zaterdag 11 april 2026

Huiszwaluw in de kijker: Op pad met Frank Vermeiren en de vliegende architecten

Huiszwaluw in beeld: Op stap met Frank Vermeiren en de vliegende architecten


In de lens van Frank Vermeiren

In deze nieuwe aflevering van onze natuurreeks trekken we opnieuw de wandelschoenen aan voor een bijzonder project.
Reportagemaker Frank Vermeiren maakt vogelreportages van A tot Z en vandaag zijn we bij de letter ‘H’ aangekomen.
Samen met natuurvereniging GroenRand zetten we de huiszwaluw in de schijnwerpers.
De huiszwaluw is te herkennen aan zijn volledig spierwitte onderkant, witte stuit en wit bevederde poten.
De bovenzijde van zijn lichaam is glanzend zwartblauw.
De staart is kort en gevorkt en de snavel stomp.
Zijn kwetterende zang is eerder ingetogen.
Wanneer je de verschillende silhouetten bestudeert die over onze steden vliegen, dan is er één vogel bij die je makkelijk herkent aan zijn witte stuit: de huiszwaluw.
Die heeft zijn naam niet gestolen, want hij bouwt z’n nest graag tegen huizen - stedelijk of landelijk.


Ruwe bakstenen vormen een goed alternatief voor de rotspartijen waar hij van nature graag nestelt.
De soort is overal in België aanwezig, maar kent de laatste tijd een forse achteruitgang in stedelijk gebied.
Deze insecteneter is een topjager!
Hij voedt zich uitsluitend met kleine, vliegende insecten die hij in volle vlucht onderschept.
Op zijn menu staan: vlinders, vliegen en mieren - stekende insecten zoals bijen en wespen worden vakkundig ontweken.
Zijn signature dish is zonder twijfel een mondvol muggen of vliegen.
In tegenstelling tot de boerenzwaluw vangt de huiszwaluw insecten op grote hoogte, zo’n 20 meter boven de grond.
Hij drinkt ook al vliegend, door over het wateroppervlak van meren of rivieren te scheren.
In het broedseizoen vormt het voederen van de jongen een zware dagtaak voor de ouders.
Ze brengen aan de lopende band prooien aan om meteen weer op jacht te gaan.
Eén zwaluw brengt de lente niet, maar wie nét iets langer wacht, ziet hen in groten getale toekomen.
Bij gebrek aan ruwe rotsen, nestelt de huiszwaluw in en rond gebouwen in de stad of op het platteland.


Dat doet hij liefst samen met enkele goede buren tegen overdekte buitenmuren in rurale streken.
Buiten het broedseizoen verzamelt de huiszwaluw in bomen om samen te slapen.
In de winter trekt hij naar het zuiden.
In de lente vormen huiszwaluwen koppels en bereiden ze zich voor om een nest te bouwen.
Daarmee beginnen ze eind april of begin mei.
De nestjes bestaan uit een combinatie van aarde, grassen, plantenvezels, veren en zelfs stukjes plantenwortels die tot een kleverige massa gekneed wordt samen met hun speeksel.
Wanneer dat goedje opdroogt, wordt het hard en sterk genoeg om een volledig zwaluwengezin te huisvesten.
Een huiszwaluwnest is vrij dik met een kleine, ronde opening waarin de ouders net passen.


Het wordt opgetrokken binnen een termijn van 10 à 15 dagen en wordt vaak jaar na jaar opnieuw gebruikt.
Ook andere vogelsoorten maken soms gebruik van deze prefab-nestjes, wanneer de zwaluwen (nog) niet in het land zijn.
Het vrouwtje legt tot 5 witte eieren die ze meestal alleen uitbroedt op twee weken tijd.
Gedurende een kleine maand blijven de jonge zwaluwen in het nest en ook daarna worden ze nog tien dagen gevoederd door de ouders.
Afhankelijk van de weersomstandigheden en het voedselaanbod volgt er soms een tweede legsel in de maand juli.
Dat de zwaluw storm voorspelt wanneer hij laag vliegt, is niet eens zo vergezocht.
Wanneer zwaluwen zich naar lagere oorden verplaatsen, is dat een logisch gevolg van de insecten die lager gaan vliegen door een verandering in luchtdruk.
De zwaluw volgt gewoon zijn prooien!
De vogel onderhoudt bovendien sterk ontwikkelde sociale structuren met zijn gezang.
Wist je dat een koppel gemiddeld 150.000 insecten en muggen vangt voor een nestje met vier jongen en zo overlast voorkomt?
Sinds enkele jaren staan er op Einhoven-Drengel en ook in Oostmalle enkele zwaluwtillen.
Om de broedresultaten op te volgen, zoekt Natuurpunt Voorkempen tellers voor deze acht tillen.
Het succes van deze huiszwaluwtillen gaat ieder jaar crescendo.


Zo kon Natuurpunt in 2025 al 85 geslaagde broedgevallen noteren in de acht tillen.
Nadeel van dit succes is dat het ieder jaar meer werk wordt om de resultaten op te volgen.
Daarom zoeken ze vrijwilligers om één of meerdere huiszwaluwtillen geregeld te bezoeken om de broedresultaten te weten.
Voor deze taak is geen speciale kennis nodig, enkel een min of meer wekelijks bezoek van een half uurtje van half mei tot half september.
Een weekje overslaan is geen probleem.
Kan je meerdere weken niet, geef een seintje en Natuurpunt zoekt voor die periode een vervanger.
De nestjes aan de til zijn genummerd.
Het is de bedoeling te weten welke nummers gebruikt worden, maar vooral in welke nestjes er jongen worden opgemerkt.
Wie weet heb je een voorkeurtil in je eigen buurt om op te volgen?
Dat kan allemaal besproken worden.
Wil je hieraan meewerken, geef een seintje via valentijn.brems@pandora.be.

GroenRand en de toekomst van de Noorderkempen: natuurherstel als sleutel tot een effectief stikstofbeleid

GroenRand en de toekomst van de Noorderkempen: natuurherstel als sleutel voor een doeltreffend stikstofbeleid


Vlaanderen bevindt zich op een cruciaal historisch kantelpunt in het complexe stikstofdossier.
Met de eerste driemaandelijkse rapportering van stikstofintendant Frank Smeets in maart 2026 is de strategie voor de komende jaren scherper gesteld [Smeets, 2026].
De meest opvallende beleidswijziging is de formele aanduiding van een zesde maatwerkgebied in de noordelijke Noorderkempen.
Waar het Stikstofdecreet oorspronkelijk vijf zones identificeerde die extra bescherming behoefden, wordt nu de regio rond Hoogstraten aan dit rijtje toegevoegd [Vlaamse Overheid, 2024].


Het gaat specifiek om de Heesbossen en de vallei van de Marke en het Merkske, een grensoverschrijdend natuurcomplex verspreid over de gemeenten Hoogstraten, Rijkevorsel en Merksplas.
De noodzaak voor dit nieuwe maatwerkgebied komt voort uit recente, fijnmazige berekeningen van onderzoeksinstelling VITO waarbij lokale modellen de theoretische depositie nauwkeuriger in kaart brachten [VITO, 2026].
Wetenschappers hebben de doelafstand voor specifieke habitats opnieuw tegen het licht gehouden, waarbij vooral de uiterst stikstofgevoelige overgangsvenen in de beekvallei een alarmbel deden afgaan.
Deze overgangsvenen vormen een zeldzame overgang tussen open water en moerasland en zijn ecologisch onvervangbaar binnen het Kempense landschap.


Een cruciaal resultaat uit de VITO-analyses is echter dat de impact van de lokale landbouw op deze specifieke veengebieden verwaarloosbaar is bevonden [VITO, 2026].
De berekeningen tonen aan dat de kritische drempels voor deze habitats eerder overschreden worden door historische belasting en interne verdroging dan door actuele lokale emissies.
Dit inzicht verschuift de beleidsprioriteit in Hoogstraten fundamenteel naar grootschalig hydrologisch herstel in plaats van extra emissiereducties voor landbouwers bovenop de generieke regels.
Dit hydrologisch herstel is technisch noodzakelijk om de natuurlijke sponswerking van de vallei te reactiveren en de schadelijke oxidatie van veenbodems te stoppen [INBO, 2026].


Wanneer veenbodems uitdrogen, komt opgeslagen stikstof vrij door blootstelling aan zuurstof, wat leidt tot een interne vermesting van het gebied.
Door actieve vernatting, het vasthouden van regenwater en het gericht dempen van afwateringsgrachten kan de bodem stikstof weer effectief bufferen.
Bovendien is het bevorderen van de instroom van zuiver kwelwater essentieel om de unieke flora van de beekvallei te beschermen tegen verdere verrijking met nutriënten.
Het bestaande Integraal Waterproject Merkske dient hierbij als operationele basis en bewezen blauwdruk voor de nieuwe inrichtingsnota's die nu worden opgesteld.
Hoogle de theoretische doelafstand ook daar verkleind is door betere rekenmethodieken, blijft de ecologische druk beheersbaar binnen de huidige kaders voor de Mechelse Heide, de Voerstreek en De Maten [VITO, 2026].


Voor het Turnhouts Vennengebied en de Kalmthoutse Heide blijven aanvullende inspanningen echter strikt noodzakelijk om de Kritische Depositiewaarden te bereiken [Smeets, 2026].
In het Turnhouts Vennengebied is de problematiek momenteel het grootst van alle gebieden, wat vraagt om een agressieve brongerichte natuurbescherming.


Concrete acties zoals de aanleg van nieuwe riolering langs de N119 moeten de rechtstreekse druk van vervuild oppervlaktewater op de kwetsbare vennen verlichten [VMM, 2026].
Daarnaast omvat de aanpak het strikte beheer van de populatie zomerganzen om extra vermesting door hun stikstofrijke uitwerpselen in het water tegen te gaan.
In de Kalmthoutse Heide, een absolute kernzone binnen het projectgebied van de vereniging GroenRand, ligt de nadruk op fundamenteel natuurherstel [GroenRand, 2026].


De stikstofproblematiek uit zich hier in een versnelde vergrassing en verbossing die de typische heidebiodiversiteit letterlijk verstikt.
Om dit proces te keren, wordt fors ingezet op ingrijpende herstelmaatregelen zoals het mechanisch plaggen van de bodem tot op de minerale zandlaag [INBO, 2026].
Bij dit plaggen wordt de opgehoopte stikstofrijke toplaag verwijderd, waardoor slapende zaden van zeldzame soorten zoals dopheide en zonnedauw weer de ruimte krijgen om te kiemen.


Voor GroenRand is dit kwalitatieve natuurherstel de absolute en onbespreekbare voorwaarde voor hun bredere visie op landschappelijke verbondenheid [GroenRand, 2026].
Via hun 'Greenconnect'-project worden deze herstelde, gezonde natuurkernen door middel van robuuste ecologische corridors verbonden met omliggende private bosgebieden.
Het INBO ondersteunt deze visie met adviezen over het strategisch gebruik van bosgordels als 'stikstoffilters' die de depositie op de open heidehabitats effectief kunnen verlagen [INBO, 2026].
Financieel is deze grootschalige operatie geraamd op enkele tientallen miljoenen euro's voor de eerste uitvoeringsfase in de Noorderkempen [Smeets, 2026].
Deze middelen worden geput uit het Vlaamse Klimaatfonds en specifieke budgetten die gereserveerd zijn voor de uitvoering van het Stikstofdecreet.


Een aanzienlijk deel van dit budget is bestemd voor de vergoeding van private grondeigenaars die vrijwillig participeren in vernattingsprojecten of bosuitbreiding.
Ondanks de heldere koers van de intendant bevindt het beleid zich juridisch nog in een transitiefase aangezien het Stikstofdecreet zelf formeel nog moet worden geactualiseerd.
Om dit te overbruggen, voert de Vlaamse Milieumaatschappij de monitoring drastisch op met extra meetplaatsen voor ammoniakconcentraties en natte depositie in deze zones [VMM, 2026].


Deze fijnmazige metingen moeten de wetenschappelijke basis leveren voor de toekomstige inrichtingsnota's en de evaluatie van de genomen maatregelen.
Zo probeert men door een combinatie van technische bronmaatregelen, grootschalig waterbeheer en diepgaand natuurherstel de ecosystemen van de Noorderkempen gezond te maken.
Uiteindelijk bewijst de aanpak in Hoogstraten en Kalmthout dat maatwerk en lokale samenwerking de enige weg voorwaarts zijn in deze complexe materie.

Geraadpleegde bronnen:

  • Smeets, F. (2026). Eerste driemaandelijkse voortgangsrapportage van de Intendant voor de Vlaamse Maatwerkgebieden Stikstof. Kabinet van de Vlaamse Regering.
  • Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Meetnet Ammoniak en Stikstofdepositie: Rapportage kwetsbare natuurzones regio Noorderkempen.
  • VITO (2026). Modellering en evaluatie van de stikstofdoelafstand voor de vallei van de Marke en het Merkske. Technisch verslag in opdracht van de Vlaamse Overheid.
  • Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Advies over de effectiviteit van hydrologisch herstel en bosgordels als mitigerende maatregelen voor stikstofgevoelige habitats.
  • GroenRand (2025-2026). Projectnota Greenconnect: Strategische visie op natuurherstel en ecologische corridors in de Antwerpse Noorderkempen.
  • Vlaamse Overheid. Decreet betreffende de programmatische aanpak van stikstof (Stikstofdecreet) en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten voor maatwerkgebieden.

vrijdag 10 april 2026

Dirk Draulans aan het woord

Dirk Draulans: Waarom ik babbel met mieren, bijen en koninginnen


Van keukentafel-mieren tot overspelige lepelaars: een pleidooi voor de babbelende bioloog

Af en toe krijg ik de vraag of ik babbel met dieren.
Meestal is dat uit gezonde interesse, af en toe om me als een halve idioot te kunnen afschilderen.
Wie babbelt er nu met dieren?
Ik dus.
Ik babbel met dieren, altijd en overal.
Wij hebben geen huisdieren, dus is mijn gebabbel uitsluitend iets voor echte wilde dieren – ook uit huis en tuin natuurlijk.
Meestal is het vriendelijk, tenzij het om de kat van de buren gaat – een jagend mormel dat onze beestjes gerust moet laten.
Die noodzaak om te communiceren met alles wat leeft, zit diep.

Het is de bioloog in mij die nooit is opgehouden met kijken.
Na mijn doctoraat aan de KU Leuven in 1983 en mijn tijd als gastonderzoeker aan de Universiteit van Oxford, had ik in de ivoren toren kunnen blijven zitten, maar ik wilde de modder in om te begrijpen hoe de natuur werkt, van de kleinste mier tot de verste trekvogel.
Mijn dag begint niet zelden met wat communicatie met de mieren die menen dat onze keukentafel ook tot hún biotoop behoort, wat vanuit hun standpunt bekeken uiteraard begrijpelijk is.
Wij laten ze hun ding doen.
Het is grappig om ze bezig te zien in hun overijverigheid.
Ik heb nog altijd geen patronen in hun activiteiten ontdekt, het lijkt wel pure randomness.
Ik waarschuw ze als ze in de buurt van een mes komen of onder een bord of pot dreigen te verdwijnen.
Ik leg ze uit dat het veiliger is dat ze even verdwijnen als wij er zijn, maar dat haalt niet veel uit.


Het gekst zijn ze op het kleine potje waarmee ik een hoestsiroop inneem.
Zelfs als wij denken dat er niks meer in zit, zitten er na verloop van tijd toch een boel mieren te genieten van wat is achtergebleven.
Ik veronderstel dat ze er een surrogaat in zien voor de suikerrijke ‘honingdauw’ van bladluizen, waar ze buiten dol op zijn.
Terwijl ik ze observeer, besef ik dat dit gedragsecologie op de vierkante centimeter is.
Ook met de bijtjes van onze hotels heb ik geregeld interactie, vooral als ze rond mijn kop zoemen als ik aan de tuintafel zit.
Soms vertel ik ze wat ik aan het lezen ben – het is goed voor het vastleggen van wat ik las in mijn geheugen en het is minder belachelijk dan het zomaar af te dreunen zonder ‘gesprekspartner’.


Gisteren had ik wat communicatie met een dikke aardhommelkoningin die zomaar naar binnen gevlogen was – de tuindeur stond wagenwijd open door het mooie weer.
Ze landde op de tulpen op de salontafel en bleek daar, weliswaar moeizaam, toch in te geraken om er nectar en/of stuifmeel uit te halen.


Ik wees haar erop dat het niet verstandig is zo naar binnen te vliegen, dat ze vast zou kunnen komen te zitten, maar finaal was er toch armengezwaai nodig om haar weer naar buiten te begeleiden.
Het was desondanks een intiem moment met een koningin!
In de tuin babbel ik constant met de mussen die nu ook de hele tijd zitten te tsjilpen en kwetteren.
Wij schatten dat we zeven koppeltjes rond het huis hebben, wat een mooie populatie is.
Ik vertel de mussen soms wat ik aan het doen ben en vraag ze af en toe of ze tevreden zijn met de accommodatie die wij hen ter beschikking stellen.
Ze lijken tevreden te zijn!


Het zijn mooie momenten, mus en mens, wij delen dezelfde ruimte, wij zijn samen natuur.
Die verbondenheid drijft me al sinds 1987 bij Knack, maar ook tijdens mijn reizen in het kielzog van Charles Darwin voor de Beagle.
Of ik nu als oorlogsverslaggever in Centraal-Afrika zat of aan de talkshowtafel van De Laatste Show: het leven is fragiel en alles hangt met elkaar samen.
Evolutie is de motor van alles en als je dat begrijpt, zie je de wereld door een andere bril.
Als ik in mijn vogelgebieden in de buurt van Doel wandel, is de communicatie doorgaans wat bescheidener, vooral door de afstand tussen mezelf en de andere dieren.
Deze week heb ik wel tegen de eerste gele kwikstaart die ik dit jaar zag gezegd dat hij de eerste was voor mij en dat ik er blij mee was.
Af en toe bedank ik vogels als grutto’s voor het concert dat ze geven.


Met de lepelaars is het wat moeilijker, niet alleen omdat ze meestal vrij ver zitten, ook omdat de lepelaar een vogel is die zo goed als geen geluid maakt.
Ze zijn altijd doodstil en luisteren schijnbaar niet naar elkaar.
Mij niet gelaten, ze zijn wat ze zijn, maar het stimuleert niet tot conversatie.
Gisteren zag ik heel eventjes het allereerste lepelaarskuikentje van het jaar wiebelen met zijn kleine kopje vol stekelpluimen, voor zijn ouder er weer op ging zitten en hij in en onder een bundel veren verdween.
Dat beestje heb ik wel welkom geheten en veel geluk gewenst.
Het is elk jaar een mooi moment, het eerste nieuwe leven in de kolonie, ook al is het vroeg.
De meeste broedvogels zijn nog aan het toekomen.
Ik verdenk mijn lievelingslepelaar Losjka er trouwens van dat hij van partner is geswitcht, wat interessant zal zijn om te volgen.
Ik betrapte hem op een paring met een andere gekleurringde lepelaar, samen met hem de oudste van de kolonie, ook geboren in de kolonie zelf in 2011, terwijl Losjka van 2008 is.
Ze zitten elk jaar samen in de kolonie, maar ik heb ze nog nooit echt in elkaars gezelschap gezien.
Tot gisteren!


Ik veronderstel dat jullie, net als ik, genoten hebben van het mooie en uitzonderlijk warme lenteweer van de voorbije dagen met zijn kleurenpracht van ontluikende bloemen en de insectenwereld die opleeft.
Het doet bijna vergeten dat die klimaatopwarming geen zegen is, vooral niet voor de natuur.
Maar we moeten ons geen zorgen maken, want binnenkort zal haar ware, ontwrichtende gelaat zich weer manifesteren.
Hopelijk komt er dan weer wat meer aandacht voor en komen er eindelijk afdoende maatregelen om haar ernstig aan te pakken.
Anders gaan enkele mooie lentedagen binnenkort als surrogaat moeten dienen voor kurkdroge en bloedhete zomers.
Dat is niet de bedoeling.

Bron: Facebookpagina Dirk Draulans