dinsdag 14 april 2026

De tjiftjaf in de Voorkempen door de lens van François Eennaes

De tjiftjaf in de Voorkempen, vastgelegd door de lens van François Eennaes.

Het is een kleine zangvogel die vooral bekend is door zijn roep, die klinkt als “tjif-tjaf”.
Je hoort hem vaak in bossen en tuinen, vooral in het voorjaar en de zomer.
Hij is bruin-groen van kleur en lijkt een beetje op andere kleine zangers, maar zijn geluid maakt hem makkelijk herkenbaar.
Hoewel dit vogeltje met zijn bescheiden formaat nauwelijks opvalt tussen het jonge blad, is zijn aanwezigheid door zijn niet-aflatende zang dominant.


Het is vandaag 14 april en dat betekent dat de tjiftjaf momenteel op het hoogtepunt van zijn zangactiviteit is.
Voor velen is dit het definitieve bewijs dat de winter nu echt achter ons ligt.
De regio van de Voorkempen, met gemeenten als Brasschaat, Schoten en Zoersel, vormt een ideaal biotoop voor deze soort.
Het gebied kenmerkt zich door een afwisseling van oude parkbossen, villatuinen met veel ondergroei en overgangszones naar heidegebieden zoals de Kalmthoutse Heide.


De tjiftjaf is bij uitstek een bewoner van bosranden en parken.
Hij houdt van plekken waar hoge zangposten gecombineerd worden met een dichte, verruigde struiklaag van bramen of varens om in te nestelen.
In de bosrijke lanen van de Voorkempen vindt hij deze structuur in overvloed, waardoor de populatiedichtheid hier bijzonder hoog is.
De soort heeft zich de laatste jaren ook opvallend goed aangepast aan de verstedelijking in Vlaanderen en komt nu zelfs in suburbane wijken meer voor dan vroeger.


Biologisch gezien is de tjiftjaf een technisch hoogstandje van de natuur.
Het is een actieve insecteneter die rusteloos door het gebladerte hopt op zoek naar muggen, spinnen en kleine rupsen.
Een karakteristiek gedrag is het voortdurend omlaag wippen van de staart, wat een trekje is dat hem onderscheidt van zijn bijna identieke dubbelganger, de fitis.
Voor vogelaars is dit "fitis-dilemma" een klassieke uitdaging.
Waar de fitis lichte, vleeskleurige poten heeft, herken je de tjiftjaf aan zijn bijna zwarte pootjes.


Bij de tjiftjaf zijn de vleugels ook iets korter en is de wenkbrauwstreep minder duidelijk getekend dan bij de fitis.
Bij twijfel biedt de zang echter altijd uitsluitsel, want de tjiftjaf produceert zijn bekende staccato-zang terwijl de fitis een melancholisch, aflopend fluitje laat horen.
Er bestaat zelfs een Siberische tjiftjaf die soms in onze streken opduikt en een weemoedig "hiep" geluid maakt.
De nestbouw van de tjiftjaf is eveneens bijzonder.
In tegenstelling tot veel zangvogels die een open kommetje maken, bouwt hij een overdekt "ovennest".
Dit bolvormige bouwsel van gras en mos heeft een zij-ingang en is van binnen gevoerd met zachte veertjes.
Opmerkelijk genoeg bevindt dit nest zich meestal zeer laag bij de grond en zit het goed verscholen in brandnetels of braamstruiken, terwijl de vogel zelf vaak de hoogste boomtoppen opzoekt om zijn territorium af te bakenen.


Nu het midden april is, zijn de vrouwtjes druk bezig met het voltooien van deze vernuftige bouwwerken.
Ook in onze cultuur en taal heeft de vogel diepe sporen nagelaten.
De wetenschappelijke naam Phylloscopus collybita bevat een mooie verwijzing, want collybita is afgeleid van het Griekse woord voor geldwisselaar.
Men vond namelijk dat de zang leek op het geluid van rinkelende munten die geteld worden op een tafel.
In lokale Vlaamse dialecten kreeg de vogel kleurrijke namen zoals de bonenzetter, omdat hij arriveerde wanneer de boeren hun bonen plantten, of de wijntapper, naar het ritmische getik dat deed denken aan een lekkend wijnvat.


Zelfs in de stripwereld is hij vereeuwigd, aangezien Willy Vandersteen in 1970 het Suske en Wiske-album "De toornige tjiftjaf" aan de vogel wijdde om de illegale vogelvangst in België aan te klagen.
Vandaag de dag is de tjiftjaf ook een symbool van verandering.
Door de opwarming van het klimaat zien we dat steeds meer exemplaren de gevaarlijke trek naar Noord-Afrika overslaan en in de Voorkempen overwinteren.
De najaarstrek piekt normaal gesproken in september en oktober, maar milde winters zorgen ervoor dat honderden vogels tegenwoordig gewoon in onze riviergebieden blijven hangen.
Als ze wel trekken, overwinteren ze vaak in het Middellandse Zeegebied of zelfs in tropisch Afrika.
Of hij nu een standvogel is of een vroege migrant, zijn onvermoeibare roep blijft een essentieel onderdeel van het Vlaamse natuurlandschap.
Dankzij het werk van organisaties als GroenRand en de observaties van fotografen zoals François Eennaes blijft de fascinatie voor dit kleine maar karaktervolle vogeltje levendig in onze regio.

De Vlaamse natuurherstelwet en de erfenis van een versnipperd ruimtelijk beleid

De Vlaamse natuurherstelwet en de nalatenschap van een versnipperd ruimtelijk beleid


De Europese Natuurherstelwet, die in april 2026 het politieke landschap in Vlaanderen domineert, wordt in het publieke debat vaak gepresenteerd als een spanningsveld tussen ecologische doelstellingen en de belangen van de landbouwsector.
Een analyse van de ruimtelijke voorgeschiedenis wijst uit dat deze situatie de uitkomst is van een langdurig proces, waarbij de inrichting van het landschap en de natuurlijke grenzen door verschillende beleidskeuzes zijn gevormd.
Vlaanderen ervaart vandaag de gevolgen van een decennialange cultuur in de ruimtelijke ordening, waarbij lokale en individuele woonwensen vaak prioriteit kregen boven een integrale landschapsvisie.
De wortels van deze ruimtelijke structuur liggen in een politieke visie die bijna een eeuw geleden vorm kreeg door toedoen van de christendemocratische ideologie.
De fundamenten hiervoor werden al vroeg gelegd door de Wet op de Tuinsteden uit 1923 en de Wet De Taeye uit 1948, die via goedkope leningen en premies het ideaal promootten van een eigen woning met tuin buiten de ongezonde stadscentra.
Hoewel deze wetgeving vlak na de wereldoorlogen ontstond uit de noodzaak om de woningnood aan te pakken en sociale stabiliteit te bevorderen, legde dit ook de basis voor de versnippering van het landschap door bebouwing te stimuleren in gebieden waar voorheen natuur en landbouw domineerden.


In de jaren 60 en 70 trachtte minister van Openbare Werken Jos De Saeger de groei te reguleren via de opmaak van 48 gewestplannen om de wildgroei te kanaliseren.
In de praktijk zorgden de druk van lokale besturen en onrealistische bevolkingsprognoses voor een ruime toewijzing van woonzones, waardoor er tot op vandaag nog steeds veel foute bouwgrond ligt op plekken die natuurlijke open ruimte en beekvalleien verstoren.
Na de regionalisering in 1981 werd dit beleid onder minister Paul Akkermans verdergezet door de laksheid in het systeem te institutionaliseren.
Met het Minidecreet van 1984 werd een beleid van grotere flexibiliteit gevoerd, onder meer via de introductie van de opvulregel.


Deze regel stond toe dat onbebouwde percelen tussen woningen in niet-woonzones, zoals landbouwgebied, werden bebouwd mits de afstand tussen de panden minder dan 70 meter bedroeg.
Wat bedoeld was als een tijdelijke overgangsmaatregel werd de motor achter de kilometerslange lintbebouwing, die het landschap definitief versnipperde en de verhardingsgraad in Vlaanderen tot de hoogste van Europa verhoogde.
Terwijl wetenschappelijke instanties al vanaf de jaren 70 wezen op de negatieve effecten van deze verharding op de waterhuishouding, bleef de politieke voorkeur aan de keukentafel uitgaan naar individuele bouwrechten en lokale autonomie.


De impact van deze keuzes wordt duidelijk bij een vergelijking met Nederland, dat een vergelijkbare bevolkingsdichtheid en geografische uitgangspositie heeft, maar koos voor een beleid van gebundelde deconcentratie en strikte centrale regie.
In Nederland werd de grens tussen bebouwing en open ruimte scherper bewaakt en is het Natuurnetwerk wettelijk verankerd als essentiële infrastructuur, vergelijkbaar met wegen of dijken.
In Vlaanderen is natuur vaker de restruimte die toevallig overbleef binnen de verspreide bebouwing, wat het herstel van grote ecosystemen complexer en kostbaarder maakt omdat de basisstructuur van het landschap is vernietigd.


De impact op de landbouw is destructief door de verregaande verweving van functies in agrarisch gebied, die leidde tot de vertuining en verpaarding van landbouwgrond waarbij naar schatting 22% van het areaal in zonevreemd gebruik is.
Deze verpaarding wordt vaak geassocieerd met een achteruitgang van de omgevingskwaliteit door een wildgroei aan opzichtige afsluitingen en kleine, overbegraasde weides die weinig biodiversiteit kennen, terwijl hobbyweides in de provincie Antwerpen 3,6% van de agrarische ruimte beslaan.
Dit beïnvloedde de grondprijzen voor professionele landbouwers tot een historisch niveau, waarbij in de eerste helft van 2024 een hectare landbouwgrond in Vlaanderen gemiddeld bijna €68.934 kostte, wat een stijging betekent van bijna 92% sinds 2013.


In de provincie Antwerpen steeg de koopprijs naar gemiddeld ruim €75.631, terwijl de jaarlijkse pachtprijs gemiddeld slechts rond de €446 per hectare ligt, wat het voor boeren onmogelijk maakt om aankoopinvesteringen terug te verdienen.
Deze hoge prijzen worden gedreven door schaarste en concurrentie met niet-landbouwers, die grond gebruiken als belegging of als uitbreiding van een residentiële tuin, terwijl boeren gevangen zitten in een financiële lock-in.
Professionele landbouwers bevinden zich hierdoor in een situatie waarbij hun bedrijfsvoering vaker botst met de nabijheid van woningen door strengere normen voor geluid, geur en stofemissie.
Het uitvoeren van normale agrarische taken zoals bemesten, oogsten tijdens de nacht of het bouwen van een nieuwe stal botst vaker op bezwaren van omwonenden die een residentiële rust verwachten.


De versnippering verhoogt dit probleem voor de boeren aanzienlijk, omdat door de verweving van functies bijna elk landbouwperceel wel grenst aan een woonhuis of een beschermd natuurgebied.
De bedrijfsvoering botst immers ook op de directe nabijheid van natuurgebieden, aangezien de Europese en Vlaamse regelgeving strenge beperkingen oplegt aan de uitstoot van ammoniak en stikstof in de buurt van kwetsbare habitats.
In een versnipperd landschap is de kans dat een stal in de buurt van een dergelijk gebied ligt veel groter dan in een geordend landschap, waardoor landbouwactiviteiten voortdurend onderworpen worden aan complexe vergunningsvoorwaarden of reductieplannen.
Daarnaast ondervinden zij de effecten van een versnipperd landschap dat minder goed water kan bufferen door de verregaande verharding en het dichtbouwen van natuurlijke overstromingszones, waardoor regenwater niet meer traag in de bodem kan sijpelen.
Het water wordt via riolen en rechte grachten versneld afgevoerd, wat stroomafwaarts tot plotse wateroverlast op akkers leidt, terwijl de grondwaterspiegel in droge periodes sneller daalt aangezien er minder natuurlijke sponswerking aanwezig is.


De landbouwer wordt zo geconfronteerd met een dubbele kwetsbaarheid, waarbij hij enerzijds directe financiële schade lijdt door opbrengstderving tijdens droge omstandigheden omdat de grondwatertafel door de verharding sneller daalt.
Anderzijds worden zijn mogelijkheden om hierop te reageren ingeperkt door de ruimtelijke verweving met zowel bewoning als beschermde natuur, wat leidt tot beperkingen op watercaptatie om de drinkwatervoorziening en kwetsbare habitats te beschermen.
Door de dichte nabijheid van woningen en natuurreservaten stuiten investeringen in klimaatbestendige infrastructuur, zoals waterbuffers of nieuwe putten, vaker op complexe vergunningsvoorwaarden of bezwaren van omwonenden.
In de Voorkempen vormen de Laarse Beek, de Kaartse Beek ook bekend als het Schoon Schijn, het Groot Schijn en het Klein Schijn een aaneengesloten hydrologisch systeem dat essentieel is voor deze regio.


Dit systeem functioneert als een geheel omdat de Antitankgracht als drager het verbindend element is dat deze verschillende waterlopen op een kunstmatige wijze transversaal met elkaar koppelt.
Om deze beekvalleien weer natuurlijk te maken is een integrale aanpak nodig waarbij waterbouwkundige en ecologische ingrepen hand in hand gaan, zoals het herstellen van de natuurlijke loop door meandering.
Deze kronkelende vorm vertraagt de waterafvoer, waardoor de vallei als een natuurlijke spons fungeert die water vasthoudt voor droge periodes en piekafvoeren dempt bij hevige regen.
Vernatting is cruciaal door de beekbedding te verondiepen of drainagegrachten te dichten, waardoor het grondwaterpeil stijgt en typische ecosystemen zoals moerasbossen weer een kans krijgen.


De ecologische verbinding moet worden hersteld door fysieke barrières zoals verouderde stuwen op de Wezelse Beek te verwijderen, zodat vissen weer vrij kunnen migreren langs brede natuurlijke buffers met houtkanten en hagen.
Door deze aanpak veranderen deze vier beken weer in een dynamisch landschap dat de biodiversiteit verhoogt en bijdraagt aan de bescherming tegen klimaatverandering.
Voor de Kaartse Beek zijn bijvoorbeeld oeverwallen verlaagd en oude grachtenstelsels hersteld om bij extreme regenval water te kunnen bufferen in de vallei in plaats van in woonwijken.
Bij de Laarse Beek ligt de focus op valleiherstel tussen Brecht en Brasschaat, waarbij natte natuurgebieden zoals het Peerdsbos en de Inslag opnieuw worden verbonden om habitats te creëren voor zeldzame soorten zoals de rivierdonderpad.
Het Groot en Klein Schijn fungeren als de hoofdaders, waarbij gewerkt wordt aan het opheffen van vismigratieknelpunten en het herstellen van de natuurlijke uiterwaarden zoals in het Vrieselhof.


Binnen dit proces speelt de vereniging GroenRand een rol als maatschappelijk pleitbezorger en deskundige partner die streeft naar een aaneengesloten landschapspark in de Voorkempen.
Een specifiek speerpunt van GroenRand is het ottervriendelijk ontsnipperen van de Antitankgracht, die werd aangelegd in de jaren 30 als militaire linie en loodrecht door de oost-westelijke waterlopen snijdt.


Een kritiek punt bevindt zich ter hoogte van de Turnhoutsebaan Oost, waar de huidige duiker van de Antitankgracht permanent onder water staat, waardoor de doorgang voor de otter ongeschikt is zonder aanpassingsmogelijkheden.
In het kader van het Soortenbeschermingsprogramma voor de otter werd in 2021 door Natuurpunt Brasschaat een projectfiche opgesteld voor een droge kleine faunatunnel naast de duiker, inclusief geleidingsraster en aangepaste verlichting.
Daarnaast kan over de weg een overspanning komen in de vorm van een boombrug, zodat klimmende soorten zoals de boommarter en de eekhoorn veilig kunnen oversteken.
Om verkeersslachtoffers bij laagvliegende vleermuizen te voorkomen worden hop-overs geadviseerd met hoog opgaande vegetatie aan beide zijden van de weg, zonder kunstmatige verlichting in de boomkruinen.


Er zijn concrete plannen om gedempte delen van de Antitankgracht weer open te leggen in zowel Schilde als Sint-Job-in-het-Goor om barrières weg te nemen.
In Schilde focust het Masterplan Schildestrand op de zone rond het Schildestrand, waar de gracht momenteel onderbroken is door bebouwing en wegen om de historische waarde te herstellen.
In Sint-Job-in-het-Goor in Brecht richt het Projectplan Antitankgracht 2026-2031 zich op het segment tussen het kanaal Dessel-Schoten en de Zandstraat dat over enkele honderden meters gedempt is.
Het herstel van deze gedempte delen is cruciaal om de ecologische verbinding te vervolledigen, waarbij de otter fungeert als paraplusoort voor de algemene biodiversiteit.


Voor de realisatie van deze ontsnipperingsprojecten wordt gekeken naar het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering oftewel VAPEO, dat zich richt op ingrepen ter hoogte van transportinfrastructuur.
Hoewel de plannen voor prioritaire knelpunten langs gewestwegen, zoals de Brechtsebaan in Schoten nabij de E10-plas en de Turnhoutsebaan Oost in Schilde, al in kaart zijn gebracht, is er een financieringskloof omdat er geen budget voor is voorzien.



GroenRand schat dat er circa €11,45 miljoen nodig is om de cruciale knelpunten in de regio grondig aan te pakken, maar de feitelijke budgetten dekken deze kosten vooralsnog niet volledig.
Het Projectplan 2026-2031 onder leiding van het Regionaal Landschap de Voorkempen stelt de ambities scherp, maar de uitvoering blijft afhankelijk van budgettaire toezeggingen vanuit het Vlaams Gewest.
Omdat de Vlaamse Milieumaatschappij de eigenaar en beheerder van de gracht is, ligt de financiële verantwoordelijkheid voor de infrastructuur en het onderhoud bij de Vlaamse overheid.
Onder de vorige minister Zuhal Demir was voor het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) een budget van circa €50 miljoen beschikbaar vanuit de visie dat natuurherstel een niet-onderhandelbare juridische plicht is.
Dit beleid vloeide voort uit de Europese Habitatrichtlijn en de Natuurherstelwet, die lidstaten verplichten om beschermde soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen.
In het versnipperde Vlaamse landschap is het fysiek verbinden van natuurgebieden via ecoducten en tunnels daarbij een noodzakelijke voorwaarde om aan deze wettelijke resultaatverbintenis te voldoen en toekomstige juridische blokkades bij vergunningverlening te vermijden.
Onder de huidige minister, Jo Brouns, is deze financiële koers gewijzigd en wordt er objectief minder geïnvesteerd in natuurherstel.


In de huidige meerjarenbegroting tot 2031 zijn er geen nieuwe middelen vastgelegd voor de opstart van grote ontsnipperingsprojecten, waarbij het jaarlijkse budget voor lopende zaken en studies is teruggebracht naar circa €1 miljoen.
Deze daling is het gevolg van een budgettaire krimp binnen het beleidsdomein Omgeving, mede door het wegvallen van de eenmalige Europese herstelgelden die in de vorige legislatuur beschikbaar waren.
Binnen de nu beperktere financiële middelen geeft de minister prioriteit aan de stikstofaanpak en de Blue Deal.
Hoewel voor de Blue Deal in de periode tot 2029 een bedrag van €430 miljoen is begroot, ligt dit totaalbedrag lager dan de investeringen uit de vorige regeerperiode.
Er is sprake van een beleidsmatige keuze waarbij de resterende middelen worden geconcentreerd op waterveiligheid en stikstof, waardoor de financiering voor ecologische ontsnippering nagenoeg volledig is weggevallen en de totale middelen voor natuurherstel zijn afgenomen.


In de huidige begrotingstabellen van het kabinet Omgeving zijn geen geoormerkte middelen uit de Blue Deal terug te vinden voor deze specifieke locaties rond de Antitankgracht, ondanks de aankondiging van €51 miljoen voor algemene waterweerbaarheid.
Bovendien loopt de Europese ondersteuning via het project Otter over de grens in maart 2027 af, zonder dat er momenteel in vervolgmiddelen is voorzien.
De budgettaire situatie is ook voor het basisbeheer nijpend, aangezien voor toekomstige slibruimingen geen specifiek budget gereserveerd is binnen de investeringsprogramma's van de VMM, wat de waterkwaliteit bedreigt.
Landbouwers kunnen via vrijwillige beheerovereenkomsten met de Vlaamse Landmaatschappij een actieve rol opnemen in dit herstel, door bijvoorbeeld randen langs waterlopen niet te bemesten of houtkanten aan te planten.


Deze overeenkomsten variëren in vergoeding, zoals ruim €700 per hectare voor het beheer van perceelsranden of specifieke vergoedingen voor het onderhoud van houtige kleine landschapselementen.
De juridische druk op het beleid neemt toe door de deadline van 1 september 2026 voor het indienen van het Belgische natuurherstelplan bij de Europese Commissie.
Het missen van deze deadline of een ontoereikend plan kan leiden tot juridische procedures, waarbij vergunningen voor woningbouw, infrastructuur en industrie onder druk komen te staan vergelijkbaar met de stikstofcrisis.


Landbouwers bevinden zich in de positie van gebruikers van een historisch gegroeid systeem en ondervinden als eersten schade door een inrichting die klimatologisch niet langer houdbaar is. 
De analyse stelt vast dat de huidige situatie mede het resultaat is van politieke keuzes waarbij korte termijn belangen al bijna een eeuw lang boven lange termijn planning zijn gesteld.
Een structurele oplossing vraagt om een verschuiving waarbij natuurherstel wordt erkend als kritieke infrastructuur met een nieuw sociaal contract waarbij de landbouwer eerlijk wordt vergoed.

maandag 13 april 2026

De Pen van Glenn: Het geheim achter Glenn Solastalgie en de redding van de Voorkempen

De pen van Glenn: het geheim achter Glenns Solastalgie en de redding van de Voorkempen

In de luwte van de digitale wereld, op de website van GroenRand, klinkt in de rubriek ‘De pen van...’ al een tijdje een stem die recht uit onze eigen bodem lijkt te komen.
Het is een schrijver die de taal van de wind in de populieren verstaat, die de hartslag van de bedreigde heide voelt en de verstilde kracht van het water in de Antitankgracht feilloos naar woorden vertaalt.
Lange tijd bleef de identiteit achter deze verhalen gehuld in een waas van mysterie, als een dichte ochtendnevel die over de historische watergang hangt.
Wie is toch die chroniqueur die onze verbondenheid met de natuur zo treffend weet te vangen?
Wie voelt die pijn van het veranderende landschap zo scherp dat het de ziel raakt?
Vandaag lichten we de sluier op en onthullen we de naam van de schrijver die spreekt vanuit het hart van de natuur: Glenn Solastalgie.

Milieufilosoof Glenn Albrecht
De naam Glenn draagt een diepe, gelaagde verbinding met onze fysieke leefomgeving in zich, waarbij de letterlijke betekenis en de moderne filosofie elkaar op een unieke wijze ontmoeten.
Van oorsprong is de naam afgeleid van het Keltische en Gaelische woord gleann, wat letterlijk ‘vallei’ of ‘dal’ betekent.
Deze etymologische wortel koppelt de naam direct aan de rust en beschutting van een specifiek natuurlandschap, waardoor de drager ervan symbolisch verbonden is met de aarde.


Vroeger was dit de naam voor de mens die in de beschutting van de heuvels woonde, daar waar de vruchtbaarheid van de grond en de stilte van de diepte samenkomen.
Wie de naam Glenn draagt, draagt de topografie van de aarde in zijn wezen, want het is de stem van iemand die één is met de bodem en de plek bewaakt waar land en water elkaar ontmoeten.
Deze eeuwenoude link met het landschap kreeg in de eenentwintigste eeuw een nieuwe, prangende dimensie door het werk van de Australische milieufilosoof Glenn Albrecht.
Als gepensioneerd hoogleraar duurzaamheid, milieudenker en boerenfilosoof, creëert hij nieuwe woorden om onze veranderende relatie met de aarde te beschrijven.
Albrecht introduceerde in 2003 het concept ‘solastalgie’, een samentrekking van het Latijnse solacium (troost) en het Griekse algos (pijn).


Het beschrijft de diepe emotionele pijn en existentiële angst die mensen ervaren, wanneer hun vertrouwde thuisomgeving door menselijk ingrijpen of klimaatverandering onherkenbaar wordt aangetast.
Nostalgie is als een verre herinnering, want je bent op de ene plek en verlangt naar een andere plek of tijd.
Solastalgie is echter heimwee zonder te reizen, aangezien je gewoon thuis bent, maar je eigen omgeving niet meer herkent omdat het landschap waar je van houdt zo heftig is veranderd.


Het is het verdriet dat je voelt wanneer de troost en identiteit die de natuur je vroeger gaf, langzaam wegvallen omdat het landschap voor andere plannen wordt opgeofferd.
De pen van Glenn van GroenRand is daar het symbool van, want het is een instrument voor filosofisch verzet dat de brug slaat tussen de fysieke schoonheid van de vallei (
gleann) en de actuele noodzaak om onze emotionele band met de planeet te herstellen.


Deze pen fungeert als een instrument voor filosofisch verzet en landschappelijk herstel, passend binnen de bredere visie van Albrecht op de zogenaamde psychoterratische emoties die de relatie tussen de staat van de aarde en onze mentale gezondheid definiëren.
Waar eco-angst vooral gaat over angst voor de toekomst, is solastalgie de pijn die we nú voelen over het huidige verlies van identiteit en troost in de eigen omgeving.
Albrecht ziet dit als een nieuwe vorm van kolonialisme, waarbij ecosystemen worden opgeofferd voor andere doeleinden.
Als antwoord hierop pleit hij voor de overgang van het destructieve Antropoceen naar het Symbioceen, een toekomstig tijdperk waarin de mens weer in een symbiotische balans met alle levende organismen leeft en waarbij taal dient als bevrijding uit het antropocentrische denken.


Dit verhaal van Glenn Solastalgie vormt een prachtige synthese van de doelstellingen die GroenRand inmiddels al tien jaar lang met hart en ziel uitdraagt.
Op 22 april 2016, de internationale Dag van de Aarde, werd in de Kolonie in Brecht de basis gelegd voor dit ambitieuze natuurverhaal in de Voorkempen.
Terwijl wereldleiders in New York het Klimaatakkoord van Parijs ondertekenden, kwamen lokale natuurliefhebbers samen om GroenRand op te richten met een visionair plan.
Dit plan was even helder als gedurfd: de Antitankgracht transformeren tot de centrale drager van een robuust netwerk van natuurverbindingen, waarbij beekvalleien, heide en bossen weer één onlosmakelijk geheel vormen.
Vandaag, op 22 april 2026, viert de wereld opnieuw de Dag van de Aarde, en GroenRand grijpt dit tienjarig jubileum aan om het thema 'Our Power, Our Planet' extra kracht bij te zetten.
Dit thema is de perfecte weerspiegeling van hun missie, want in het afgelopen decennium heeft de vereniging bewezen dat positieve verandering begint bij lokale actie en de collectieve kracht van burgers, overheden en middenveld.


Glenn fungeert hierbij als de scherpe, intellectuele stem die deze missie vertaalt naar de praktijk, door zich te richten op het herstel van het landschap via een gebiedsgerichte aanpak.
De visie van GroenRand draait om het creëren van een robuust natuurapparaat in de Voorkempen, waarbij de Antitankgracht fungeert als de centrale ruggengraat.
Deze 33 kilometer lange historische gracht vormt een unieke noord-zuidverbinding die verschillende natuurkernen aan elkaar rijgt.
De essentie van het project ligt echter in de kruising met de valleisystemen, de zogenaamde 'glenns' zoals de Laarse Beek, de Kaartse Beek en het Groot en Klein Schijn.
Op de plaatsen waar deze beekvalleien de Antitankgracht kruisen, ontstaan cruciale ecologische knooppunten.
Deze kruispunten fungeren als poorten voor biodiversiteit en maken het voor planten en dieren mogelijk om zich niet alleen langs de gracht te verplaatsen, maar ook diep het omliggende landschap in te trekken.


Door deze valleien uit te bouwen tot vitale corridors, herstelt GroenRand de natuurlijke samenhang in een versnipperd gebied.
In zijn schrijven houdt Glenn een vurig pleidooi voor de terugkeer van de ‘grote drie’ van de lokale fauna: de otter, de bever en de boommarter.
GroenRand ziet de otter als het ultieme symbool voor ecologisch herstel, want als kritische 'paraplusoort' stelt hij extreem hoge eisen aan kristalhelder water en veilige oevers.
Binnen hun campagnes en projecten zoals Greenconnect dient de otter als charismatische ambassadeur die de noodzaak van een robuust blauw-groen netwerk tastbaar maakt.
GroenRand gebruikt de status van de otter als politiek breekijzer om maatregelen zoals faunatrappen en ecotunnels af te dwingen, terwijl Olga de Otter de jeugd leert over de basis van al het leven.
De bever wordt eveneens als krachtig symbool gebruikt, omdat hij als ecosysteemingenieur bewijst dat natuurherstel een vorm van actieve "natuurlijke techniek" is.
Met zijn dammen biedt de bever nature-based solutions voor klimaatrobuust waterbeheer, door water vast te houden in droge tijden en stroming te vertragen bij hoosbuien.
De bever staat tevens voor zonering en balans, waarbij de natuur de ruimte krijgt in kerngebieden zodat biodiversiteit en klimaatbestendigheid hand in hand gaan.
De boommarter geldt voor de vereniging als de ultieme graadmeter voor gezonde bossen, want waar de boommarter gedijt, zijn de bossen in evenwicht.
Cruciaal voor zijn voortbestaan zijn oude, holle bomen die pas ontstaan in bossen die de kans krijgen om te verouderen, wat succesvol bosbeheer met aandacht voor dood hout bewijst.


De Antitankgracht fungeert voor hem als 'groene loper' om versnipperde boskernen weer met elkaar te verbinden.
Glenn wijst onvermoeibaar op het belang van ecoducten en ecotunnels, zodat soorten zich veilig kunnen verplaatsen tussen de Kalmthoutse Heide en Natura 2000-gebieden zoals het Klein en Groot Schietveld, de Maatjes en de Wuustwezelheide.
Ook de habitatrichtlijnzone ‘Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen’, met kernen als het Vrieselhof, de bossen van Malle en het Zoerselbos, vormt een essentieel deel van dit grensoverschrijdend natuurpark.


Door biomimicry, het herstel van kleine landschapselementen zoals hagen, poelen en knotbomen, en de circulaire economie op het platteland, krijgt de streek haar ziel terug.
Dit proces van landschappelijk herstel is tevens een proces van sociaal herstel, waarbij de burger weer een actieve architect wordt van de eigen symbiotische toekomst.
De pen van Glenn schrijft zo aan een toekomst waarin de pijn van solastalgie wordt omgezet in soliphilia, de diepe liefde voor en zorg om een plek.
Elk project is een daad van verzet en een belofte voor de wederopbouw van de wereld, waardoor het landschap weer de geborgenheid biedt die essentieel is voor het menselijk welzijn.
Hoewel zijn volledige identiteit geheim blijft, blijft Glenn de motor achter een beweging die het landschap weer haar stem, haar identiteit en haar verloren ziel teruggeeft.

Natuurfoto's: Ingrid Boumans