dinsdag 9 juni 2026

De watercommissaris en Blue Deal 2.0: Ambitieuze theorie botst op financiële droogte en de harde realiteit van de Antitankgracht

De watercommissaris en Blue Deal 2.0: Ambitieuze plannen stuiten op financiële droogte en de harde realiteit van de Antitankgracht 

Vlaanderen staat voor een gigantische milieu-uitdaging.
Tegen 2027, met een uitloop naar 2028, moet de Vlaamse waterkwaliteit voldoen aan de strenge Europese Kaderrichtlijn Water.
De realiteit vandaag is ontnuchterend, want nagenoeg geen enkele Vlaamse waterloop haalt momenteel de norm.
Om het tij te keren en een economisch verlammende watercrisis af te wenden, stelt Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns een speciale watercommissaris aan.
Hoewel dit initiatief aanvankelijk werd weggezet als politiek uitstelgedrag, liggen de kaarten complexer.
Een diepere analyse toont een diepe kloof tussen de theoretische stroomlijning van het beleid en de harde ecologische en financiële realiteit op het terrein.
1. De context: Een aangekondigde ecologische en juridische muur

De Europese Kaderrichtlijn Water is onverbiddelijk.
Lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun oppervlaktewater en grondwater een goede ecologische en chemische toestand bereiken.
Voor Vlaanderen, met zijn intensieve landbouw, dichte bevolking en historische industriële vervuiling, is dat een loodzware opgave.
Wetenschappers en adviesorganen zoals de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen waarschuwen al langer dat de huidige inspanningen en budgetten ruimschoots onvoldoende zijn om de Europese deadlines te halen.
Het risico bij het mislukken van deze doelstellingen is niet louter ecologisch.
Als Vlaanderen de normen niet haalt, dreigt er een juridisch scenario dat analoog is aan de stikstofcrisis, namelijk een totale vergunningenstop.
Zonder herstel van de waterkwaliteit kunnen rechtbanken nieuwe vergunningen voor industriebedrijven, landbouwbedrijven of zelfs woningbouwprojecten vernietigen.
Om deze economische blokkade te vermijden, moet het roer acuut om.
Minister Brouns wil daarom met de aanstelling van een watercommissaris enkele versnellingen hoger schakelen.
2. Bestuurlijke versnippering: Waarom GroenRand ook voordelen ziet
Hoewel de kritiek op het politieke doorschuiven van de hete aardappel groot blijft, ziet natuurkoepel GroenRand verrassend genoeg ook duidelijke voordelen in de komst van een watercommissaris.
De noodzaak aan centrale regie is immers historisch groot.
Vandaag de dag is het Vlaamse waterbeleid versnipperd over maar liefst honderdvijftien verschillende beheerders.
Hieronder vallen de Vlaamse Milieumaatschappij, de verschillende provinciebesturen, talloze lokale gemeenten en de traditionele wateringen en polders.
We zien vandaag helaas te vaak dat broodnodige waterprojecten vastlopen omdat lokale waterbeheerders puur werken vanuit hun eigen strikte logica of historisch mandaat.
Ze negeren daarbij de overkoepelende visie van de Vlaamse Blue Deal en het Decreet Integraal Waterbeleid.
Een van de belangrijkste taken van de nieuwe, onafhankelijke watercommissaris wordt volgens GroenRand dan ook het ontwarren van deze lokale knopen.
De commissaris moet fungeren als één centraal, strategisch aanspreekpunt.
Om écht impact te hebben, moet deze figuur bovendien over de regeringsperiodes heen de wettelijke macht krijgen om lokale, protectionistische blokkades onherroepelijk te doorbreken.
3. Het perspectief van de bestuurskunde: Meerwaarde of overbodige laag?

Professor bestuurskunde Bram Verschuere van de Universiteit van Leuven bekijkt de kwestie met een analytische blik.
Hij nuanceert de kritiek, maar erkent de maatschappelijke scepsis.
De Vlaamse regering deed de voorbije jaren immers al een beroep op maar liefst twintig commissarissen, intendanten of speciale opdrachthouders.
Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de coronacrisis, de opvang van Oekraïense vluchtelingen, het stikstofdossier of de Ventilus-hoogspanningslijn.
Dit roept legitieme vragen op over de slagkracht van de reguliere administraties, die nochtans beschikken over honderden experts en miljoenenbudgetten.
Toch ziet Verschuere een duidelijke theoretische en praktische meerwaarde in een watercommissaris, juist vanwege die extreme bestuurlijke versnippering.
Omdat zo'n commissaris deels boven de dagelijkse politieke en administratieve eilandjes staat, kan hij of zij objectief processen op elkaar afstemmen.


Ook kan hij impasses doorbreken en gemeenschappelijke doelen formuleren waar alle sectoren, van industrie tot landbouw en natuur, zich in kunnen vinden.
De taak van de commissaris wordt bovendien niet het schrijven van nieuwe theorie.
Het recente eindrapport van de klankgroep rond professor Hans Bruyninckx over de stroomgebiedbeheerplannen bevat al meer dan genoeg concrete aanbevelingen.
De commissaris moet die theorie simpelweg gaan omzetten in de praktijk en de operationele boel in beweging krijgen.
4. De financiële droogte: Blue Deal 2.0 als doekje voor het bloeden?

De hamvraag die echter boven het hele dossier hangt, is bikkelhard, want is er wel voldoende budget om een effectief beleid te voeren?
Het antwoord van experts, wetenschappers en milieuorganisaties is een unaniem neen.
Het huidige budget voor de Blue Deal in Vlaanderen is simpelweg ontoereikend om de regio structureel te beschermen tegen de steeds extremere opeenvolging van droogte en overstromingen.
ParameterBlue Deal 1.0Blue Deal 2.0 (2025–2029)Werkelijke behoefte (Experts)
Totaal budget~ 500 miljoen euro330 miljoen euroNiet gecapped (structureel tekort)
Gemiddeld per jaar~ 100+ miljoen euro66 miljoen euro100 tot 150 miljoen euro
Primaire financieringEuropese relancefondsenVlaamse overheidsmiddelenStructurele klimaatfondsen
Hoewel de Vlaamse Regering voor de nieuwe legislatuur van 2025 tot 2029 een totaalbedrag van 330 miljoen euro heeft uitgetrokken voor Blue Deal 2.0, betekent dit een forse krimp ten opzichte van de eerste Blue Deal.
Destijds was er ongeveer een half miljard euro voorzien, destijds grotendeels gefinancierd met eenmalige Europese herstelfondsen.
Nu die Europese middelen zijn weggevallen, dalen de overheidsinvesteringen spectaculair, terwijl die klimaatuitdagingen alleen maar groter worden.
Waterbeheerexperts zoals professor Patrick Willems van de Universiteit van Leuven benadrukken dat er jaarlijks minstens 100 tot 150 miljoen euro nodig is.
Dit geld is nodig om de vitale functies van water voor burgers, landbouw en natuur structureel te garanderen.
Met de huidige 66 miljoen euro per jaar ligt het budget daar fors onder.
Bovendien lopen die jaarbudgetten pas op richting het einde van de legislatuur, wat de noodzakelijke ingrepen op het terrein direct vertraagt.
En dat terwijl de reikwijdte van het beleidsplan juist is uitgebreid naar extra, complexe domeinen zoals waterkwaliteit en lokale gebiedscoalities.
GroenRand vindt dat de focus van de nieuwe Blue Deal inhoudelijk goed ligt.
Ze staan positief tegenover de specifieke sponsdoelen en het oprichten van lokale gebiedscoalities om het waterbeheer van onderuit vorm te geven.
Organisaties zoals Natuurpunt en GroenRand waarschuwen echter dat het plan door de financiële droogte dreigt te verwateren tot een doekje voor het bloeden.
Het herstellen van de natuurlijke sponswerking van de bodem zal hierdoor onvermijdelijk beperkt blijven tot kleinschalige, geïsoleerde proefprojecten.
5. Uitblijvende actie en het historische dieptepunt

GroenRand is daar heel duidelijk in en stelt dat de aanstelling van een watercommissaris enkel effectief is als deze gepaard gaat met een daadkrachtig beleid op het terrein.
De crisis rond de waterkwaliteit en de problematiek rond de droogte zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Je kunt ze onmogelijk los van elkaar oplossen.
De minister moet zélf de structurele hefbomen activeren die hij in handen heeft om de natuur te herstellen.
In dat kader zal minister Brouns eind september met een concreet Vlaams Natuurherstelplan moeten komen.
Dit plan vloeit voort uit de Europese Natuurherstelwet en verplicht lidstaten om aangetaste ecosystemen, waaronder natte natuur, rivieren en veengebieden, grootschalig te herstellen.
Dit is cruciaal om de natuurlijke sponswerking van de bodem terug te krijgen.
De grote vraag blijft echter of de nieuwe watercommissaris ook daadwerkelijk de slagkracht krijgt om zoden aan de dijk te zetten.
Zaken zoals het exacte budget, de langetermijnvisie en de bestuurlijke autonomie moeten op dit moment allemaal nog definitief worden afgeklopt binnen de Vlaamse regering.
Het nodige doen om de strenge Europese eisen te halen, is bovendien nog iets heel anders dan het lanceren van nieuwe intenties.


De allereerste aanbeveling van die coördinatiecommissie luidt immers simpelweg: uitvoeren wat al lang is beslist.
Eind 2027 loopt het derde stroomgebiedbeheerplan af, maar vandaag blijkt dat het waterbeleid op een historisch dieptepunt zit door een gigantische uitvoeringsachterstand.
In juni 2025 was van de maatregelen uit het derde stroomgebiedbeheerplan van 2022 tot 2027 slechts 17 procent volledig uitgevoerd.
Ongeveer 30 procent was nog in uitvoering.
Van de vorige beheerplannen moet meer dan de half van de maatregelen zelfs nog altijd worden opgestart.
Wat baten nieuwe adviezen en commissarissen wanneer eerder afgesproken acties amper worden uitgevoerd?
Tegen 2027 moeten volgens de Europese Kaderrichtlijn Water alle rivieren in Vlaanderen proper zijn.
Momenteel voldoet het Vlaamse waterbeleid aan geen kanten aan die norm, want amper 1 op de 195 Vlaamse rivieren is vandaag echt proper.
Opeenvolgende Vlaamse regeringen kregen inmiddels al twaalf jaar uitstel om deze doelstellingen te realiseren.
Als ook deze regering met de voeten blijft slepen en zich verschuilt achter nieuwe studies, dreigt de gevreesde economische vergunningenstop onafwendbaar te worden.
6. De harde realiteit op het terrein: De casus van de Antitankgracht

Nergens wordt de pijnlijke breuklijn tussen de theoretische Vlaamse klimaatdoelen en de harde ecologische realiteit op het terrein zo duidelijk geïllustreerd als bij de Antitankgracht.
Tot grote frustratie van lokale natuurbeschermers heeft minister Brouns geweigerd om deze strategische, historische verdedigingsgracht op te nemen binnen de gefinancierde zones van de Blue Deal.
Door deze expliciete weigering mist de gracht de noodzakelijke centrale financiering.
Dit heeft onmiddellijke, tastbare gevolgen, want de kostbare maar broodnodige slibruimingen ter sanering van de prioritaire zones in Ranst, Brasschaat bij De Inslag en Stabroek bij de Opstalvallei liggen feitelijk volledig stil.
De ecologische en biologische gevolgen hiervan zijn desastreus.
In de waterbodem van de gracht bevindt zich een bewezen, gevaarlijke verontreiniging met niet-afbreekbare chemische stoffen, beter bekend als PFAS.
Omdat die slibruiming stilligt, blijft deze vervuiling ongemoeid.
Dit leidt tot een aanhoudende, giftige ophoping van stoffen in de lokale voedselketen.
De zwaarste klappen vallen in de top van die voedselketen.
De kwetsbare en wettelijk beschermde otterpopulatie in de regio krijgt via haar voedsel constant hoge doses PFAS binnen, wat hun overlevings- en voortplantingskansen minimaliseert.
Bovendien staat het definitief schrappen van het cruciale deelproject in Schilde, waar de gracht opengelegd zou worden bij de kruising van de Moerhoflaan en de Noorderlaan, haaks op het lokale Masterplan Schildestrand.


Dit masterplan schrijft de ontharding en heropening van de historische dempingen rondom het Fort van 's-Gravenwezel nochtans juridisch voor.
Hoewel de overheid via de Lokale Gebiedsdeal Droogte 2.0 wel investeert in flankerende grondaankopen in de regio, weigert ze de effectieve, civieltechnische heropeningswerken te financieren.
Dit is een fatale weeffout in het beleid.
De Antitankgracht blijft hierdoor op die plaats fysiek gesloten en onderbroken.
Wanneer migrerende otters zich door het netwerk verplaatsen, stuiten ze op de drooggelegde dempingen.
Ze worden gedwongen het veilige water te verlaten en de gevaarlijke, overdrukke gewestwegen bovengronds te kruisen.
Het logische gevolg is een onvermijdelijke toename van verkeerssterfte onder deze zeldzame zoogdieren.
Conclusie: Een commissaris zonder munitie?
De aanstelling van een watercommissaris kan bestuurlijk de juiste stroomlijning brengen in een landschap dat versnipperd is over honderdvijftien beheerders.
Professor Verschuere behoudt dan ook het voordeel van de twijfel, want het is een oprechte poging om een ingewikkelde situatie beter te organiseren.
De casus van de Antitankgracht, de mislukte statistieken van de stroomgebiedbeheerplannen en de krimpende budgetten van Blue Deal 2.0 tonen echter aan dat de politieke daadkracht ophoudt zodra er echt ingegrepen moet worden.
Hoewel er regelmatig een nieuw ideetje wordt gelanceerd, zoals nu deze regeringscommissaris, staat het beleid stil.
Als de nieuwe watercommissaris niet de absolute autonomie en de financiële munitie krijgt om cruciale projecten te saneren en reeds gemaakte afspraken uit te voeren, blijft hij een commissaris in de woestijn.
Zonder een structurele injectie naar de door experts geëiste 100 tot 150 miljoen euro per jaar, dreigt het Vlaamse waterbeleid een papieren tijger te blijven, met ecologische achteruitgang en een nakende Europese vergunningenstop tot gevolg.

GroenRand: Het volledige verhaal achter de zorgwekkende achteruitgang van de bunzing in de Voorkempen

GroenRand: Het hele verhaal achter de verontrustende achteruitgang van de bunzing in de Voorkempen

Dit uitgebreide artikel is volledig gebaseerd op de officiële wetenschappelijke data en rapportages van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).
Het gaat momenteel helaas absoluut niet de goede kant op met de populatie van de bunzing in Vlaanderen.
Dit verontrustende nieuws komt naar voren uit het allernieuwste en uiterst grondige rapport dat door het INBO elke zes jaar verplicht aan Europa wordt bezorgd.
De harde, onomstotelijke cijfers laten zwart op wit zien dat deze prachtige en nuttige kleine marterachtige in een rap tempo steeds verder achteruitgaat.
Bij een allereerste oppervlakkige blik op de vele bunzingwaarnemingen die worden ingevoerd op het populaire natuurplatform Waarnemingen.be, lijkt de situatie nochtans mee te vallen.


Op basis van die digitale landkaart zou je immers kunnen concluderen dat de soort nog steeds vrij stabiel en wijdverspreid over heel Vlaanderen voorkomt.
We registreren via die weg zelfs een opvallend sterke toename in het totale aantal meldingen gedurende de voorbije twaalf jaar.
Deze schijnbare toename is echter een puur vertekend beeld en is volledig te wijten aan de enorme opkomst van moderne cameravallen.
De populariteit en de betaalbaarheid van het gebruik van dergelijke wildcamera's is de laatste jaren gigantisch toegenomen bij een heel breed publiek.
Voor een uiterst schuw, discreet en uitgesproken nachtactief roofdier als de bunzing zijn cameravallen inderdaad een fantastisch en efficiënt hulpmiddel om de soort überhaupt te kunnen detecteren.
Het feit dat we de bunzing tegenwoordig veel vaker op video vastleggen, betekent echter wetenschappelijk gezien absoluut niet dat er ook daadwerkelijk méér individuen in onze natuur rondlopen.
Om een biologisch correct en historisch betrouwbaar beeld te krijgen van de werkelijke trend, moeten ecologen en onderzoekers kijken naar een heel andere methode.


Zij baseren hun analyses op een waarnemingsmethode die al veel langer en op een meer gestructureerde manier wordt gebruikt, namelijk het nauwgezet registreren van verkeersslachtoffers.
Al sinds de officiële opstart van het Vlaamse Marternetwerk in het jaar 1996, met een volledig operationeel netwerk om dode dieren in te zamelen vanaf 1998, ging er prioritair veel aandacht naar het registreren van verkeersslachtoffers onder onze inheemse roofdieren.
De bunzing vormde destijds, en vormt ook vandaag de dag nog steeds, een van de belangrijkste focussoorten binnen dit grootschalige monitoringproject.
Vanaf het jaar 2008 kwam er bovendien met de lancering van de website Waarnemingen.be en de bijbehorende langdurige campagne ‘Dieren onder de wielen’ van Natuurpunt een zeer laagdrempelig digitaal portaal beschikbaar voor het grote publiek om deze trieste verkeersslachtoffers te melden.
Over de jaren heen is de algemene detectiekans en de bereidheid van burgers om verkeersslachtoffers te registreren door deze digitalisering alleen maar groter en efficiënter geworden.
Wanneer we de harde grafiek and de achterliggende data van deze verkeersslachtoffers tussen 1998 en 2024 analyseren, zien we een schokkende afname van maar liefst meer dan 70%.
Verder valt het biologen direct op dat er na een werkelijk spectaculaire terugval eind jaren ’90 en begin jaren 2000, een tijdelijke adempauze leek te ontstaan.


De lokale aantallen leken tussen de jaren 2010 en 2015 heel even te stabiliseren op een destijds al historisch laag niveau.
Tot grote bezorgdheid van GroenRand namen de populatiecijfers en de verkeersmeldingen tussen 2015 en 2024 vervolgens opnieuw een zeer diepe en acute duikvlucht.
Om te begrijpen waarom dit gebeurt, moeten we beseffen dat diersoorten in de natuur bijna nooit achteruitgaan door toedoen van slechts één geïsoleerde oorzaak.
Meerdere negatieve invloeden stapelen zich in ons versnipperde landschap systematisch op en kunnen elkaar bovendien op catastrofale wijze versterken.
Niet elke potentieel negatieve invloed is voor wetenschappers even direct of makkelijk meetbaar in het veld.
Toch doet het INBO in samenwerking met lokale natuurverenigingen een serieuze en broodnodige poging om dit complexe ecologische kluwen rond de bunzing volledig te ontrafelen.
Als allereerste en meest fundamentele oorzaak van de achteruitgang moeten we kijken naar de grootschalige achteruitgang en aantasting van het geschikte leefgebied.
Bunzings zijn in onze moderne cultuurlandschappen bij uitstek een soort die volledig afhankelijk is van zogenaamde dynamische randsituaties.
Ze zijn voor hun dagelijkse overleving enorm gebaat bij kleinschalige percelen die rijk zijn aan dichte randvegetaties, natuurlijke beken en allerlei kleine, verbindende landschapselementen.
Hierbij denken we specifiek aan dichte, onbeheerde hagen, brede houtkanten, open poelen, ruige overhoekjes, dichte struwelen en hier en daar wat kleine, compacte bosjes.


Hoe ‘rommeliger’ het Vlaamse landschap is ingericht, zoals bijvoorbeeld van nature vaak het geval is in de directe omgeving van oude, historische boerderijen, hoe beter en veiliger dit is voor de levenskwaliteit van de bunzing.
Dit specifieke type landschap biedt hen namelijk zowel een overvloed aan voedsel als een veilige beschutting voor hun dagrustplaatsen en de noodzakelijke, verborgen plekken om hun jongen succesvol groot te brengen.
Door de extreme schaalvergroting en de doorgedreven intensivering van de moderne landbouw is de kwaliteit van dit specifieke habitat in grote delen van Vlaanderen helaas ontegenzeggelijk en drastisch achteruitgegaan.
In de grotere, beschermde natuurgebieden en de natte beekvalleien van de Voorkempen is gelukkig op sommige plekken wel nog voldoende van dit historische, gevarieerde habitat in een gezonde staat aanwezig.
Een tweede cruciale oorzaak die rechtstreeks voortvloeit uit het verlies van leefgebied, is de zorgwekkende en acute afname van het algemene voedselaanbod en de prooidieren.


De afname van geschikte prooien hangt immers onlosmakelijk en causaal samen met de algemene afname van het kwalitatieve, gevarieerde basishabitat.
Dit is vandaag de dag overduidelijk het geval bij woelmuizen en diverse amfibieën, wat toevallig de twee allerbelangrijkste prooigroepen vormen voor de bunzing.
Uit een uiterst grondige en grootschalige dieetanalyse bij maar liefst 1858 door het Marternetwerk ingezamelde dode bunzings, kwamen zeer opmerkelijke feiten aan het licht.
Het aandeel van amfibieën in de onderzochte bunzingmagen bleek in de loop der jaren procentueel gezien namelijk nog verder toe te nemen ten opzichte van andere prooien.
Wijst dit biologische fenomeen wellicht op het gedwongen terugtrekken van de bunzings uit de steeds drogere en strakkere landbouwlandschappen richting de meer optimale, natte habitats waar nog relatief veel amfibieën overleven?
Het is in dit kader bovendien buitengewoon opvallend dat de tweede grote periode van de landelijke afname van de bunzing min of meer exact samenvalt met de recent gedocumenteerde, dramatische achteruitgang van de gewone pad en de bruine kikker in Vlaanderen.
Een totaal ander, maar minstens even impactvol ecologisch verhaal is dat van het wilde konijn, wat historisch gezien een andere cruciale winterprooi is voor de grotere bunzings.
Nadat de Vlaamse konijnenpopulaties in de jaren ‘50 en ‘60 van de vorige eeuw compleet gecrasht waren ten gevolge van de introductie van de dodelijke konijnenziekte myxomatose, kenden vele lokale populaties een opmerkelijke heropleving in de decennia die daarop volgden.
In de jaren ‘80 en gedurende de eerste helft van de jaren negentig waren er daardoor op heel veel plekken in Vlaanderen en ook in de Voorkempen opnieuw zeer hoge aantallen konijnen te vinden.
Halverwege de jaren ‘90 bezorgde een compleet nieuwe en agressieve virusziekte, het zogenaamde VHS-syndroom, veel van deze herstelde konijnenpopulaties echter een gigantische nieuwe klap.
Dit is een zware klap die de wilde konijnen in onze regio tot op de dag van vandaag helaas nooit meer volledig te boven zijn gekomen.
De allereerste historisch gedocumenteerde grote populatiecrash bij de bunzings volgde destijds onmiddellijk en direct na deze grote konijnencrash van de jaren ‘90.


Het is voor de wetenschappers van het INBO dan ook zeer aannemelijk dat dit massale voedseltekort destijds mede een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de initiële achteruitgang van de bunzing.
Als derde uiterst verontrustende factor moeten we kijken naar de onzichtbare, maar destructieve impact van toxische stoffen die wij als mens op grote schaal in onze directe leefomgeving verspreiden.
Als moderne samenleving stellen we ons milieu dagelijks bloot aan een hele resem toxische, synthetische stoffen en zware chemicaliën.
De exacte ecologische impact van deze diverse chemische stoffen op levende organismen is in de vrije natuur bijzonder moeilijk te meten en wordt vaak pas op de zeer lange termijn pijnlijk duidelijk.
Bunzings staan als pure, gespecialiseerde roofdieren helemaal aan de top van de lokale voedselketen en accumuleren hierdoor ongewild heel wat van deze toxische stoffen in hun vitale organen en vetweefsels.
De onderzoekers keken in het nieuwe rapport specifiek naar de concentraties van schadelijke rodenticiden, beter bekend in de volksmond als chemisch rattenvergif, in de levers van dode bunzings.
Bunzings krijgen als actieve predatoren van kleine knaagdieren dit dodelijke vergif namelijk heel gemakkelijk via hun prooidieren binnen, een proces dat in de wetenschap bekendstaat als secundaire intoxicatie.
In maar liefst 39% van alle wetenschappelijk onderzochte bunzinglevers lagen de aangetroffen concentraties rattenvergif ver boven de kritieke grens waarbij ernstige, negatieve gezondheidseffecten klinisch waarschijnlijk zijn.

De exacte toxiciteit is echter sterk soortafhankelijk en specifiek voor de bunzing weten we momenteel helaas nog onvoldoende over het precieze, acute effect van deze specifieke concentraties op hun dagelijkse overlevingskansen.
De vierde en laatste potentiële factor die we moeten bespreken is de significant toegenomen concurrentie met andere, succesvolle roofdiersoorten in ons landschap.
Bunzings waren in de loop van de vorige eeuw in grote delen van Vlaanderen paradoxaal genoeg het allergrootste aanwezige landroofdier, wat destijds een vrij unieke en ecologisch gezien verarmde situatie was in Europa.
Er waren in die periode in onze regio nagenoeg geen vossen, steenmarters en boommarters meer aanwezig, waardoor er dus ook nagenoeg geen sprake was van directe concurrentie met andere middelgrote roofdieren.


Intussen hebben veel van deze verdwenen roofdiersoorten dankzij betere wettelijke bescherming en natuurherstel een indrukwekkende en gezonde comeback gemaakt in heel Vlaanderen.
Dit betekent concreet dat bunzings de schaars aanwezige voedselbronnen, dagrustplaatsen en potentiële nestlocaties in het landschap nu noodgedwongen moeten delen met deze andere, vaak sterkere roofdieren.
Hoewel de zeldzame boommarter in heel Vlaanderen nog steeds een grote rariteit is, komt deze mysterieuze soort in de bosrijke GroenRand-regio inmiddels wel weer geregeld voor op de cameravallen.
Het was overigens GroenRand dat deze geheimzinnige nachtjager extra onder de aandacht bracht door het jaar 2022 officieel uit te roepen tot het 'Jaar van de Boommarter'.
Als boegbeeld en graadmeter voor gezonde, grote en aaneengesloten bosgebieden langs onze Antitankgracht werd deze soort destijds via digitale tentoonstellingen en campagnes gebruikt om het grote publiek te sensibiliseren over het belang van natuurverbindingen.
Ook sommige grotere vogels die eveneens directe voedselconcurrenten zijn, zoals diverse roofvogels en reigers, hebben de voorbije decennia gelukkig een sterke comeback gemaakt in ons ecosysteem.
De heropleving van al deze predatoren is in feite een prachtige en noodzakelijke terugkeer naar een meer evenwichtige, natuurlijke situatie, aangezien we in de vorige eeuw te maken hadden met een ecologisch sterk verarmde predatorengemeenschap.


De eventuele negatieve impact van deze toegenomen voedselconcurrentie door andere marters en vossen moeten we volgens de wetenschappers van het INBO echter wel sterk nuanceren.
In een aanvullende, specifieke dieetstudie werd er namelijk heel nauwkeurig gekeken naar de exacte mate van overlap in het dieet tussen de verschillende roofdiersoorten in heel Vlaanderen.
Hieruit blijkt dat er weliswaar duidelijke overeenkomsten zijn in hun menukaart, aangezien ze bijna allemaal graag kleine knaagdieren eten, maar dat er tegelijkertijd ook reusachtige verschillen bestaan.
Bepaalde voedselitems die voor de ene marterachtige een gigantisch belangrijk onderdeel van het dagelijkse dieet vormen, worden door een andere soort soms totaal niet geconsumeerd.
Hierbij denken we bijvoorbeeld aan het feit dat de succesvolle steenmarter enorm veel fruit en menselijk keukenafval eet, terwijl de bunzing zich daarentegen bijna exclusief focust op het vangen van amfibieën en muizen.


Directe, mogelijk agressieve interacties tussen verschillende roofdieren in het wild zijn helaas bijzonder moeilijk live te onderzoeken door wetenschappers.
Vaak hebben we op dit vlak enkel de beschikking over anekdotische waarnemingen in het veld, waaruit we als natuurvereniging uiteraard geen overhaaste, grote conclusies mogen trekken.
Toevallige ontmoetingen tussen een steenmarter en een bunzing die wel eens gefilmd werden met behulp van cameravallen, suggereren in de praktijk eerder een vreedzaam en tolerant samenleven.
Dat neemt echter niet weg dat een toevallige ontmoeting op een willekeurige, open plaats in het landschap heel anders kan verlopen dan een ontmoeting op een specifieke plek die voor beide soorten uiterst interessant is als schaarse dagrustplaats of nestplek.
Hierbij moeten we concreet denken aan de zware onderlinge strijd om droge, veilige schuurtjes, oude houtstapels en dichte takkenhopen in ons buitengebied.
Tot slot willen we vanuit GroenRand met klem meegeven dat de bunzing niet enkel in Vlaanderen, maar momenteel overal in Europa een duidelijke en gelijktijdige achteruitgang laat zien.


Dit brede, internationale perspectief bewijst dat de toegenomen concurrentie door de lokale terugkeer van roofdiersoorten zoals de vos, de steenmarter of de boommarter hier niet of hooguit veel minder meespeelt.
In veel andere Europese landen en regio’s zijn deze concurrerende roofdiersoorten immers historisch gezien nooit verdwenen, terwijl de bunzingpopulaties daar vandaag de dag helaas exact dezelfde neerwaartse trend vertonen.
Wanneer we kijken naar het cruciale toekomstperspectief van deze soort, rijst onmiddellijk de prangende vraag of de bunzingpopulatie de komende jaren nog verder zal achteruitgaan, zal stabiliseren op een historisch dieptepunt, of dat we weldra een heropleving mogen verwachten.
Sommige van onze zeer actieve en geëngageerde lokale vrijwilligers suggereren op basis van hun recente, eigen cameravalopnames dat de bunzing het in hun specifieke deelregio van de Voorkempen de jongste jaren stiekem weer wat beter lijkt te doen.
Dit positieve scenario is volgens biologen zeker niet uitgesloten, aangezien in de natuur alles staat of valt met de absolute aanwezigheid van een kwalitatief en geschikt habitat.
Overal waar door overheden en verenigingen intensief aan grootschalig natuurherstel en ontsnippering gewerkt wordt, heeft dit immers direct een meetbaar en positief effect op de lokale bunzingpopulatie.
Of er op dit allerhoogste niveau op dit moment al daadwerkelijk sprake is van een hoopvol, landelijk kantelpunt, zal helaas pas onomstotelijk blijken bij de publicatie van de volgende officiële Europese rapportages.
In de complexe wereld van de ecologie bekijken we een kortetermijntrend immers pas over een periode van minstens twaalf jaar, and een betrouwbare langetermijntrend over een periode van 24 jaar.
Wat doet GroenRand nu concreet achter de schermen om dit prachtige dier in onze eigen regio te behoeden voor verdere achteruitgang?
Als actieve regionale milieuvereniging blijft GroenRand niet lijdzaam toekijken en onderneemt zij gerichte acties ter bescherming van de bunzing door de alarmerende conclusies van het INBO direct te vertalen naar concrete plannen op het terrein.
Wij zetten in de Voorkempen maximaal in op grootschalige ontsnippering van het landschap door het actief promoten van ecotunnels, wildrasters en veilige, natte natuurverbindingen tussen onze waardevolle boscomplexen.
Hierbij focussen we ons in het bijzonder op de Siliconen vier cruciale beekvalleien die de strategische Antitankgracht dwars kruisen, zijnde de Laarsebeek, de Kaartsebeek, het Groot Schijn en het Klein Schijn.


Deze kruispunten vormen van nature de perfecte, vochtige leefgebieden en migratiecorridors waar we met gerichte natuurinrichting de overleving van de lokale bunzingpopulaties veilig kunnen stellen.
Daarnaast voeren we een actieve en dringende oproep naar lokale overheden, landbouwers en burgers om het gebruik van chemisch rattenvergif onmiddellijk stop te zetten en te kiezen voor biologische alternatieven.
Door samen te vechten voor de realisatie van een robuust, aaneengesloten Landschapspark De Voorkempen, hopen we dat de bunzing over 24 jaar weer een kerngezonde en veilige toekomst tegemoet gaat in onze regio.