GroenRand slaat alarm over de verborgen crisis in onze bosbodem
Wie tegenwoordig door een bos in de Voorkempen wandelt, ziet op het eerste gezicht veel mooi groen.
Toch heerst er onder de grond een stille en onzichtbare crisis waar de natuurvereniging GroenRand grote zorgen over heeft.
De bosbodem is namelijk ernstig verzuurd door decennia van intensieve landbouw, industrie en druk verkeer.
Om te begrijpen wat er precies misgaat, moeten we ver terug in de tijd gaan naar de laatste ijstijd.
Toen heeft de wind in grote delen van Vlaanderen, en dus ook in het projectgebied van GroenRand, dikke pakketten zand achtergelaten.
Deze zandgronden werden oorspronkelijk heel intensief ontgonnen volgens het historische slash-and-burn systeem.
Vanaf de middeleeuwen beheerde men deze gronden met de traditionele en verschralende plaggenbeheermethode.
Door het systematisch verwijderen van strooisel en plaggen, eerst uit bossen en daarna uit de heide, raakte de bodem uitgeput.
Toch heerst er onder de grond een stille en onzichtbare crisis waar de natuurvereniging GroenRand grote zorgen over heeft.
De bosbodem is namelijk ernstig verzuurd door decennia van intensieve landbouw, industrie en druk verkeer.
Om te begrijpen wat er precies misgaat, moeten we ver terug in de tijd gaan naar de laatste ijstijd.
Toen heeft de wind in grote delen van Vlaanderen, en dus ook in het projectgebied van GroenRand, dikke pakketten zand achtergelaten.
Deze zandgronden werden oorspronkelijk heel intensief ontgonnen volgens het historische slash-and-burn systeem.
Vanaf de middeleeuwen beheerde men deze gronden met de traditionele en verschralende plaggenbeheermethode.
Door het systematisch verwijderen van strooisel en plaggen, eerst uit bossen en daarna uit de heide, raakte de bodem uitgeput.
De organische koolstof, fosfor en essentiële basische kationen zoals calcium, magnesium en kalium namen in dit zandlandschap sterk af.
Na omstreeks 1900 werden deze schrale heidelandschappen herbebost met voornamelijk grove en Corsicaanse dennen.
Tot de jaren 1980 werden deze bossen intensief beheerd via ingrijpende kaalslagsystemen.
Later werden op deze locaties ook opnieuw loofbomen zoals eiken aangeplant door bosbeheerders.
Deze bebossing slaagde er gelukkig in om het gehalte organische stof in de toplaag weer op peil te brengen.
Hierdoor kon ook de lokale waterhuishouding van deze droge zandgronden zich langzaam herstellen.
Maar deze grootschalige bebossing slaagde er helaas niet in om de verarmde bodem te ontzuren.
Integendeel, dennen en eiken produceren traag afbreekbaar strooisel dat bij de afbraak juist organische zuren produceert.
Daardoor ontstond een dikke, zure strooisellaag waarin de weinige bruikbare voedingsstoffen als het ware gevangen zitten.
Boven op die oude, historische schade komt vandaag de dag nog steeds een hoop nieuwe zure neerslag terecht.
Denk hierbij aan antropogene depositie van stikstofoxiden, ammoniak en zwaveloxiden.
Recent onderzoek in Nederland laat zien dat deze verzuring nog altijd in volle gang doorgaat.
Dit gebeurt opmerkelijk genoeg ondanks de algemene afname in zwavel- en stikstofdepositie sinds de jaren 90.
Het hardnekkige gevolg is een voortdurende koolstof- en stikstofaccumulatie in die dikke strooisellaag.
Vooral in zandgronden zorgt deze zure opstapeling voor enorme problemen.
Zandkorrels hebben namelijk een veel kleinere kationuitwisselingscapaciteit dan zwaardere gronden zoals klei of leem.
Hierdoor worden er minder basische kationen zoals calcium, magnesium en kalium gebonden aan zanddeeltjes.
Daardoor bezitten deze specifieke zandbodems een lagere natuurlijke capaciteit om verzurende inputs te neutraliseren.
Door al dat zuur spoelen de weinige goede stoffen met het regenwater diep weg naar het grondwater.
De wortels van de bomen kunnen er dan met geen mogelijkheid meer bij, waardoor de boom langzaam verhongert.
Als de natuurlijke buffer van de grond helemaal op is, schiet de zuurgraad omlaag en komt er giftig aluminium vrij.
Dit losse aluminium tast de kleine, kwetsbare haarwortels van de bomen aan, waardoor ze geen water meer kunnen opnemen.
De bomen verliezen hierdoor hun kracht en de bladeren of naalden worden geel door een acuut tekort aan magnesium.
Zieke bomen zijn natuurlijk veel gevoeligere slachtoffers voor extreme droogte, zware stormen en schadelijke insectenplagen.
Ook op de bosgrond zelf gaat het mis, want de mooie en typische bosbloemen die houden van een gezonde grond verdwijnen.
Er komen saaie, monotone tapijten van brandnetels, bramen of stugge grassen voor in de plaats die alles overwoekeren.
Dit zorgt voor een gigantische achteruitgang van de biodiversiteit, iets waar GroenRand zich hard voor maakt om te keren.
Vroeger gooiden beheerders vaak gewone kalk op de bodem om de zuurgraad snel weer omhoog te krijgen.
Hoewel kalk snel werkt, zitten er voor de natuur helaas heel grote en schadelijke nadelen aan die methode.
De snelle stijging van de pH-waarde veroorzaakt een ongewenst neveneffect in de vorm van koolstofverlies.
Door die verandering worden bacteriën in de grond hyperactief en vreten ze de natuurlijke humuslaag veel te snel op.
Hierbij komt in één klap enorm veel CO₂ vrij in de lucht, wat heel slecht is voor het klimaat.
Ook planten en bodemdieren die gewend waren geraakt aan de schrale grond krijgen een enorme klap door die plotselinge verstoring van de kruidlaag.
GroenRand benadrukt daarom dat we moeten kiezen voor slimme, ecologisch verantwoorde alternatieven.
De perfecte oplossing hiervoor is steenmeel, wat niets anders is dan heel fijn gemalen vulkanisch of metamorf gesteente.
Dit meel biedt een duurzaam alternatief en bootst het natuurlijke proces na waarbij mineralen langzaam verweren.
Om te kijken welke eigenschappen van steenmeel de groei van jonge boompjes beïnvloeden, zijn er recent wetenschappelijke veldproeven uitgevoerd.
Er werden hiervoor 960 éénjarige gewone esdoorns aangeplant op twee verschillende testlocaties in de Kempen.
Het eerste proefveld, dat werd aangelegd en onderzocht door wetenschapper Van Der Bauwhede en collega-onderzoekers, was een zanderige kaalslag van een veertigjarig fijnsparrenbestand dat daarvoor als akkerbouw werd gebruikt.
Die bodem had op deze specifieke locatie een zuurgraad van pH-CaCl₂ = 3,5.
Het tweede proefveld was een nog zuurder perceel onder het kronendak van grove den dat daarvoor heide was.
De bodem had op dit tweede bosperceel een extreem lage zuurgraad van pH-CaCl₂ = 3,1.
De behandelingen bestonden uit zes types steenmeel en vier referentiebehandelingen met conventionele meststoffen en dolomiet.
Als referentie werden tripelsuperfosfaat, dolomiet, kaliumchloride en een combinatie daarvan genaamd "Mix" gebruikt.
De producten werden zowel oppervlakkig uitgestrooid als rechtstreeks toegevoegd aan de specifieke plantkuilen van de esdoorns.
Bij het uitstrooien werd gekozen voor 3 ton dolomiet per hectare en 10 ton steenmeel per hectare.
In de plantkuilen werd 0,4 kilo dolomiet per kuil en 1,5 kilo steenmeel per kuil nauwkeurig toegediend.
De groei van de jonge boompjes werd gedurende drie jaar heel nauwkeurig gevolgd door de onderzoekers.
Het uiteindelijke boomvolume werd berekend met behulp van de gemeten hoogtes en diameters van de boompjes.
Tegelijkertijd werd in het laboratorium een versnelde verwering gesimuleerd met bodems uit de veldproef.
De verschillende producten werden acht weken lang in een vloeibare suspensie gehouden om de werking te versnellen.
Door deze slimme combinatie van een veldproef en laboratoriumtest kon de variatie tussen types steenmeel op korte termijn worden bepaald.
De grootste toename van het boomvolume ten opzichte van de controle zonder behandeling werd bereikt met RD2 fonoliet.
Op de open kaalkap nam het volume van de esdoorns toe met een factor twee dankzij dit specifieke meel.
Onder het bladerdak en scherm van de dennenbomen nam het volume zelfs toe met een verbluffende factor acht.
Op de zanderige kaalslag was de toename bij steenmeel zelfs groter dan bij de referentiebehandelingen met dolomiet en minerale bemesting.
Op deze specifieke kaalslag was de pH niet kritisch laag en hielp vooral de superieure waterretentiecapaciteit van het steenmeel.
Het effect was duidelijk het sterkst bij het zeoliethoudende type steenmeel, fonoliet RD2, beter bekend als Vulkamin. Onder de grove dennen zorgden alle behandelingen voor een betere groei dan in de onbehandelde controleplots.
Dit succes bleek het beste gerelateerd aan de zuurbindende waarde en het vrijkomen van basische kationen uit het steenmeel.
Dit kon rechtstreeks worden afgeleid uit de uitgevoerde suspensietest met bodem en steenmeel in het laboratorium.
Het toedienen van een geschikt type steenmeel in een correcte dosis is dus een effectieve maatregel om zure bosbodems te herstellen.
Steenmeel, zowel in de plantkuil als oppervlakkig toegediend, is een revitalisatiemaatregel die bewezen heeft dat hij uitstekend werkt.
Deze maatregel kan de inkomende stikstofdepositie gedurende vijftien tot wel vijftig jaar effectief in de bodem bufferen.
De sleutel tot succes ligt echter altijd in een op maat gemaakte aanpak per bosperceel.
Daarom kunnen op visuele probleemlocaties het beste vooraf gerichte bodemmonsters en bladstalen worden genomen om de beslisvorming te ondersteunen.
Vanaf maart 2026 zal een erkend labo, de Bodemkundige Dienst van België, deze stalen officieel kunnen analyseren voor beheerders.
Zij testen de monsters dan op de bodem-pH, de basenverzadiging en de specifieke concentraties van nutriënten in het blad.
Momenteel wordt er hard gewerkt aan een duidelijke handleiding in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos.
Deze gids legt aan bosbeheerders uit hoe deze monsters correct genomen moeten worden in het veld.
De Bodemkundige Dienst van België zal het advies vervolgens verlenen met behulp van een uitgebreid expertsysteem.
Dit systeem maakt gebruik van computermodellen die zijn getraind op alle beschikbare data van de afgelopen vijf jaar.
Ten eerste wordt een concreet advies gegeven voor steenmeel (ja of nee), het exacte steenmeeltype en de benodigde dosis.
Ten tweede wordt een voorspelling gemaakt van het effect van alle steenmeeltypen op bodem-pH, basenverzadiging, boomvitaliteit en groei.
Belangrijk is dat dit expertsysteem bij het bepalen van een dosis ook de afweging maakt tussen bodemherstel en de diversiteit van de kruidlaag.
Hierdoor wordt ongewenste verruiging met brandnetels en bramen in het bos actief en gericht tegengegaan.
De komende jaren zal aanvullend onderzoek nagaan wat het effect is op de stabiliteit van bodemorganische stof.
Dit specifieke onderzoeksonderdeel wordt nauwkeurig uitgevoerd door wetenschappers van de KU Leuven.
Tegelijkertijd onderzoekt de Universiteit Antwerpen het effect van deze maatregel op de diversiteit van nuttige ectomycorrhizae-schimmels.
GroenRand benadrukt tot slot dat dit soort herstelmaatregelen in het bos prachtig zijn, maar dat het dweilen met de kraan open blijft.
De échte en definitieve oplossing is en blijft het hard aanpakken van de stikstofuitstoot direct bij de bron.
De verzuring van onze bossen is een erfenis uit het verleden waar we vandaag helaas nog elke dag de prijs voor betalen.
Met steenmeel en een slim, ecologisch bosbeheer bouwen we samen met GroenRand aan sterke bossen die klaar zijn voor de toekomst.
GroenRand benadrukt tot slot dat dit soort herstelmaatregelen in het bos prachtig zijn, maar dat het dweilen met de kraan open blijft.
De échte en definitieve oplossing is en blijft het hard aanpakken van de stikstofuitstoot direct bij de bron.
De verzuring van onze bossen is een erfenis uit het verleden waar we vandaag helaas nog elke dag de prijs voor betalen.
Met steenmeel en een slim, ecologisch bosbeheer bouwen we samen met GroenRand aan sterke bossen die klaar zijn voor de toekomst.