deze keuze in het parlement.
Hij verklaart dat hij door de moeilijke financiële situatie nu voorrang moet geven aan waterveiligheid van Vlaanderen en de strijd tegen droogte. 
De minister wijst erop dat het centrale budget voor de natuurverbindingen voorlopig is teruggebracht naar een basisfinanciering van één miljoen euro.
Hij stelt dat de verantwoordelijkheid voor deze maatregelen de komende jaren gedeeld moet worden met het Departement Mobiliteit van de overheid.
De één miljoen euro gaat naar de absolute basis om het project in leven te houden. Hiermee betaalt het Departement Omgeving de coördinerende ambtenaren, technische voorstudies naar knelpunten en het broodnodige onderhoud van bestaande verbindingen.

Critici en natuurorganisaties merken herhaaldelijk op dat ook de algemene budgetten voor water zijn gedaald in vergelijking met eerdere regeerperiodes.
De zestig miljoen euro die minister Brouns aankondigt voor de zogeheten Lokale Blue Deals, wordt door experts gezien als onderdeel van een bredere besparingsronde op het centrale waterbeleid en groot natuurherstel.
De discussie over de taken: een juridische en politieke paradox uitgebreid verklaard


De uitspraak van de minister dat de taak gedeeld moet worden met het Departement Mobiliteit legt een diepe en fundamentele discussie bloot over de manier waarop de overheid gemaakte afspraken nakomt.
Er is in Vlaanderen historisch altijd een strikt wettelijk en financieel onderscheid geweest tussen twee situaties:

  • Bij nieuwe wegen: Als de overheid een nieuwe weg aanlegt of een heel groot kruispunt volledig vernieuwt, is het Departement Mobiliteit (met het Agentschap Wegen en Verkeer, oftewel AWV) wettelijk verplicht om direct wildtunnels of ecoducten mee te bouwen.
    Dit wordt besloten op basis van een verplicht Milieueffectrapport en wordt volledig betaald met het normale infrastructuurbudget voor de wegenbouw.
    Het VAPEO-natuurplan heeft hier nooit iets mee te maken gehad.

  • Bij bestaande wegen: Het VAPEO-programma werd in 2020 juist specifiek opgericht omdat AWV binnen haar reguliere werking en normale onderhoudsgeld op bestaande, historische wegen geen budgetten vrijmaakt voor ecologische correcties.
    Om te voorkomen dat gevaarlijke knelpunten decennialang bleven liggen, werd er in 2020 een bindend protocolakkoord getekend.
    De afspraak was helder: het Departement Omgeving levert via VAPEO de centrale projectfinanciering en de ecologische data, en AWV voert de bouw op haar wegen technisch uit als bouwheer.
Nu het Departement Omgeving verwijst naar haar centrale budget en dit heeft verlaagd tot één miljoen euro, trekt het zich in feite terug uit dit akkoord.
De minister gebruikt die algemene regel (AWV beheert de wegen) om te verhullen dat Omgeving stopt met betalen.
Hij past de regels die gelden voor nieuwe wegen (waar Mobiliteit zelf alles betaalt) onterecht toe op bestaande wegen.

Dit doorschuiven naar de normale werking van AWV betekent in de praktijk een de facto stopzetting van de projecten op oude wegen. AWV kampt immers met aanzienlijke historische achterstanden voor het gewone onderhoud van wegen, fietspaden, bruggen en tunnels.
Binnen die beschikbare budgetten gaan de sommen altijd prioritair naar asfalt en acute verkeersveiligheid.
Zonder de trekkende, centrale projectfinanciering en cofinanciering vanuit de VAPEO-pot van Omgeving is er bij AWV simpelweg geen budgettaire ruimte voor secundaire ecologische maatregelen.
De opmerking van de minister klopt dus wel volgens de droge letter van de wet, omdat AWV de wegen beheert, maar omzeilt de specifieke VAPEO-afspraken over wie de middelen moet voorzien.
Het gevolg is dat de financiering voor bestaande knelpunten volledig wegvalt en projecten op het terrein volledig blokkeren.
Parlementsleden stellen vragen over de stilvallende projecten
Toen het VAPEO-plan begon, was er een prioritaire lijst van vijftien heel gevaarlijke plekken op de Vlaamse wegen.
Tien van die projecten zijn inmiddels afgemaakt, maar voor de overige projecten is er nu geen specifiek budget meer gereserveerd.
Zonder de trekkende centrale financiering blijven deze projecten op de lange baan geschoven, waardoor de gevaarlijke barrières voor de dieren gewoon blijven bestaan.
Tijdens de bespreking van de begroting kreeg de minister hier dan ook veel vragen over van een grote groep parlementsleden, die informatie en cijfers hadden gekregen van denktank GroenRand.
Zij maken zich grote zorgen over deze stilstand:

  • Lydia Peeters vroeg de minister om uitleg omdat het centrale natuurfonds is gekrompen tot ongeveer één miljoen euro.
    Ze waarschuwde dat kant-en-klare plannen van wegenbouwers nu in de vuilnisbak verdwijnen omdat er geen budget voor is.

  • Mieke Schauvliege had felle kritiek op het feit dat het budget vanuit Omgeving tot 2030 zo goed als op nul staat.
    Ze vroeg specifiek waarom de beloofde wildhekken langs de grote Noord-Zuidverbinding (N74) er nog niet zijn.

  • Sanne Van Looy benadrukte de dringende noodzaak om de Noorderkempen aan te pakken.
    Ze vroeg om goede begeleiding om de natuurgebieden van het Groot en Klein Schietveld veilig met elkaar te verbinden.

  • Bieke Verlinden waarschuwde dat de oplossing voor lokale gevaarlijke plekken dreigt te verdrinken in reusachtige, langdurige projecten zoals 'De Nieuwe Rand'.
    Ze verwees naar een onderzoek van onderzoeksbureau BUUR (Sweco) en Hesselteer voor de Antwerpse oostrand.
    Dat onderzoek toont aan dat de belangrijke groene strook tussen het Groot en Klein Schietveld alleen hersteld kan worden ter hoogte van de Essensteenweg in Brasschaat via een slim grondbeleid.
    Verlinden wees erop dat cruciale gronden in deze flessenhals momenteel als bouwgrond te koop staan op de privémarkt.
    Als de overheid niet snel ingrijpt met budget, worden er villa's gebouwd en is de kans om de natuur daar te verbinden voorgoed voorbij.

  • Mien Van Olmen vroeg de minister om de vinger aan de pols te houden bij de problemen in de Kempen. Samen met andere Antwerpse collega's vroeg ze dat de overheid helpt als onafhankelijke bemiddelaar om lokale ruzies over het gebruik van de grond op te lossen.
Waarom water en natuurverbindingen elkaar nodig hebben


Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat de aanleg van wildtunnels en een goed waterbeleid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Natuurlijke wegen voor dieren lopen in Vlaanderen heel vaak via beekvalleien en natte natuurgebieden.
Als de overheid via het waterbeleid wel die beken herstelt, maar er geen budget is voor speciale diervriendelijke duikers of tunnels onder de wegen, lopen die natuurlijke wegen simpelweg dood op drukke gewestwegen.

Natuurexperts benadrukken hierbij dat ecoducten en ecotunnels belangrijk zijn voor de biodiversiteit.
Ze voorkomen verkeersslachtoffers, maar ze houden ook migratieroutes open voor grotere dieren.
Bovendien zorgen ze ervoor dat geïsoleerde populaties weer met elkaar in contact komen.
Dit is noodzakelijk om inteelt tegen te gaan en de genenpool gezond te houden.

Daarnaast is er voor een gezonde bodem die goed water vasthoudt (een sponsbodem) een groot en aaneengesloten natuurgebied nodig.
Kleine, losse stukjes natuur drogen door hun randen veel sneller uit en verliezen hun werking.
Tot slot zijn deze verbonden zones heel belangrijk als vluchtroute voor dieren wanneer het erg warm of droog is door de klimaatverandering.
Het herstel van het water mist dus zijn doel als de dieren onderweg worden doodgereden of vastraken in een afgesloten stuk landschap.

Andere aanpak in Nederland


Vlaanderen en Nederland zijn heel druk bevolkt en hebben veel wegen.
Toch is de aanpak in Nederland totaal anders
.
Via een groot vijftienjarig programma heeft Nederland bijna alle 178 grote gevaarlijke plekken opgelost.
Er zijn inmiddels meer dan 550 maatregelen genomen.
Denk hierbij aan grote ecoducten, dassentunnels en geleidingswanden. Hierdoor is natuurverbinding bij onze noorderburen al heel lang een vast onderdeel van de ruimtelijke ordening.
Het Vlaamse VAPEO-programma is daarentegen pas in 2020 gestart.
Dit plan kent nu al een grote vertraging.
Praten over natuur versus de realiteit

De overheid heeft de afgelopen jaren veel gecommuniceerd over het belang van natuurverbindingen.
Denk aan campagnes zoals "Van Dier naar Daar", of het speciale Suske en Wiske-stripboek "De beestige brug" dat aan het grote publiek uitlegde waarom ecoducten en ecotunnels nodig zijn.
Hoewel iedereen het er nu wel over eens is dat deze verbindingen nodig zijn, blijft die echte uitvoering op het terrein afhankelijk van overheidsmiddelen.
Natuurverenigingen beheren wel stukken grond en geven advies, maar ze kunnen zelf geen miljoenenprojecten zoals ecoducten betalen.

Binnen dit debat kijkt GroenRand naar het grotere geheel.
Zij zien het landschap als één samenhangend systeem waarin natuur, landbouw, erfgoed, toerisme en de strijd tegen de klimaatverandering elkaar kunnen helpen.
Deze visie sluit aan bij de oprichting van Landschapsparken en Nationale Parken, een beleid dat breed wordt gesteund in de sector.
Binnen zulke parken werken boeren, grondeigenaars en gemeenten samen aan gedeelde doelen.
Naast grote ecoducten zijn daarbij ook kleine elementen belangrijk, zoals het aanplanten van bomenrijen, houtkanten, poelen en heggen om leefgebieden met elkaar te verbinden.
Voorbeeld: Het Soortenbeschermingsprogramma voor de otter
De gevolgen van de budgettaire keuzes zijn heel duidelijk te zien bij de bescherming van de Europese otter rond de Antitankgracht in de Voorkempen.
Dit dossier dient als hét grote voorbeeld om te laten zien waar het beleid fout loopt.
Het herstelbeleid voor de otter is belangrijk, omdat er in heel Vlaanderen naar schatting nog maar een zeer beperkt aantal otters leeft.

De Antitankgracht is een oude militaire verdedigingslinie in de provincie Antwerpen. Vandaag de dag is deze 33 kilometer lange gracht een cruciale natuurlijke noord-zuidverbinding tussen de otterpopulaties in Vlaanderen en Nederland.
Omdat de otter een zogeheten 'paraplusoort' is, helpt de bescherming van zijn leefgebied automatisch ook heel veel andere lokale soorten, zoals zeldzame vissen, libellen en moerasvogels.
Het officiële programma richt zich in Vlaanderen op drie belangrijkste gebieden waar de otter recent is gezien:
  1. De Antitankgracht, als groene en blauwe verbindingszone in de Antwerpse Kempen.
  2. De Scheldevallei, het belangrijkste gebied en momenteel een kernregio waar bewijzen zijn van succesvolle voortplanting.
  3. De Maasvallei op de grens met Limburg, die dient als internationale route naar grotere groepen otters in Nederland en Duitsland.
Binnen deze drie zones wil de overheid gevaarlijke plekken opheffen door faunapassages en natuurvriendelijke oevers aan te leggen.
In de regio van de Antitankgracht is daarvoor het 'Plan Cornelis' gemaakt, vernoemd naar otterspecialist Michiel Cornelis.
Dit plan brengt zes grote gewestwegen in kaart die de Antitankgracht kruisen en waar het risico op verkeersslachtoffers hoog is: de N111, N11, N122, N1, N115 en N12.
Een technisch onderzoek voor de gevaarlijke plek op de N12 (de Turnhoutsebaan in Schilde) laat zien dat de bouw van ecoduikers en looptunnels onder de bruggen perfect mogelijk is.
De plannen liggen klaar, maar omdat het VAPEO-fonds is gekrompen, is er geen budget om ze daadwerkelijk te bouwen.

In een officieel schriftelijk antwoord op een parlementaire vraag van Mieke Schauvliege over de Turnhoutsebaan bevestigde de minister dat de overheid de bouw van deze dierentunnels uitsluitend koppelt aan grote wegenwerken die al gepland stonden.
Dit beleid berust echter op een administratieve misrekening.
De geplande wegenwerken liggen de komende jaren namelijk vooral rond de dorpskern van Schilde-Centrum. 
De werkelijke, levensgevaarlijke knelpunten bevinden zich kilometers verderop, exact op de locaties waar de Antitankgracht de gewestwegen kruist.
Door halsstarrig vast te houden aan deze bureaucratische koppeling, investeert de overheid niet op de plekken waar de nood voor de otter het hoogst is.
De dodelijke barrières op de werkelijke oversteekplaatsen blijven hierdoor gewoon bestaan.
Europese wetten en zware boetes
De overheid zal uiteindelijk budget moeten vrijmaken, want de Europese wetgeving stelt duidelijke eisen.
De Europese Natuurherstelwet verplicht alle lidstaten om te zorgen voor het herstel van beschadigde natuur op het land. Het Belgische Natuurherstelplan moet hiervoor bij de Europese Commissie worden ingediend, en een goede verbinding tussen natuurgebieden is daarin een belangrijke parameter.

Gastlanden zijn volgens de Europese Habitatrichtlijn verplicht om te zorgen voor een gunstige leefsituatie voor beschermde dieren zoals de otter en de wolf.
Als Vlaanderen door besparingen wildhekken en dierentunnels schrapt, waardoor deze beschermde diersoorten risico lopen, kan dit leiden tot formele inbreukprocedures en financiële sancties wegens het niet-nakomen van de natuurdoelen.