donderdag 2 april 2026

François Eennaes: Een ontmoeting met de blauwborst in al zijn pracht

François Eennaes: Een betoverende ontmoeting met de blauwborst in al zijn pracht

Hoewel we recent al een boeiende reportage van Frank Vermeiren over de blauwborst mochten inzien, konden we het absoluut niet over ons hart verkrijgen om de werkelijk schitterende foto's van François Eennaes niet met jullie te delen.
Deze vogel is een ware explosie van kleur, beschikt over een buitengewoon fraaie zang en is een directe familie van de nachtegaal, wat zijn muzikale talenten direct verklaart.
De blauwborst is een absolute favoriete vogelsoort van velen en dat is natuurlijk niet zonder gegronde reden.


In het voorjaar, en eigenlijk ook alleen gedurende die specifieke periode, laat deze vogel zich vrij makkelijk aan het menselijk oog zien.
Het is nu april en ervaren vogelaars weten dan instinctief: het is weer blauwborstentijd aangebroken.
Dit is het uitgelezen moment van het jaar, want nu moet je hem simpelweg zien en horen voordat hij weer in de luwte verdwijnt.
De blauwborst overwintert weliswaar niet in de regio van de Voorkempen, maar hij trekt aan de andere kant nou ook weer niet zo heel erg ver weg naar het diepe zuiden.
In de zilte kwelders en vochtige moerassen van Portugal kun je ze in de wintermaanden namelijk al waarnemen, net zoals dat in de natuurgebieden van Marokko het geval is.
Sommige vastberaden blauwborsten maken echter een veel grotere reis en wagen de hachelijke oversteek naar de gebieden diep beneden de Sahara.


In de maand maart komt de grote bulk aan blauwborsten weer terug uit hun winterverblijven om in de Voorkempen aan te komen.
Het lijkt er sterk op dat ze onder invloed van de wereldwijde klimaatverandering elk jaar steeds iets vroeger op hun broedplaatsen arriveren.
Zeker in de recordwarme maand maart van het jaar 2024 waren de vogels er opvallend vroeg bij om hun plekje te claimen.
De blauwborst is in wezen een kleine zangvogel die nagenoeg dezelfde compacte bouw bezit als de welbekende roodborst.
Het mannetje is de meest opvallende van de twee met zijn helderblauwe keel en bovenborst waarin een karakteristieke witte vlek prijkt.
Direct onder dat intense blauw heeft hij bovendien een smalle, zwart-witte band en een daaropvolgende bredere oranje band die zijn borst siert.
Het vrouwtje moet het zonder die opvallende kleurtekening stellen.
Zij heeft op die plek enkel een bescheiden en onopvallend zwart bandje.
De jonge vogel is in het begin bijna volledig zwartachtig van kleur met kleine witte vlekjes, maar bezit gelukkig al wel het voor de soort zo kenmerkende staartpatroon.
Blauwborsten hebben een uitgesproken voorkeur voor gevarieerde, natte en zeer insectenrijke gebieden die voorzien zijn van open delen.
Ze gedijen het beste in een omgeving met een gezonde struweel- en loofboombegroeiing, mits de bodem niet geheel bedekt is door vegetatie.


Vooral de geleidelijke, natuurlijke overgang van uitgestrekte rietmoerassen naar vochtig moerasbos vormt voor hen een werkelijk uitstekend leefgebied.
De zang van de blauwborst is op zichzelf heel kenmerkend, maar voor de beginnende vogelaar is hij toch niet zo heel makkelijk te herkennen of te onderscheiden.
Dat komt hoofdzakelijk door de vele knappe imitaties van andere vogels die hij moeiteloos in zijn eigen zangpartijen verwerkt.
Dit zijn vaak de geluiden van de ‘buurvogels’ die hij gedurende zijn verblijf in onze streken veelvuldig om zich heen hoort.
Wie hem aan de oever van het Stappersven in de Kalmthoutse Heide hoort zingen, zal in zijn lied bijvoorbeeld de kenmerkende roep van de grote stern herkennen.
Op een andere locatie, bijvoorbeeld in een poldergebied, verwerkt hij dan weer moeiteloos de roep van de grutto’s in zijn melodie.
Het blauwborstmannetje begint zijn dagelijkse zang vaak vanuit de veilige dekking van het struikgewas.
Heel langzaam, en steeds onderbroken met korte pauzes, klimt hij dan stapsgewijs op in een struik tot hij op een strategische en opvallende plek gaat zitten.
Zachte, ratelende geluiden worden daarbij afgewisseld met kristalheldere klanken en dus af en toe een geleend geluid van een totaal andere vogelsoort.
Tijdens de voordracht versnelt de zang ook telkens een klein beetje, wat zorgt voor een dynamisch geheel.
Het is zonder twijfel een mooie zang, al is deze bij nader inzien toch net niet zo imponerend als die van zijn naaste verwant, de nachtegaal.


Met wat geduld zie je de blauwborstman regelmatig een prachtige zangvlucht maken.
Hij schiet dan plotseling een stukje omhoog uit de begroeiing en dwarrelt daarna met gespreide vleugels en staart snel weer naar beneden.
Zijn staart heeft een zeer opvallende bruinrode basis en precies op dat moment komt die kleur natuurlijk schitterend tot zijn recht.
Als de blauwborst er echt zin in heeft en zich onbespied waant, zit hij soms minutenlang volledig vrij op een tak te pronken.
Wanneer de zon vol op zijn verenpak schijnt, zie je de glans van het intense blauw van de borst dat in felheid niet onderdoet voor die van de ijsvogel.
Precies midden op die blauwe borst zie je dan de witte vlek die onze lokale ondersoort — de ‘witgesterde’ blauwborst — onderscheidt van de ‘roodgesterde’ blauwborst.
Die laatste ondersoort is bij ons een uiterst zeldzame verschijning als doortrekker op weg naar Scandinavië en wordt dan pas veel later, in mei, gezien.

Na deze uitbundige periode volgt het 'leven in de onderwereld': in de loop van het voorjaar, zo vanaf eind april, neemt de zang namelijk snel af in intensiteit.
De blauwborst trekt zich vanaf dat moment vrijwel geheel terug in zijn verborgen wereld, dicht op de grond.
Hij leeft dan diep in de onderwereld van het dichte rietland, in een vochtige wilgengriend of in de ruigte langs een vergeten sloot.
Ook in het dichte struweel van kruipwilg en duindoorns voelt hij zich thuis, want dat is de plek waar ze de rest van de zomer verblijven.
Daar zoeken de blauwborsten hun dagelijkse voedsel op de grond, waarbij ze net zo parmantig lopen als een lijster dat zou doen.
Ze worden daarbij enorm geholpen door hun relatief grote ogen, want in die dichte vegetatie kan het vaak best wel donker zijn.
Op datzelfde grondniveau maken ze bovendien in alle beslotenheid hun nest om hun kroost groot te brengen.
In de nazomer zie je heel soms nog wel eens een blauwborst verschijnen wanneer ze vanuit het veilige riet even kortstondig op een slikrand lopen te zoeken.
In september is het echter weer echt gedaan met de pret; de blauwborsten trekken dan weg en we moeten weer een heel jaar wachten tot het volgende voorjaar voor een nieuwe kans.

Houtkanten met een glimlach: Gie Campo en Wouter Patho ontvangen Groene Duim

"Et alors?”: Wouter Patho en Gie Campo bekroond op inspirerende natuuravond in Malle



Houtige kleine landschapselementen (KLE’s) komen voor in vele verschijningsvormen.
Bomenrijen, houtkanten en hagen (in het Engels gebruikte termen: ‘tree rows’, ‘hedgerows’, ‘hedges’…) zijn termen die vaak als synoniemen worden gebruikt.
Het zijn dan ook allemaal lineaire aanplanten van houtige vegetatie die sterk op elkaar kunnen gelijken.


Hun naamgeving wordt vaak niet consistent gebruikt in publicaties, want deze is onderhevig aan verschillen in taal en tradities.
Houtkanten, hagen, bomenrijen en solitaire bomen – ook wel houtige kleine landschapselementen (KLE’s) genoemd – sieren al eeuwenlang het Vlaamse landschap.
Het gebruik van houtkanten in Vlaanderen (en in andere landbouwregio’s in West-Europa) gaat vér terug in de tijd, historisch pollenonderzoek leidt ons tot in de prehistorie.


KLE’s hadden vroeger tal van functies.
Ze omheinden akkers en weilanden waarbij ze dienden als eigendomsgrens, windscherm, doornige veekering of waar ze beschutting boden voor het vee.
Ze hielpen weilanden draineren en leverden allerlei producten zoals brandhout, geriefhout, vruchten en eetbare planten.


In het midden van de 15e eeuw werden houtkanten en bomenrijen aangeplant rond percelen en langs wegen omwille van de nood aan brandstof na de uitputting van de turfvoorraden.
Houtkanten in hakhout hielden stuifzand vast rond akkers in de stuifduinen, en bij de ontginning van de ‘woeste gronden’ werd het water afgevoerd via grachten en houtkanten.


Op de Ferrariskaarten, opgemaakt in de periode tussen 1771 en 1778, staan dan ook heel wat KLE’s in het Voorkempens landschap.
Vlaanderen was in de achttiende eeuw nog één groene zone met weinig bebouwing.
De landschappen krioelden van bomenrijen, grote of kleine bosjes, hagen en houtkanten langs wegen, percelen of erven.


Ze pasten in de manier waarop de mens met zijn omgeving omging.
Vandaag staat al dat levend erfgoed weer volop in de belangstelling.
We hebben het hard nodig voor een meer duurzame inrichting van onze leefomgeving, om de biodiversiteits- en de klimaatcrisis aan het pakken en om de landschapskwaliteit te verhogen.
Ook Onroerend Erfgoed draagt bij tot deze landschapszorg, die door velen gedragen wordt.


Door na te gaan waar bosuitbreiding of heraanplant van hagen, houtkanten en bomenrijen cultuurhistorisch wenselijk of het best op zijn plaats is, creëren we kansen om aan landschapsherstel te doen.
De oorzaken van deze achteruitgang in de Voorkempen (en in de rest van Vlaanderen) zijn velerlei.


Onze KLE’s zijn aan ‘populariteit’ verloren door het verdwijnen van hun ‘traditionele’ functies.
Houtoogst werd minder belangrijk voor de landbouwer en particulier, veekeringen werden vervangen door prikkeldraad, en weilanden werden gedraineerd via het plaatsen van drainagebuizen, zonder dat er nog bomen aan te pas kwamen.


Door de verdere mechanisering van de landbouw, waarbij het meeste werk kon gebeuren met machines en mankracht niet meer de beperkende factor was, kon een groter aandeel grond bewerkt worden en moesten niet-productieve elementen zoals KLE’s dus wijken.

KLE’s hebben bovendien sterk te lijden gehad onder de ruilverkavelingen in de jaren ’70, waarbij kleinere percelen opgingen in grotere en de perceelsgrenzen met bomen en struiken verwijderd werden.
Ook de verstedelijking in Vlaanderen eist steeds meer landbouwgebied op, waarbij o.a. ook KLE’s sneuvelen.


In heel wat studies is aangetoond dat KLE’s de landschappelijke biodiversiteit ondersteunen en versterken, ook als ze maar een klein deel van het landschap innemen.
Het grote belang van een beperkt aantal bomen in een landschap op vlak van biodiversiteit wordt ook wel de "keystone tree-hypothese" genoemd, die intussen voor heel wat soortengroepen werd aangetoond: landbouwlandschappen mét bomen ondersteunen de biodiversiteit in veel hogere mate dan landbouwlandschappen zonder bomen.





De abundantie van plantensoorten, geleedpotigen en vertebraten is er 60% tot wel 430% hoger, en de totale soortenrijkdom 50% tot wel 100% (Prevedello et al. 2017).
KLE’s worden dan ook erkend als belangrijke habitats én refugia voor planten en dieren.
Ook uit onderzoek gevoerd in de provincie Antwerpen blijkt de belangrijke rol van KLE’s op vlak van plantenbiodiversiteit.
Bijna de helft (45%) van de plantensoorten in het buitengebied komt voor in het netwerk van KLE’s, hoewel dit netwerk slechts 1% van de landoppervlakte beslaat.
In de kruidlaag van KLE’s vinden we veel algemene soorten (zogenaamde generalisten), maar ook enkele specialistische soorten komen ervoor.
Zowel lichtminnende soorten als meer schaduwtolerante soorten vinden er een habitat.
Op woensdagavond 1 april 2026 vormde de Heemkundige Kring van Malle het decor voor een academische en tegelijkertijd zeer inspirerende bijeenkomst, waar een talrijk publiek van natuur- en erfgoedliefhebbers samenkwam voor de lezing 'Sporen van vroeger, kansen voor morgen'.


Tijdens deze avond gaf Domien Van Dijck, landschapsmedewerker bij Regionaal Landschap de Voorkempen, een indringend inzicht in de cruciale rol van ons historisch landschap.
Hij legde haarfijn uit hoe traditionele elementen, zoals hagen en houtkanten, niet louter relikwieën uit het verleden zijn, maar de fundamentele basis vormen voor een weerbaar en klimaatbestendig ecosysteem.
Hij wees erop dat deze elementen essentieel zijn om de effecten van de klimaatcrisis op te vangen door hun koelende werking en waterregulerende functies.


Deze kleine landschapselementen fungeren immers als natuurlijke buffers tegen de gevolgen van klimaatverandering en spelen een vitale rol bij het herstel van de lokale biodiversiteit.
De wortels van deze struiken en bomen zorgen bovendien voor een betere bodemstructuur en voorkomen erosie bij hevige regenval.
Deze visie sluit naadloos aan bij de strategische ambities van natuurvereniging GroenRand, die tijdens de bijeenkomst haar langetermijnvisie voor de regio presenteerde.
Voorzitter Pieter Haagdorens lichtte toe hoe de vereniging ernaar streeft om de Antitankgracht te transformeren tot de centrale groene ruggengraat van de Voorkempen.
De Antitankgracht moet een ononderbroken natuurlint worden dat zich als een groene long door het landschap slingert.
Door middel van een fijnmazig netwerk van houtkanten en veilige faunapassages wil GroenRand versnipperde bosfragmenten en beekvalleien met elkaar verbinden tot één doorlopende dierenautostrade.
Om deze ambitie kracht bij te zetten, heeft de vereniging een formeel schrijven gericht aan elf gemeenten binnen de regio — Zoersel, Malle, Schilde, Brecht, Ranst, Brasschaat, Schoten, Kapellen, Stabroek, Kalmthout en Wuustwezel.
In dit schrijven werden de gemeentebesturen uitgenodigd om actief deel te nemen aan de subsidieoproep van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) binnen het ambitieuze Vlaamse Houtkantenplan.

Het Houtkantenplan van de VLM is specifiek in het leven geroepen om de aanplant, het herstel en het duurzaam beheer van houtkanten in heel Vlaanderen te stimuleren via gerichte financiële injecties.
De Vlaamse Landmaatschappij erkent dat lokale besturen de sleutel in handen hebben om op het terrein echt een verschil te maken voor de open ruimte.
Het doel van GroenRand is de realisatie van 100 kilometer aan nieuwe groene linten, die als essentiële levensaders dienen voor het voortbestaan en de migratie van talloze diersoorten.


Pieter benadrukte dat deze subsidies een unieke kans bieden voor gemeenten om hun eigen klimaatdoelstellingen sneller te behalen met externe steun.
Als erkenning voor bewezen beleidsmatige inzet werd schepen van Milieu Wouter Patho geëerd met een Groene Duim.
Onder zijn impuls werd in Malle via een LEADER-project reeds 1,6 kilometer aan nieuw groen gerealiseerd.
LEADER-projecten zijn lokale ontwikkelingsstrategieën die door Europa en Vlaanderen worden gesteund om het platteland op een innovatieve manier te versterken.


In Malle vormde dit project de eerste concrete stap richting de ambitieuze gemeentelijke doelstelling van 8 kilometer haag en de aanplant van 16.000 bomen tegen 2030.
De schepen gaf aan dat de medewerking van landbouwers en privé-eigenaars cruciaal was voor het welslagen van dit eerste traject.
Naast deze beleidsmatige fundamenten was er ook aandacht voor de culturele verankering van het project.


Een tweede Groene Duim werd uitgereikt aan cartoonist Gie Campo, beter bekend als Gier, voor zijn decennialange inzet en zijn artistieke bijdrage aan het project Bijtandje-Houtkantje.
Gier, die het iconische logo ontwierp waarbij tanden symbolisch zijn vervangen door groen, bracht zijn visie op ludieke wijze tot leven als een levende cartoon.
Hij legde uit dat kunst en humor drempels kunnen verlagen om mensen te betrekken bij ecologische thema's.


Met zijn kenmerkende houtkanter-hoed en de gevatte uitspraak "Et alors?" benadrukte hij dat de noodzakelijke strijd voor natuurherstel ook gepaard mag gaan met optimisme en een relativerende lach.
Door de figuur van de 'Houtkanter' te introduceren, gaf hij het landschapsbeheer een menselijk en sympathiek gezicht.
De avond werd in een sfeer van gedeelde gedrevenheid en constructieve dialoog afgesloten met de overhandiging van een pakket Westmalle Trappist aan de laureaten.
Deze lokale verankering met het streekproduct onderstreepte de band tussen de natuurlijke omgeving en de cultuur van de Voorkempen.
De Trappist vormde het startschot voor een hechtere en ecologisch verbonden toekomst voor de gehele regio.
Nadien konden de aanwezigen nog genieten van een informele receptie waar nog vele plannen werden gesmeed voor toekomstige aanplantingen.
Met dit artikel hopen we dat nog meer burgers en beleidsmakers de weg vinden naar de houtkant, de stille held van ons landschap.
Samen kunnen we van de Voorkempen een voorbeeldregio maken voor een groen en leefbaar Vlaanderen.

woensdag 1 april 2026

Wat die lastige wilde hamsters en bevers ons leren over onze kijk op wilde Dieren

Wat die lastige wilde hamsters en bevers ons leren over onze kijk op wilde Dieren





Beverbeheer onder de loep: GroenRand en de provincie Antwerpen zoeken naar een duurzaam evenwicht

Beverbeheer onder de loep: GroenRand en de provincie Antwerpen zoeken naar een duurzaam evenwicht


De pen van Glenn - foto's: Ben Hellebaut

Natuurvereniging GroenRand zette in 2023 de bever in de schijnwerpers.
Elk jaar zet GroenRand een zeldzaam dier in de kijker.
In 2023 was dat de bever, en wel om een goede reden: het grootste knaagdier in Vlaanderen en Europa lijkt goed te gedijen langs de Antitankgracht in de regio.


De bever komt terug in de actualiteit, omdat minister Jo Brouns toen een actieplan heeft opgesteld tegen toenemende beverschade.
Hij wil beter afbakenen waar bevers hun gang kunnen gaan en waar ze meer gereguleerd moeten worden.
De bever is een beschermde diersoort en de populatie groeit.
Of we het nu willen of niet, hij is hier om te blijven.
We kunnen echter wel maatregelen nemen om schade te voorkomen.
Sinds de terugkeer van de soort in Vlaanderen wordt geschat dat er ongeveer 1.200 bevers zijn.


Ruim twintig jaar geleden werden de eerste dieren uitgezet aan de Dijle, ten zuiden van Leuven, en in dezelfde periode staken enkele avontuurlijke exemplaren de grens over vanuit Nederland.
Dichter bij huis zien we regelmatig knaagsporen langs de Antitankgracht in Schilde.
Het lijkt alsof het dier hier een vijfsterrenhotel heeft gevonden, compleet met looppaden, wissels en een all-you-can-eat gnawbuffet.
In het bos tussen de E34 en de Zwaaikom van Albertkanaal in Oelegem kwamen we een beverdam tegen op de Kapelbeek, alsof de bevers een luxueus zomerhuis hadden gebouwd.
In het verlengde van de Antitankgracht zijn de bevers zelfs in het Schijn in Oelegem al druk aan het werk geweest met een indrukwekkende dam.
Ook het Klein Schijn in Schoten blijkt een uitstekende habitat voor deze knaagdieren.
Met een nieuw voorspellingsmodel brengt het INBO de locaties in kaart waar bevers zich op termijn kunnen vestigen, zodat er vooraf maatregelen genomen kunnen worden.


Het verplaatsen van dieren heeft weinig tot geen zin.
Als het gebied geschikt is, komen er toch nieuwe bevers.
Bovendien is het lastig de hele beverfamilie te vangen.
En waar moeten ze dan naartoe?
Als je ze te dicht in de buurt uitzet, komen ze gewoon weer terug.
Daarnaast kunnen ze verderop dezelfde problemen veroorzaken.
Het waterbeheer kost handenvol geld.
In 2015 ging het om 42.245 euro, in 2023 was dat al 734.114 euro.
De Vlaamse overheid heeft sinds 2014 al 464.389 euro aan schade door de bever uitgekeerd.
Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns wil de kosten drukken en het draagvlak voor de bever bij de bevolking behouden.
Het kabinet heeft het Agentschap Natuur en Bos de opdracht gegeven om snel aan de slag te gaan met het afbakenen van kern- en maatwerkgebieden voor de bever.
In de kerngebieden krijgen deze knagers alle ruimte om hun ding te doen.
Het gaat om grote aaneengesloten natuurgebieden langs waterlopen.
In maatwerkgebieden krijgen waterbeheerders meer mogelijkheden om de bever in toom te houden.


Hier zou dan kordater worden opgetreden.
De minister wil Vlaanderen opdelen in zones waar de bever vrij spel krijgt of verhuist.
Volgens de minister is hierbij een beverplan broodnodig.
Het Agentschap Natuur en Bos moet daarom volgens Brouns snel kern- en maatwerkgebieden afbakenen.
In kerngebieden krijgen natte natuur en de bever ruimte om zich te ontwikkelen.
In maatwerkgebieden kunnen waterbeheerders ingrijpen volgens het stappenplan van het soortbeschermingsprogramma.
Buiten de kerngebieden kan kordater worden opgetreden bij belangrijke schade.
Deze bijsturing moet de beheerskosten onder controle houden en het draagvlak voor de soort versterken.
In Europa hebben bevers een beschermde status gekregen vanwege hun talrijke voordelen.
Dankzij hun bouwkunsten stijgt het grondwaterpeil en wordt de kans op uitdroging verkleind.


In natuurgebieden kan een bever binnen enkele weken een waterplan volledig naar zijn hand zetten, wat een enorme verrijking is voor de biodiversiteit.
Het bouwen van dammen zit in het DNA van de bever, dus men kan het hem niet kwalijk nemen.
In 2015 werd een eerste soortenbeschermingsprogramma uitgewerkt voor Vlaanderen.
Het tweede soortenbeschermingsprogramma, goedgekeurd in januari 2024, moet het verder duurzaam samenleven met de bever verzekeren.


Om op een evenwichtige manier met eventuele conflicten om te gaan, werd dit beschermingsprogramma opgesteld.
Om het duurzame samenleven met de bever te waarborgen, is het noodzakelijk een evenwicht te vinden tussen zijn strikte beschermingsstatus en het vermijden van overlast en schade.
Dit is de rode draad, ingrijpen kan alleen plaatsvinden onder strikte voorwaarden en moet zoveel mogelijk vermeden worden.
GroenRand concludeert dat de mens zich zo veel mogelijk moet aanpassen aan de bever en niet andersom.
GroenRand wijst op het wettelijk kader: in Vlaanderen is de bever (Castor fiber) een strikt beschermde diersoort onder het Soortenbesluit en de Europese Habitatrichtlijn, wat betekent dat het verboden is om het dier te doden, te vangen of opzettelijk te verstoren.
Deze bescherming strekt zich uit over het volledige leefgebied als een aaneengesloten functioneel geheel, waarbij niet alleen de bevers zelf, maar ook hun burchten, holen, dammen en de essentiële verbindingsroutes tussen rust- en foerageerplaatsen het hele jaar door juridisch gevrijwaard zijn van beschadiging of vernietiging.


Omdat de bever als ecosysteem-ingenieur een cruciale rol speelt in de strijd tegen droogte door waterbuffering en het creëren van nieuwe biotopen, is zijn aanwezigheid van groot ecologisch belang, al kan dit in het dichtbevolkte Vlaanderen leiden tot graafschade aan dijken of vernatting van landbouwpercelen.
Om dit samenleven te faciliteren, voorziet het op 19 januari 2024 vernieuwde Soortenbeschermingsprogramma (SBP 2) in een duidelijk kader voor conflictbeheersing en zonering, waarbij preventieve maatregelen zoals boombescherming of beverwerend gaas altijd voorrang krijgen.
Pas wanneer er geen andere bevredigende oplossing is en de openbare veiligheid of belangrijke economische belangen in het gedrang komen, kan er via een officiële ontheffing van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) worden ingegrepen in dit aaneengesloten netwerk, waarbij gedupeerde land- of bosbouwers onder strikte voorwaarden aanspraak kunnen maken op een schaderegeling voor verliezen boven de 300 euro.
Het provinciebestuur van Antwerpen roept Vlaams minister van Landbouw en Omgeving Jo Brouns en het Agentschap voor Natuur en Bos op om snel in te grijpen tegen beverschade.


Eerder deze maand sloeg ook de Boerenbond alarm, omdat heel wat akkers onder water staan.
Zo kan landbouwer Ben Van Looveren uit Geel zijn veld niet voorbereiden op de zomer.
Bovendien kreeg hij te horen dat hij geen recht heeft op een schadevergoeding.
Eerder deze maand vroeg de Boerenbond al aan waterloopbeheerders om iets te doen tegen de wateroverlast die beverdammen veroorzaken.
Door het toenemende aantal bevers in de provincie Antwerpen staan steeds meer landbouwakkers onder water.
"Naar mijn mening zijn landbouw en natuur bondgenoten, maar ik maak me momenteel zorgen omdat veel landbouwers met kopzorgen zitten", zegt gedeputeerde voor Landbouw Jinnih Beels (Vooruit).
De oproep naar de minister is eigenlijk heel duidelijk: we vragen middelen en ondersteuning actie te kunnen ondernemen.
"Geef ons een helder, transparant kader waarbinnen we als provincie kunnen werken", aldus Beels.
Landbouwer Ben Van Looveren uit Geel vraagt dringende en concrete maatregelen.
Door een beverdam aan zijn akker kan hij zijn land niet meer bewerken.
Sinds midden vorig jaar zit hier een bever.
Het veld is nu quasi onbewerkbaar.
Als het zo verdergaat, zal ik hier serieuze schade door lijden.


"De dam is al eens weggehaald door de provincie, maar daarna opnieuw opgebouwd", vult hij aan.
Nu wil men hem niet nog eens afbreken, omdat hij telkens terugkomt.
"Bovendien kreeg ik recent te horen dat ik geen schadevergoeding krijg van het Agentschap Natuur en Bos (ANB), omdat er wel toestemming is om de dam af te breken."
"Dat is een probleem dat de overheid moet herbekijken.”
De ene landbouwer krijgt een vergoeding, terwijl een andere in een gelijkaardige situatie niets krijgt.
Ook volgens Beels loopt er veel mis met schadevergoedingen.
"Daar moet duidelijkheid in komen, want we merken dat er met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt."
"In deze periode, de lente, willen landbouwers hun akkers bewerken en inzaaien, maar dat lukt niet door te veel of soms te weinig water."
"Daarom vragen we een helder kader met duidelijke criteria, zodat landbouwers weten hoe ze een schadeclaim moeten indienen en die ook snel behandeld wordt."
"Nu tasten we eigenlijk in het duister."
Het provinciebestuur van Antwerpen wil duidelijke kern- en maatwerkgebieden voor de bever.


Eind 2025 waren in de buurt van de provinciale waterlopen in de provincie Antwerpen 29 beverburchten gekend en 495 locaties met beveractiviteit geregistreerd, vooral dammen.
De dienst Integraal Waterbeleid voerde toen zo'n 4.500 controles uit en meer dan 1.000 interventies, voornamelijk het aftoppen of verwijderen van dammen.
"We vragen om kernleefgebieden waar de bever ruimte krijgt, en maatwerkgebieden waar we kunnen ingegrepen wanneer schade oploopt", zegt gedeputeerde van Milieu en Natuur Jan De Haes (N-VA).
"Dat is ook belangrijk voor ons als waterloopbeheerder."
"Wij zijn verantwoordelijk voor een goede waterafvoer, maar hebben vandaag niet altijd de juiste instrumenten of mogelijkheden om te voorkomen dat landbouwgronden onder water lopen", aldus De Haes.