donderdag 19 maart 2026

GroenRand wijst op de gevolgen van te veel mest voor de natuur en onze gezondheid

GroenRand benadrukt de impact van een teveel aan mest op zowel de natuur als onze gezondheid


Opinie: de pen van Glenn - © UAntwerpen

Glenn is dé stem van natuurvereniging GroenRand.
Met vlijmscherpe columns en een flinke dosis passie legt hij de pijnpunten in het Vlaamse natuurbeleid bloot.
Sinds 2026 staat GroenRand op scherp: geen dossier passeert de revue zonder dat Glenn het kritisch tegen het licht houdt.
Hij vertaalt taaie politiek naar begrijpelijke verhalen—van de haperende waterkwaliteit tot de kansen voor de otter in de Antitankgracht.
Glenn schrijft niet zomaar.
hij schudt de politiek wakker en vecht voor een groenere Voorkempen.


Vlaanderen bevindt zich momenteel in het hart van een zeer complexe stikstofcrisis die onze volledige samenleving elk jaar miljarden euro's kost.
Terwijl het maatschappelijk debat vaak verzandt in politieke discussies over natuurdoelen en Europese sancties, brengt dr. Ruben Vingerhoets in zijn doctoraatsonderzoek aan de Ugent en Uantwerpen een onthutsende waarheid aan het licht.


De werkelijke kosten van ons mestbeheer zijn gigantisch en we betalen die rekening niet alleen met onze natuur, maar vooral direct met onze eigen volksgezondheid.
Uit zijn uitgebreide berekeningen blijkt dat de maatschappelijke kosten gelinkt aan mest, waaronder de uitstoot van broeikasgassen, stikstofdepositie, watervervuiling en gezondheidseffecten, oplopen tot maar liefst 2.050 miljoen euro per jaar.
Wat daarbij het meest opvalt in het onderzoek, is dat de gezondheidskosten voor de mens bijna dubbel zo hoog liggen als de kosten voor de schade aan de natuur door depositie.


Deze enorme gezondheidsimpact is direct gelinkt aan de vorming van secundair anorganisch fijnstof in onze atmosfeer.
Ammoniak die vrijkomt uit dierlijke mest reageert in de lucht met stikstofoxiden die afkomstig zijn uit onder meer de industrie en het drukke verkeer.
Deze minuscule deeltjes dringen diep door in de longen en de bloedbaan van de omwonenden.
Volgens de officiële cijfers van het Rivm en de Who leidt langdurige blootstelling hieraan tot een sterke afname van de longfunctie en chronische astma.
Bovendien worden deze stoffen gelinkt aan hart- en vaatziekten, verschillende vormen van kanker en zelfs vroegtijdige sterfte onder de bevolking.
Vooral in dichtbevolkte regio’s zoals de Antwerpse Noordrand is dit een kritisch brandpunt omdat daar veel inwoners, drukke verkeersaders en een sterke landbouw- en industriesector samenkomen.
Terwijl de menselijke gezondheid zwaar lijdt, worden ook de meest waardevolle natuurgebieden in diezelfde regio, zoals de Kalmthoutse Heide en de aangrenzende Schietvelden, fundamenteel aangetast.
Natuurvereniging GroenRand waarschuwt dat deze Natura 2000-gebieden ernstig lijden onder eutrofiëring of vermesting door een overschot aan stikstof uit ammoniak.
In de dagelijkse praktijk leidt dit proces tot de massale vergrassing van het landschap door het dominante pijpenstrootje.


Dit gras profiteert extreem van de stikstofrijkdom en overwoekert de karakteristieke paarse struikheide en dopheide waar de regio om bekend staat.
Hierdoor verdwijnt niet alleen een iconisch landschap, maar stort ook het bijbehorende ecosysteem volledig in.
Zeldzame insecten, vlinders en vogels verliezen hun noodzakelijke habitat en kunnen niet langer overleven in dit eentonige graslandschap.
Bovendien zorgt de voortdurende stikstofneerslag voor een gevaarlijke bodemverzuring waarbij essentiële mineralen zoals calcium en magnesium simpelweg oplossen.
Tegelijkertijd komen er giftige metalen vrij in de bodem die de natuurlijke veerkracht van de heide en de aanwezige fauna verder ondermijnen.
De schade beperkt zich echter niet alleen tot de biologie en de luchtkwaliteit; de mens betaalt ook een prijs via het water dat we gebruiken.


De uitspoeling van overtollige meststoffen zorgt voor gevaarlijk hoge nitraatconcentraties in het grondwater.
Dit dwingt onze drinkwaterbedrijven tot extreem dure zuiveringsprocessen om de blauwebabyziekte te voorkomen.
Dit is een gevaarlijke aandoening waarbij het noodzakelijke zuurstoftransport in het bloed van pasgeboren zuigelingen volledig wordt geblokkeerd.
In het oppervlaktewater leidt de hoge mestdruk bovendien tot de bloei van giftige blauwalgen.
Deze algen kunnen ernstige huidirritatie en leverproblemen veroorzaken bij recreanten en dieren die met het water in contact komen.


In dit uiterst complexe spanningsveld speelt natuurvereniging GroenRand een cruciale en bemiddelende rol voor de regio.
Hun projectgebied omvat zowel de Heide als de Schietvelden en zij pleiten vurig voor een robuust natuurnetwerk door deze gebieden fysiek met elkaar te verbinden.
Voor GroenRand is de strijd tegen stikstof essentieel om de gunstige staat van instandhouding van deze Europese topnatuur eindelijk te bereiken.
Hoewel zij in de meest kwetsbare kernzones streng vasthouden aan nulbemesting om de schraalheid van de bodem te herstellen, stelt GroenRand zich constructief op naar de landbouwsector.
GroenRand erkent dat enkel verbieden niet volstaat en kijkt daarom hoopvol naar technologische en circulaire alternatieven zoals de Renure-wetgeving.
Door hoogwaardige stikstof uit dierlijke mest terug te winnen, kan de afhankelijkheid van kunstmest immers stap voor stap worden afgebouwd.


De productie van Renure kan bovendien de economische kosten van mestverwerking verlagen waardoor overschotten en schadelijke emissies afnemen.
Vandaag de dag is de nutriëntenkringloop in Vlaanderen slechts deels circulair aangezien slechts 55 procent van de reststromen wordt hergebruikt.
Nochtans zou een verdere recycling van deze stoffen het potentieel hebben om de helft van de stikstof uit fossiele kunstmeststoffen volledig te vervangen.
De nieuwe Renure-wetgeving, officieel goedgekeurd door de Eu in september 2025, moet deze circulariteit nu versneld gaan opkrikken.


Renure staat voor Recovered Nitrogen from manure en is een meststof met de specifieke eigenschappen van kunstmest.
Voor de officiële mestboekhouding bij de Vlaamse Landmaatschappij is dit een grote doorbraak voor de sector.
Renure valt namelijk buiten de strikte limiet van 170 kg stikstof uit dierlijke mest die landbouwers per hectare mogen uitrijden.
Om aan de zogenaamde Safemanure-criteria te voldoen, moet minimaal 90 procent van de stikstof in minerale vorm aanwezig zijn.
In Vlaanderen worden hiervoor twee hoofdtechnieken gebruikt door gespecialiseerde installaties.
De eerste techniek is het stikstofstrippen en scrubben waarbij de dunne mestfractie wordt verhit of met loog behandeld om ammoniakgas vrij te maken.


Dit gas wordt vervolgens in een wasser met zwavelzuur of salpeterzuur omgezet in vloeibaar ammoniumsulfaat of ammoniumnitraat.
De tweede techniek is omgekeerde osmose waarbij de vloeistof onder zeer hoge druk door membranen wordt geperst.
Dit levert een geconcentreerd mineraal op dat rijk is aan stikstof en kalium, naast schoon water.
Een derde methode is de struviet-productie waarbij stikstofrijk fosfaatzout uit de mest neerslaat als een bruikbare korrel.
De voordelen van dit systeem zijn aanzienlijk voor zowel de boer als de natuur.
Het zorgt voor minder afhankelijkheid van kunstmestimport uit landen zoals Rusland en vangt ammoniak op bij de bron.
Dit is gunstig voor de Vlaamse stikstofdoelen binnen het Pas-kader en staat gerichte precisiebemesting per gewas toe.


Toch wijst GroenRand ook heel duidelijk op de nadelen en de risico's van dit technologische verhaal.
De productie van Renure is een chemisch proces dat zeer veel energie vreet en dure installaties vereist.
Bovendien bevat Renure geen organische stof en voedt het dus het bodemleven niet, in tegenstelling tot gewone drijfmest.
Bij exclusief gebruik kan dit leiden tot bodemverschraling en een daling van het koolstofgehalte in onze akkers.
Omdat de stikstof in minerale vorm direct opneembaar is, is het risico op nitraatuitspoeling naar het grondwater ook groter bij een verkeerde timing.
Ook voor de biologische sector is er een belangrijke kanttekening aangezien Renure daar momenteel niet is toegestaan.
In Vlaanderen wordt de uitrol van Renure dan ook streng bewaakt via het e-loket van de Vlaamse Landmaatschappij en het Mestactieplan.


Enkel door de overheid erkende installaties die gevalideerd zijn door Ilvo of het Vcm mogen het product aanbieden.
Het transport van deze stoffen moet bovendien gebeuren met voertuigen die zijn uitgerust met Agr-Gps om fraude te voorkomen.
Vlaamse boeren kunnen voor deze dure milieu-investeringen wel steun krijgen via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds of de Ecologiepremie.
Volgens het model van dr. Vingerhoets kan de introductie van Renure de private economische kosten voor mestbeheer licht doen dalen.
Echter, wanneer men ook de maatschappelijke kosten volledig zou meerekenen in het beleid, wordt de wetgeving pas echt relevant.
Vlaanderen zou in dat scenario de maatschappelijke kosten kunnen terugdringen van 2.050 miljoen naar slechts 990 miljoen euro.
De circulariteit zal dan helpen om zowel de private kosten van de boer als de enorme milieukosten voor de burger te drukken.
Concluderend is het mestprobleem absoluut geen lokaal landbouwconflict, maar een brede maatschappelijke crisis die ons allemaal raakt.
De vergrassing van de Kalmthoutse Heide is het meest zichtbare signaal van een onzichtbare vervuiling die onze gezondheid fundamenteel ondermijnt.


Een transitie naar een model met minder emissies, krachtig ondersteund door bemiddelaars zoals GroenRand en innovaties zoals Renure, is de enige weg.
Zo kunnen we eindelijk zowel de longen van onze kwetsbare natuur als de longen van onszelf op een duurzame manier beschermen.
Dr. Vingerhoets ontving voor dit grensverleggende werk de Award Rudi Verheyen en zal zijn model nu opschalen naar heel Europa.
Hierdoor kunnen andere regio's met een gelijkaardige mestdruk, zoals Catalonië, in de toekomst met hetzelfde kader gaan werken.
Het doel blijft immers een gezonde leefomgeving waarin landbouw, industrie en natuur op een evenwichtige manier kunnen blijven bestaan.

GroenRand over de otter en het natuurherstel: tussen Europese hoop en de Vlaamse realiteit op het terrein

GroenRand over de otter en natuurherstel: tussen Europese hoop en de Vlaamse realiteit in de praktijk


Opinie: de pen van Glenn - foto's INBO en 
Yves Adams (otters)

Bij natuurvereniging GroenRand is Glenn de drijvende kracht die de natuur een ongezouten stem geeft.
Met een pen die met chirurgische precisie de zwakke punten blootlegt, ontleedt hij het Vlaamse natuurbeleid tot op het bot.
Sinds begin 2026 heeft de vereniging officieel een tandje bijgeschakeld en functioneert ze in een verhoogde staat van paraatheid, maar in de kern draait het om een ontembare passie.
Als waakzame behoeder laat Glenn geen enkel dossier meer passeren zonder het vlijmscherp tegen het licht te houden.
Hij laat de fluwelen handschoen steevast in de kast liggen en vervangt gortdroge verslagen door bezielde opiniestukken die de politieke status quo in de Voorkempen flink opschudden.
Met zijn pen als kompas gidst hij de lezer door de complexe wereld van natuurbeleid en biodiversiteit.
Hij schrijft niet zomaar teksten, maar houdt een vurig pleidooi voor onze leefomgeving, waarbij hij met een gezonde dosis verontwaardiging en een tikkeltje humor de vinger op de zere plek legt.
Of het nu gaat over de versnippering van onze bossen of het gebrek aan lef rond de Antitankgracht, Glenn benoemt het en zet de boel op scherp om de politiek op haar verantwoordelijkheden te wijzen.
Zijn kracht ligt in het vertalen van taaie politieke materie naar verhalen die iedereen begrijpt.


Zo vraagt hij zich in zijn columns hardop af of een minister zich als een gladde paling door het debat glipt wanneer de doelen voor schoon water niet worden gehaald.
Voor Glenn is de otter niet zomaar een dier, maar een cruciale ambassadeur: als de omgeving niet goed genoeg is voor deze waterbewoner, vertelt dat alles over de kwetsbare staat van onze eigen leefomgeving.
Hij maakt van de Antitankgracht zo geen stoffig monument, maar een vitale blauwe draad die noodzakelijk is om natuurgebieden te verbinden en uitsterven te voorkomen.
Kortom: Glenn combineert dossierkennis met een warm hart en een vlijmscherpe blik om over ons kostbare groen te waken.

Terugblik op een inspirerende Europese Otter Conferentie


Met maar liefst 270 deelnemers kijken we terug op een bijzonder geslaagde Europese Otterconferentie, georganiseerd door de partners van het Interregproject Otter over de grens, onder leiding van WWF België.

Experts uit binnen- en buitenland belichtten onder andere de verspreiding van de Europese otter en de internationale stand van zaken, hoe samenleven met otters niet in alle landen eenvoudig is, ecotoxicologie en de otter als indicator voor milieugezondheid.


Tijdens breakout sessies werd ingegaan op de aanwezigheid van otters in België, Frankrijk en zelfs stedelijke omgevingen.
Andere breakouts legden de focus op natuureducatie, otterveilige visfuiken en het belang van een goede connectiviteit van habitats.
Eén van de meest spannende topics was het debat over de noodzaak voor herintroductie van de otter, waarbij het vooral over de haalbaarheid in Vlaanderen ging.
Op dit moment is een herintroductie in Vlaanderen echter niet aan te raden, aangezien cruciale voorwaarden zoals waterkwaliteit en ontsnippering van wegen nog lang niet vervuld zijn.
Nederland loopt op het vlak van natuurverbindingen decennia voor op Vlaanderen door een systematische aanpak die al eind jaren '80 begon met het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO).


In Nederland zijn inmiddels vrijwel alle 252 grote knelpunten in het hoofdwegennet opgelost, wat resulteert in ruim 600 grote faunapassages.
Vlaanderen startte pas in 2020 met het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering (VAPEO) en telt momenteel slechts 10 volwaardige ecoducten.
Hoewel Vlaanderen met 5 km weg per km² een van de hoogste wegdichtheden ter wereld kent, blijft de realisatie van nieuwe verbindingen ver achter bij de Nederlandse buren.


Onder minister van Omgeving Jo Brouns is de bezorgdheid over deze achterstand enorm gegroeid binnen de natuursector

Waar de vorige legislatuur nog kon rekenen op circa 50 miljoen euro aan Europese relancemiddelen en subsidies, is de financiering voor ontsnippering nu nagenoeg opgedroogd.
Voor 2025 is er slechts een schamele 1 miljoen euro uitgetrokken voor het VAPEO-programma.
Er zijn bovendien sterke signalen dat er tot 2031 geen substantieel nieuw budget voor ontsnippering meer zal worden voorzien in de begroting.
Natuurorganisatie GroenRand voert hiertegen een zeer actieve lobby en heeft via volksvertegenwoordigers in het parlement kritische vragen gesteld over deze dreigende "ontsnipperingsstop".
De politieke impasse is momenteel groot: minister Brouns weigert de lijst met de 15 meest prioritaire knelpunten formeel te valideren zolang er geen budgettaire dekking is.
Hierdoor staan nieuwe projecten 'on hold' en dreigt het Vlaamse VAPEO-programma stil te vallen nog voordat de grootste barrières voor wild zijn weggenomen.
Maatregelen worden nu noodgedwongen versnipperd over andere plannen zoals de Blue Deal, zonder dat er een eenduidig en gefinancierd klimaatadaptatieplan tegenover staat.
Terwijl Nederland zijn netwerk al nagenoeg heeft voltooid, kijkt de Vlaamse otter nog steeds tegen onoverbrugbare asfaltbarrières aan.
Op vrijdag trokken de deelnemers van de conferentie met een gids door de polders van Kruibeke, een Sigmaplangebied in Nationaal Park Scheldevallei waar al otter is waargenomen.
Ondanks de overvloedige regen bleef het enthousiasme bij de partners van het Interregproject groot.
Samen, over grenzen heen, kunnen we het verschil voor de otter maken, klonk het als een krachtig slotwoord.
Iedereen werd echter meteen met beide voeten op de grond gezet.
De kans dat we effectief een otter gaan zien tijdens zo'n wandeling, is ongeveer 0,1 procent.

Je hebt veel meer kans om bijvoorbeeld een bever te spotten.
De otter is immers een schichtig, solitair nachtdier dat zich bijzonder moeilijk laat zien.
Overdag slaapt hij op plekken waar hij zich kan verbergen en veilig voelt, 's nachts gaat hij jagen op vis.
Toch weten we, dankzij wildcamera's, dat de otter in Vlaanderen aanwezig is, nadat de laatste exemplaren hier eind jaren 80 helemaal verdwenen waren.
Heel lang geleden had je otters in heel België; je vond ze tot de jaren 60 of 70 zowat overal waar er water was, van rivieren tot wetlands.
Maar dan begon het achteruit te gaan door de jacht, de versnippering en verdwijning van leefgebied en door de vervuiling van het water met zware metalen en pcb's.
Otters leken helemaal verdwenen uit Vlaanderen, tot er in 2012 weer eentje werd gespot; sindsdien duikt er af en toe opnieuw een op.
Dat zorgde voor heel wat ophef, niet alleen omdat het dier zo zeldzaam is, maar ook omdat het aantoont dat het natuurlijke leefgebied weer gezond genoeg is.
In Kasterlee is al een otter gespot, in het Molsbroek in Lokeren of in de Durmevallei, en natuurlijk hier in de Kruibeekse Polders.
Langs de Schelde-oever in Kruibeke is dankzij het Sigmaplan overstromingsgebied gecreëerd en is de oorspronkelijke natuur geherwaardeerd.


" Er is hier ongeveer 90 kilogram vis per hectare water te vinden", vertelt Hans De Schryver, projectleider bij het Agentschap Natuur en Bos (ANB) en gids tijdens de wandeling.
"Belangrijk, want een van de belangrijkste factoren voor een terugkeer van het dier is het vinden van voldoende voedsel."

"Die 90 kilogram is ongeveer het minimum om het voor een otter leefbaar te houden qua voedsel; een otter eet immers anderhalve kilogram vis of kreeftachtigen per dag."
Er is dus opnieuw een beetje beterschap en hoop bij otterfans, maar er zijn nog veel te weinig dieren om van een stabiele populatie te kunnen spreken.
Voor een duurzame populatie zijn zeker 250 dieren nodig, terwijl schattingen het over slechts een vijftiental dieren hebben in heel België.


Het echte aantal is heel moeilijk te bepalen; ik hou het liever op 'minder dan 50', aangezien we in Vlaanderen nog geen bewijs van voortplanting hebben.
De dieren hebben ook een uitgebreid territorium nodig dat 1.000 tot 1.500 hectare kan beslaan.
De Vlaamse otters komen wellicht uit Nederland afgezakt, waar herintroductie in de Weerribben-Wieden met succes is uitgevoerd.
DNA-onderzoek toonde aan dat alvast 1 Vlaamse otter gelinkt is aan otters in de Flevopolder.
Wanneer de jongen opgroeien en de moeder hen uiteindelijk wegjaagt, gaan ze zoeken naar eigen gebied; de aanzet is er dus.
De vraag is wat er moet gebeuren om de otter hier opnieuw vaste voet aan de grond te laten vinden.
Naast voedsel gaat het om voldoende ruimte, rust en veilige oversteekplaatsen.
Het dier moet voldoende dekking en schuilplaatsen vinden in de buurt van het water, zoals in rietkragen of in struiken en bosjes.
Otters zijn zogenoemde semi-aquatische dieren: ze leven afwisselend op het land en in het water.
Ze maken ook grote verplaatsingen over land, en daar gaat het nog vaak fout omdat ze kunnen worden aangereden.
Het aanpakken van 'zwarte punten' kan helpen; de overheid kan dus zeker een rol opnemen in natuurbeheer, en al zeker als het gaat over het leefgebied.
Het is ook belangrijk om de leefgebieden die er zijn zoveel mogelijk weer te laten aaneensluiten.


"Eerst komt de bever, dan de otter", legt Céline De Caluwé van WWF uit bij een waterrijk gebied.
"De bever heeft als eco-architect een positieve impact; hij knaagt bomen omver die paaiplaatsen voor vissen vormen."
"Kleine visjes voelen er zich veilig voor roofvissen en daar waar vis terugkomt, kan ook de otter terugkomen."
De kans dat we naar een populatie gaan is er zeker, maar als je rekent op otters uit Nederland, dan zal dat heel traag gebeuren.
Otters worden ook maar 6 tot 8 jaar oud, maar toch, eens er voortplanting is, zou het plots sneller kunnen gaan.

Vlaams Natuurherstelplan onder de loep

De  integrale analyse van de visie en strategie van Minister Jo Brouns

De toekomst van de Vlaamse natuur bevindt zich momenteel op een cruciaal historisch kruispunt waarbij de minister een strategie hanteert die zowel nuanceert als investeert.
Naar aanleiding van de recente habitatrapportering van het INBO stelt de minister dat de resultaten hem niet hebben verrast omdat ze in de lijn van de verwachtingen liggen.
Enerzijds ziet hij in deze cijfers de bevestiging van resultaten van projecten zoals het Sigmaplan en de specifieke inrichting voor de boomkikker.


Anderzijds wijst de minister op de terugkeer van de fint en de otter als een direct gevolg van de verbeterde waterkwaliteit en de herstelde structuur van onze waterlopen.
Ook het ecologisch bosbeheer wordt door Brouns aangehaald als een succesverhaal waarin Vlaanderen een absolute voorloper is binnen Europa.
Dat er zich nog steeds veertig Europese habitats in een ongunstige staat bevinden tempert de tevredenheid, maar de minister past voor doemdenken.
Hij legt uit dat de 'one out, all out'-regel betekent dat één slecht criterium al automatisch leidt tot een negatieve eindbeoordeling voor de hele habitat.
Vier criteria moeten gunstig zijn: oppervlakte, verspreidingsgebied, specifieke structuur en functies, en de toekomstverwachtingen.
Voor veel habitats is er volgens de minister wel vooruitgang geboekt op criteria, maar dit wordt door de rekenmethode niet direct zichtbaar.
Het is belangrijk om meer inzicht te krijgen in de evolutie van die verschillende criteria voor die veertig habitats om de feitelijke vooruitgang te zien.

De vaststellingen van het INBO-rapport zullen integraal worden meegenomen in de opmaak van het Vlaamse natuurherstelplan.
De Natuurherstelverordening vraagt immers om te werken met alle beschikbare wetenschappelijke inzichten voor het nationale plan.
Brouns benadrukt echter dat deze verordening vooral de eerder gemaakte keuzes van het Vlaamse beleid bevestigt en verder versterkt.
Bij de opmaak wordt aandacht besteed aan het herstel van kwaliteit en kwantiteit maar ook aan de broodnodige verbondenheid van habitats.
Sinds de zomer van 2024 is er reeds 7131 hectare onder natuurbeheer gebracht verdeeld over 121 plannen.
Er zijn aanzienlijke subsidies verleend voor de aankoop van gronden met 710 hectare in 2024 en 532 hectare gepland voor 2025.
Projectsubsidies natuur ondersteunen herstelmaatregelen waarbij voor 2024 al 41 dossiers zijn goedgekeurd voor 563 hectare hersteloppervlakte.
Voor het jaar 2025 gaat het momenteel om 23 dossiers voor een totale oppervlakte van 712 hectare aan effectieve maatregelen.
Er is een gezamenlijke Uniedoelstelling om tegen 2030 op Europees niveau 20 procent van de oppervlakte onder herstelmaatregelen te brengen.


Een analyse van het ANB wijst uit dat de Europese oppervlaktedoelstelling van 30 procent herstel hiermee gehaald kan worden door Vlaanderen.
Voor het stikstofbeleid is er in de periode 2025-2030 een provisioneel budget van 747 miljoen euro vastgelegd.
Respectievelijk 118 en 153 miljoen euro worden in 2026 en 2027 uitgetrokken voor dit transitiefonds.
De minister benadrukt dat deze investeringen essentieel zijn voor het wegwerken van de gecumuleerde overmaat aan stikstof.
Tegelijkertijd wordt via de Blue Deal nog eens 100 miljoen euro extra geïnvesteerd voor Sigma en de Leie.
Wat bos betreft werkt de overheid via bosomvorming omdat dit ecologisch gezien sneller resultaat oplevert.
Brouns wil de private boseigenaar mee aan boord nemen door nieuwe stimulerende maatregelen te ontwikkelen.
In het landbouwgebied gelooft de minister meer in een participatieve aanpak via ecoregelingen dan in verbodsbepalingen.

GroenRand uit echter scherpe kritiek en spreekt van een grote teleurstelling over het stopzetten van gerichte ontsnipperingsbudgetten

"Mooie woorden", reageert GroenRand, "maar de politieke impasse over ontsnippering zegt iets heel anders."
"Minister Brouns weigert de lijst met de 15 meest prioritaire knelpunten te valideren bij gebrek aan budget."
"De focus op enkel kerngebieden staat de noodzakelijke verbinding volledig in de weg", aldus de vereniging.
"Zonder robuuste verbindingen zal de natuur simpelweg verstikken op kleine eilanden."


Minister Brouns reageert dat projecten voor wilde bestuivers en groen-blauwe dooradering op het terrein bewijzen dat er wél actie is.
Tegen september 2026 moet het Belgische ontwerpplan voor natuurherstel bij de Europese Commissie liggen inclusief een socio-economische impactanalyse.
Brouns laat onderzoeken of de vergunningsplicht voor vegetatiewijzigingen kan worden afgestemd op nieuwe vrijstellingen.
Een projectwerkgroep zal in 2026 een helder overzicht van alle relevante bepalingen voor hydrologisch herstel uitwerken.
De code van goede natuurpraktijk wordt vereenvoudigd om te vermijden dat vergunningverlening een rem vormt op de Blue Deal.
Tegen illegale vernietiging van houtachtige gewassen wordt gewerkt aan een strategie met verschilkaarten.
Begin 2027 zouden gebiedscoalities aan de slag moeten zijn waarbij waterzekerheidsdoelen als leidraad dienen.
Uiteindelijk zal de balans tussen de budgetten van de minister en de kritiek op de versnippering bepalen of de natuur echt herstelt.
Met deze integrale aanpak hoopt Brouns de Europese deadlines te halen en een werkbaar kader te bieden voor natuur en landbouw.
GroenRand besluit echter strijdvaardig: "Een kader is niet werkbaar als het onze meest iconische soorten de weg verspert."

Frank Vermeiren op pad voor een ontmoeting met de fitis: de kleine wereldreiziger van de Voorkempen

Frank Vermeiren op pad voor een ontmoeting met de fitis, de kleine wereldreiziger uit de Voorkempen


Als natuurfotograaf bij GroenRand brengt Frank Vermeiren de lokale biodiversiteit dagelijks in beeld met zijn vogelreportages van A tot Z.
We zijn vandaag aanbeland bij de letter F van de fitis, een vederlichte vogel die de bossen van de Voorkempen verkiest boven de uitgestrekte Afrikaanse savanne.
De fitis (Phylloscopus trochilus) is een kleine, beweeglijke zangvogel die in de regio van de Voorkempen als een algemene maar zeer bijzondere zomergast wordt beschouwd.
Hij behoort tot een groep kleine bruingroene zangvogels die in uiterlijk zo sterk op elkaar lijken dat ze voor de ongeoefende waarnemer nauwelijks te onderscheiden zijn.


Binnen deze groep is de fitis visueel nauwelijks te onderscheiden van de tjiftjaf (zie foto hierboven), zijn naaste verwant die vaak in precies dezelfde leefgebieden voorkomt.
Toch is de zang van de fitis onmiskenbaar en vormt deze een zacht, melancholiek fluitend en helder aflopend riedeltje van zoete klanken.
Dit helder dalende lied is een van de meest herkenbare en weemoedige geluiden in de natuur van regio's zoals Zoersel, Schilde, Malle en Kapellen.


Naast de zang is de meest gebruikte roep van de fitis lager, langgerekter en meer tweelettergrepig dan die van de tjiftjaf.
Vogelaars merken vaak op dat deze specifieke roep sterke gelijkenissen vertoont met de roep van de gekraagde roodstaart, wat voor verwarring kan zorgen bij auditieve inventarisaties.
Frank benadrukt dat het geduld van de fotograaf hier op de proef wordt gesteld, omdat de vogel zich vaak diep in het gebladerte verschuilt terwijl hij zingt.
Rond de datum van 19 maart bevindt de fitis zich in een cruciale overgangsfase van zijn indrukwekkende jaarlijkse cyclus.
Terwijl zijn dubbelganger, de tjiftjaf, nu al volop in de Voorkempen arriveert en overal te horen is, bevindt de fitis zich rond deze tijd nog in de laatste etappes van zijn reis vanuit Centraal- en Zuid-Afrika.
Het merendeel van de populatie bevindt zich op dit moment nog boven de Middellandse Zee of in Zuid-Europa om op krachten te komen voor de laatste ruk naar het noorden.
In tegenstelling tot de tjiftjaf, die vaak in het Middellandse Zeegebied overwintert, komt de fitis van veel verder, namelijk van ten zuiden van de Sahara.
Deze kleine vogel overbrugt duizenden kilometers aan vijandige woestijn en open water om zijn vertrouwde broedplaats in de Kempen te bereiken.
Hij vliegt vooral 's nachts om oververhitting en predatie door roofvogels te voorkomen, terwijl hij overdag rust en foerageert in mediterrane struwelen.


Hoewel je op 19 maart in het Zoerselbos al overal de monotone zang van de tjiftjaf hoort, laat de fitis meestal nog op zich wachten tot de eerste week van april.
Dit tijdsverschil is een direct gevolg van de grotere afstand en de fitis is een obligate trekker wiens vertrek wordt bepaald door de daglengte in Afrika en niet door de lokale weersomstandigheden.
Wanneer de eerste exemplaren arriveren, zijn ze vaak uitgeput en verliezen ze hun schuwheid terwijl ze koortsachtig op zoek gaan naar de eerste voorjaarsinsecten.
Visueel valt de vogel op door een lichte, duidelijke wenkbrauwstreep en een geelwitte keel en borst die contrasteren met de olijfgroene bovenzijde.
Een cruciaal detail voor de correcte determinatie van de soort zijn de bruinroze tot vleeskleurige poten, in tegenstelling tot de tjiftjaf die opvallend donkere pootjes heeft.
Frank legt uit dat dit kleurverschil op foto's vaak het enige harde bewijs is om de twee soorten met zekerheid uit elkaar te houden.
Bovendien heeft de fitis verhoudingsgewijs langere vleugels, wat een noodzakelijke evolutionaire aanpassing is voor zijn status als langeafstandstrekker.
Voor specialisten is de handvleugelprojectie een belangrijk kenmerk en bij de fitis is deze aanzienlijk langer, wat hem een meer langgerekt uiterlijk geeft.
Technisch gezien heeft de fitis drie versmallingen aan de buitenste handpennen, terwijl de tjiftjaf er vier heeft, een detail dat op de hoge-resolutiefoto's van Frank zichtbaar wordt.
De fitis is bovendien een van de weinige zangvogels die twee keer per jaar volledig ruit, zowel in de broedgebieden als in de wintergebieden in Afrika.
Dit dubbele rui-proces zorgt ervoor dat hun verenpak altijd in optimale conditie is voor de slopende tochten over continenten heen.
De fitis verblijft bij voorkeur in droge tot vochtige halfopen landschappen waar voldoende opslag aanwezig is zoals berken, wilgen en lage struiken.
In de Voorkempen vindt hij zijn ideale habitat in lichte bossen met veel ondergroei die essentieel zijn voor zijn dagelijkse foerageergedrag en veiligheid.
Het landschap van de Voorkempen, met haar afwisseling van oude kasteelparken en jonge bosaanplant, vormt daarom een absolute hotspot voor deze soort.


In gebieden zoals de Schans van Schilde vind je hem niet in de donkere kern van het bos, maar juist aan de zonnige randen en kapvlaktes waar licht de bodem bereikt.
Hoewel de fitis struweel nodig heeft om te foerageren, doet hij dit opvallend lager in de begroeiing en dichter bij de grond dan de tjiftjaf die vaker de boomtoppen opzoekt.
Zijn dieet is zeer proteïnerijk en bestaat vooral uit insecten en spinnen, af en toe aangevuld met bessen en vruchten in het najaar voor de nodige vetreserves.
Tijdens de piek van de zomer kunnen ze enorme hoeveelheden bladluizen consumeren, wat hen tot nuttige bondgenoten van de lokale flora maakt.
Binnen zijn zorgvuldig gekozen leefgebied verdedigt het mannetje zijn territorium op een zeer agressieve wijze ten opzichte van alle andere indringers van dezelfde soort.
Hij doet dit door luidruchtig te zingen vanaf verschillende zangposten en indien nodig fysieke vluchten uit te voeren om rivalen te verjagen.
De voortplanting van de fitis begint meestal eind april, wanneer de temperaturen stijgen en het lokale insectenaanbod eindelijk groot genoeg is om jongen te voeden.
De fitis legt meestal één broedsel per jaar dat bestaat uit een legsel van 4 tot wel 8 eieren, wat indrukwekkend is voor een vogel van slechts 8 gram.
Het vrouwtje bouwt het nest alleen, waarbij ze grassen, mossen en worteltjes gebruikt om een stevige maar zachte kom te vormen.
Het nest bevindt zich goed verborgen op de grond of zeer laag in de begroeiing, vaak verscholen tussen hoog gras of braamstruiken in een beschutte hoek.
Dit bolvormige nest met een zij-ingang is een vernuftig bouwwerk, maar maakt de vogel tegelijkertijd zeer kwetsbaar voor verstoring door wandelaars en honden.
Het is om deze reden dat Frank altijd adviseert om tijdens het broedseizoen strikt op de paden te blijven in gebieden zoals het Zoerselbos.
De broedduur van deze eieren bedraagt tussen de 12 en 14 dagen, waarbij het vrouwtje bijna constant op de eieren zit terwijl het mannetje de wacht houdt.
Nadat de jongen zijn uitgekomen, zitten zij nog eens 12 tot 16 dagen op het nest alvorens ze hun eerste onhandige vlucht naar buiten wagen.
In deze fase zijn de jongen extreem kwetsbaar voor predatoren zoals eksters, vlaamse gaaien en zelfs huiskatten die in de buurt van de bosranden jagen.
Zelfs na het uitvliegen blijven ze afhankelijk en worden ze tot twee weken lang intensief gevoerd door voornamelijk het vrouwtje.
De fitis is een echte langeafstandstrekker die tussen juli en september aan zijn uitputtende najaarstrek begint richting de Sahel en verder.

Tijdens deze indrukwekkende reis van soms meer dan 12.000 kilometer steekt hij dapper de Middellandse Zee over via de Straat van Gibraltar of zelfs over de open zee.
Opmerkelijk is dat de fitis deze gevaarlijke tocht vooral 's nachts aflegt om de koelere nachtlucht optimaal te benutten voor zijn fysieke inspanning.
Hij overwintert in de tropische gebieden van Afrika, waar hij de Europese winter overbrugt in ecosystemen zoals de vochtige acacia-savanne.
Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de overleving van volwassen fitissen sterk beïnvloed wordt door de regenval in de verre Sahel-zone tijdens hun doortrek.
Als er onvoldoende neerslag valt in Afrika, vinden de vogels niet genoeg insecten om vetreserves aan te leggen voor de terugtocht naar de Voorkempen.
Tussen maart en eind mei keert hij met een enorme geografische precisie weer terug naar zijn vertrouwde broedgebied in onze prachtige streek.
Het is een wonder der natuur dat zo’n klein wezen feilloos de weg terugvindt naar exact dezelfde boomgroep als het jaar ervoor.
Ondanks zijn status als algemene vogel, is de fitis in Vlaanderen een van de snelst afnemende zangvogelsoorten van de laatste decennia.
Cijfers laten zien dat de populatie in bepaalde regio's met meer dan de helft is gekrompen, wat natuurbeschermers grote zorgen baart.
Veranderingen in het landschap en extreme droogte in West-Afrikaanse overwinteringsgebieden lijken belangrijke oorzaken voor deze zorgwekkende trend.
Ook het verlies aan biodiversiteit door intensieve landbouw en de versnippering van leefgebieden in de Kempen speelt een negatieve rol.
In de overgangszones van het Groot Schietveld in Kapellen profiteert de fitis momenteel nog optimaal van de grens tussen open heide en bos.
Hier vinden ze de nodige rust en een overvloed aan voedsel dat elders in het landschap steeds vaker ontbreekt.
Overal waar het zonlicht de bodem raakt en voor een weelderige vegetatie zorgt, vindt deze vogel de nodige beschutting voor zijn grondnest.


Het behoud van ruige bosranden, brede houtkanten en natuurlijke overgangen in de regio is daarom essentieel voor het voortbestaan van deze soort.
De fitis is een indicator voor een gezond en gevarieerd landschap waarin kleinschalige natuurelementen nog de ruimte krijgen om te floreren.
Zijn aanwezigheid vertelt ons dat de lokale ecologie nog veerkrachtig genoeg is om dergelijke wereldreizigers te ondersteunen.
Zo blijft de fitis een levend en melodieus symbool van de verbondenheid tussen onze eigen Kempische natuur en de verre Afrikaanse wildernis.
Frank Vermeiren blijft met zijn lens speuren naar deze kleine reiziger om de fragiele schoonheid van onze streek vast te leggen voor toekomstige generaties.
Door middel van zijn reportages hoopt hij het publiek bewuster te maken van de rijkdom die zich vlak onder onze neus bevindt.
Dit uitgebreide verslag vormt zo een eerbetoon aan een vogel die elk jaar de halve wereld trotseert om in onze achtertuin zijn lied te laten horen.
Met de fitis als ambassadeur van de Voorkempen kijken we uit naar de komst van de andere zomergasten die de komende weken zullen arriveren.
Het alfabet van Frank is nog lang niet voltooid, maar de F heeft ons vandaag herinnerd aan de grootsheid van de allerkleinsten in onze natuur.

woensdag 18 maart 2026

Belgische uitstoot stijgt weer door industrie en verkeer terwijl GroenRand alarm slaat over de natuur

De Belgische uitstoot neemt opnieuw toe door industrie en verkeer, terwijl GroenRand luid alarm slaat over de bedreigde natuur


98,012 miljoen ton aan broeikasgassen zoals CO2 en methaan en distikstofmonoxide werden er in 2024 uitgestoten in België.
Dat is 0,2 procent meer dan in 2023 wat een abrupte breuk is met de jarenlange traditie van dalingen die ons land de voorbije jaren kende.
Hoewel de uitstoot in 2021 ook al eens steeg door de uitzonderlijke economische heropleving na de coronacrisis is het eigenlijk al van 2018 geleden dat de Belgische cijfers zonder die reden de verkeerde kant opgingen.
Vandaag stoot België hierdoor 32,6 procent minder broeikasgassen uit dan in 1990 terwijl we vorig jaar toen de rekening werd gemaakt voor 2023 nog op 32,7 procent winst stonden.


Daarmee verdampt er een klein beetje van de klimaatwinst die ons land eerder boekte door schonere technologieën en het sluiten van vervuilende cokescentrales en betere isolatie van gebouwen.
België rapporteert deze cijfers aan de Europese Commissie die de uitstoot van alle lidstaten verzamelt om die op haar beurt over te maken aan de Verenigde Naties.
Alle 198 landen die het VN-klimaatverdrag UNFCCC hebben ondertekend moeten jaarlijks immers doorgeven hoeveel broeikasgassen er worden uitgestoten zodat de VN de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering in kaart kunnen brengen.
De recente stijging van de emissies is vooral te wijten aan de zware Vlaamse industrie waar de metaalsector en chemische bedrijven samen met de raffinaderijen maar liefst 1,2 miljoen ton extra broeikasgassen uitstootten.
In de Antwerpse haven en de omliggende industriegebieden ligt de kern van deze problematiek omdat dit een van de meest uitstootgevoelige regio's van heel Europa is met een enorme concentratie aan zware industrie.
Volgens het Vlaams Energie en Klimaatagentschap VEKA waren de emissies van de Vlaamse industrie in 2023 uitzonderlijk laag doordat twee grote industriële installaties toen in onderhoud waren.
Dat deze installaties in 2024 opnieuw werden aangeschakeld verklaart deels de stijging in de cijfers die België nu aan Europa heeft overgemaakt.


Terwijl de industriële uitstoot in Wallonië wel een daling liet zien bleven de emissies van het verkeer in heel België met 270.000 ton stijgen tussen 2023 en 2024.
Het verkeer rijdt helaas de verkeerde richting uit want hoewel automotoren efficiënter zijn geworden is de uitstoot met net geen 20 procent gestegen sinds 1990.
Dat maakt van het verkeer een van de schaarse sectoren waar de uitstoot van broeikasgassen niet daalt maar juist stijgt ondanks de snelle elektrificatie van het wagenpark.
Deze winst wordt deels ongedaan gemaakt doordat er steeds meer voertuigen over de Belgische wegen rijden met een toename van driekwart meer voertuigen dan in 1990.
Al die auto's en bestelwagens en vrachtwagens leggen samen de helft meer kilometers af dan toen waardoor de technologische vooruitgang volledig wordt opgeslokt.
Onderzoeker Joris Moorthamers van de dienst Klimaat noemt deze evolutie in het transport bijzonder zorgwekkend en spreekt van een modal shift in de verkeerde richting.


Natuurvereniging GroenRand trekt hierbij fel aan de alarmbel omdat de grens van wat onze lokale ecosystemen kunnen verdragen door deze industriële en verkeersdruk al lang is overschreden.
Om deze enorme druk van de industrie en de haven te compenseren werkt GroenRand aan een ambitieus plan voor een klimaatgordel rond Antwerpen als groene buffer.
Deze klimaatgordel moet fungeren als een ecologische bescherming tussen de zware havenindustrie en de omliggende woonkernen om de leefbaarheid en de gezondheid van de regio te bewaken.
Voor GroenRand is deze stijgende uitstoot geen kille statistiek maar een directe aanval op de biologische veerkracht van onze regio omdat bijna 93 procent van de Belgische natuur er al slecht aan toe is.
De opwarming die door deze gassen wordt versterkt zorgt voor een gevaarlijke mismatch in de voedselketen waarbij insecten op het verkeerde moment verschijnen voor de vogels die hun jongen moeten voeden.


De natuur krijgt vaker te maken met de dubbele klap van drogere zomers en nattere winters wat direct leidt tot meer bosbranden en ernstige bodemerosie in kwetsbare natuurgebieden.
Bovendien tast de hogere concentratie broeikasgassen de bodemkwaliteit aan door verzuring en vermesting waardoor bomen verzwakken en zeldzame vennen in onze regio volledig kunnen uitdrogen.
De sector van de afvalverwerking en de landbouw en de verwarming van gebouwen moeten hun uitstoot ook drastisch laten dalen om de Europese doelen van Fit for 55 te halen.
Europa vraagt van België dat de sectoren verkeer en gebouwen en landbouw tegen het jaar 2030 maar liefst 47 procent minder uitstoten dan in 2005.


Diensthoofd Elisabeth Ellegaard van de federale dienst Klimaat waarschuwt dat de klimaatdoelen nog niet in gevaar komen maar dat er wel een versnelling nodig is met structurele maatregelen.
Vlaams minister van Klimaat Hans Bonte reageert dat de regering 2 miljard euro vrijmaakt om bedrijven te ondersteunen bij hun verduurzaming en zo de concurrentiekracht en de jobs in Vlaanderen te garanderen.
Het is echter de grote vraag of dit budget volstaat om de stijgende lijn in het verkeer en de zware industrie definitief om te buigen en de verstikte natuur weer de nodige ademruimte te geven.


Elke vertraging in de reductie van emissies betekent immers een grotere druk op de kwetsbare biodiversiteit en een verhoogd risico op onomkeerbare schade aan ons leefmilieu en de toekomst van onze kinderen.
Het realiseren van de klimaatgordel rond de haven en het herstellen van de natuurlijke veerkracht op het terrein is volgens GroenRand de enige weg die nog rest om een lokale klimaatcatastrofe te voorkomen.
Zonder een fundamentele gedragswijziging in mobiliteit en industrie zal de Belgische uitstoot een blok aan het been blijven van de Europese inspanningen voor een klimaatneutraal continent tegen het jaar 2050.
De strijd tegen de klimaatverandering vergt meer dan alleen investeringen maar vraagt om een integrale aanpak waarbij natuurherstel en emissiereductie hand in hand gaan voor een leefbaar België.